Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15123

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/1182
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 3:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing beroep wegens niet tijdig beslissen op aanvraag omgevingsvergunning met oplegging dwangsom

Eiseres heeft meerdere keren beroep ingesteld tegen het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk vanwege het niet tijdig beslissen op haar aanvraag om een omgevingsvergunning van 12 maart 2023. De rechtbank heeft eerder al twee dwangsommen opgelegd wegens overschrijding van de beslistermijn, maar het college heeft nog steeds geen besluit genomen.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn opnieuw is overschreden en dat het college geen gevolg heeft gegeven aan eerdere uitspraken. Hoewel een verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad nodig is en een uitgebreide procedure gevolgd moet worden, vormt dit geen reden om af te zien van het opleggen van een nieuwe dwangsom.

De rechtbank draagt het college op om binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom van € 250,- per dag op met een maximum van € 37.500,- voor elke dag dat het besluit uitblijft. Tevens worden de proceskosten van eiseres aan het college opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt toegewezen en het college wordt opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1182

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, het college.

Procesverloop

Eiseres heeft bij brief van 23 mei 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op haar aanvraag om een omgevingsvergunning van 12 maart 2023 (de aanvraag).
De rechtbank heeft op 16 juli 2025 het beroep niet tijdig beslissen op de aanvraag gegrond verklaard en het college opgedragen om binnen 8 weken alsnog een besluit te nemen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.
Op 15 september 2025 heeft eiseres een opvolgend beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op haar aanvraag.
De rechtbank heeft op 12 december 2025 het beroep niet tijdig beslissen op de aanvraag gegrond verklaard en het college opgedragen om binnen 3 weken na 16 december 2025 alsnog een besluit te nemen, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.
Op 2 februari 2026 heeft eiseres een opvolgend beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op haar aanvraag.
Het college heeft de stukken en een verweerschrift ingediend.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [1] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [2]
3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is, in een geval waarin de bestuursrechter een termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit, niet vereist dat nog een ingebrekestelling wordt gestuurd voordat beroep wordt ingesteld. [3]
4. Niet in geschil is dat de beslistermijn opgedragen bij uitspraak van 12 december 2025 is overschreden en dat het college nog niet heeft beslist op de aanvraag van eiseres.
5. Het beroep is kennelijk gegrond.
6. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen.
7. Het college heeft in zijn verweerschrift van 12 februari 2026 aangegeven dat de beslistermijn is overschreden, maar dat er inmiddels alles aan wordt gedaan om zo spoedig mogelijk een besluit te nemen. Er moest in deze procedure echter een verklaring van geen bedenkingen worden afgegeven door de gemeenteraad waardoor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is. De ontwerpverklaring van geen bedenkingen is op 25 september 2025 afgegeven. Het ontwerpbesluit is vanaf 4 november 2025 ter inzage gelegd. Daartegen is een zienswijze ingediend. De gemeenteraad moet beslissen over het al dan niet verlenen van een verklaring van geen bedenkingen. De verklaring is daarom opnieuw naar de gemeenteraad gestuurd. In het raadsvoorstel en separaat aan eiseres is aangegeven wat het vervolgtraject is, uitgezet in tijd. Dit traject kan onmogelijk versneld worden, aldus het college.
8. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, derde lid, zal de rechtbank het college opdragen binnen een termijn van twee weken na de datum van deze uitspraak, dus uiterlijk op 19 juni 2026, alsnog een besluit op de aanvraag te nemen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat er sprake is van een opvolgend beroep niet tijdig beslissen, dat het college tot op heden geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 12 december 2025, en dat inmiddels de maximale dwangsom die in die uitspraak is opgelegd is verbeurd. Daar komt bij dat de aanvraag van eiseres dateert van 12 maart 2023 en dat de beslistermijn van 6 maanden [4] inmiddels ruimschoots is overschreden. Dat een verklaring van geen bedenkingen nodig is en dat de uitgebreide procedure van paragraaf 3.3 van de Wabo moet worden gevolgd is geen reden af te zien van het opleggen van een dwangsom. Gezien de trage besluitvorming tot nu toe komen deze omstandigheden voor risico van het college.
9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, en in overeenstemming met het landelijk beleid [5] dat het college, zodra ook de bij deze uitspraak gegeven beslistermijn is overschreden, een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nog wordt overschreden. Daarbij geldt wel een maximum van € 37.500,-.
10. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiseres gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 0,5 (licht)). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag;
  • draagt het college op om binnen twee weken na de datum van deze uitspraak, dus uiterlijk 19 juni 2026, alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 250,- per dag moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt met een maximum van € 37.500,-;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
E.T. Rietbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
2.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4.Zoals bedoeld in artikel 3:18 van Pro de Awb.
5.Beleid extra dwangsom zie rechtspraak.nl.