De minister van Asiel en Migratie legde op 9 januari 2026 aan eiser, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 23 januari 2026 in Groningen.
De minister baseerde de maatregel op zware gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en het niet opvolgen van vertrekbevelen, alsmede lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De rechtbank stelde vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet had bestreden en dat de maatregel niet onrechtmatig was.
Verder oordeelde de rechtbank dat eiser viel onder de categorie vreemdelingen genoemd in artikel 59a Vw en dat er een concreet aanknopingspunt was voor overdracht aan Duitsland volgens de Dublinverordening. De gronden waren voldoende om de maatregel te dragen en het risico op onttrekking aan toezicht was significant. Een lichter middel was niet passend, mede omdat geen persoonlijke of medische omstandigheden waren die dit rechtvaardigden.
De minister werkte voortvarend aan de overdracht, die op de zittingsdag plaatsvond. De rechtbank zag geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.