ECLI:NL:RBDHA:2026:1524

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL25.33494
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid

Eiser, een Pakistaanse christen, diende op 7 september 2023 een asielaanvraag in na een incident op zijn werk waarbij een collega hem vals beschuldigde van blasfemie en een fatwa tegen hem werd uitgevaardigd. Verweerder wees de aanvraag op 16 juli 2025 af wegens gebrek aan geloofwaardigheid van de problemen die eiser ondervond.

Tijdens de zitting op 2 september 2025 verzocht verweerder om aanhouding van de procedure om nader onderzoek te doen naar een kopie van de fatwa die eiser had overgelegd. Dit verzoek werd gehonoreerd, maar na drie maanden werd de kopie niet onderzocht en verweerder gaf geen duidelijke reden voor deze wijziging van standpunt.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de fatwa niet is onderzocht en waarom de eerdere redenen voor onderzoek werden losgelaten. Ook is niet duidelijk gemaakt waarom eiser meer onderzoek had moeten doen naar de fatwa of waarom de familie van eiser geen problemen zou ondervinden. Hierdoor is het besluit in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel en wordt het vernietigd.

Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33494

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.S. Hoogendoorn-Matthijssen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 7 september 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk was aanwezig F. Hussain.
1.2.
Na de mondelinge behandeling op zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en is afgesproken dat verweerder één week de tijd krijgt om nader te reageren op het betoog van eiser dat in een andere zaak besloten is om een kopie van een fatwa wel te onderzoeken.
2. Bij brief van 5 september 2025 heeft verweerder gevraagd om de behandeling tenminste drie maanden aan te houden om de door eiser overgelegde kopie van de fatwa nader te laten onderzoeken. De rechtbank heeft dit verzoek gehonoreerd.
2.1.
Op 10 december 2025 heeft verweerder een nader stuk ingediend waarin hij toelicht waarom de kopie van de fatwa niet ter onderzoek is aangeboden aan Bureau Documenten. Verweerder handhaaft de afwijzing van eisers asielaanvraag.
2.2.
Bij brief van 7 januari 2026 heeft eiser gereageerd op het nadere standpunt van verweerder.
3. De rechtbank heeft met toestemming van partijen afgezien van een tweede zitting en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
4. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1981. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij problemen heeft ervaren omdat hij christen is. Op zijn werkplek bij een reisbureau heeft een incident plaatsgevonden waarbij een collega eiser vals heeft beschuldigd van blasfemie. Naar aanleiding hiervan is een fatwa tegen eiser uitgevaardigd met de strekking dat hij gedood mag worden. Die is aan zijn huis opgehangen. Eiser heeft daarom besloten direct Pakistan te verlaten.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen vanwege het incident op zijn werk.
5.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar de problemen vanwege het incident op zijn werk niet. Eisers verklaringen hierover vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. [2] Eiser heeft daarom geen gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin [3] en hij loopt geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. [4] Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft zijn besluit onvoldoende gebaseerd op landeninformatie. Eisers asielrelaas komt overeen met het Algemeen ambtsbericht van juli 2024 over Pakistan, waarin ook vergelijkbare gebeurtenissen met andere christenen worden omschreven. Dat eisers familie nu niet in gevaar is, is ook logisch omdat de fatwa tegen eiser is gericht en zijn familie hem sindsdien niet heeft gezien. Verweerder mocht ook niet van eiser verwachten dat hij meer onderzoek zou doen naar de totstandkoming en verspreiding van de fatwa, nu hij in gevaar was en direct moest vluchten. Dat eiser weinig details weet over de fatwa, is in lijn met de algemene landeninformatie waaruit naar voren komt dat meestal niet duidelijk is hoe fatwa’s precies worden verspreid. Ook moest verweerder de overgelegde foto van de fatwa laten onderzoeken door Bureau Documenten, nu niet verwacht mag worden dat eiser het origineel in handen heeft. [5]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
8. De rechtbank overweegt allereerst dat zij uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht, niet kan afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Het enkel verwijzen naar argumenten in de zienswijze kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich beperken tot de bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.
Heeft verweerder de problemen vanwege het incident op werk ongeloofwaardig mogen vinden?
9. In het Algemeen ambtsbericht staat dat religieuze minderheden zoals christenen in Pakistan onder een dreiging van vervolging leven en dat zij zwaar gestraft kunnen worden voor blasfemie. [6] Ook staat hierin dat blasfemiezaken op publieke instigatie kunnen ontstaan en kunnen uitmonden in een fatwa. [7] Hierbij is niet altijd duidelijk hoe de fatwa tot stand is gekomen. [8] Verweerder heeft dit in het bestreden besluit onderkend, maar heeft erop mogen wijzen dat hiermee nog niet vaststaat dat iets dergelijks ook eiser is overkomen. De vraag die voorligt is of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser zijn problemen, waaronder de uitvaardiging van de fatwa, met zijn verklaringen en de overgelegde documenten niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit onvoldoende heeft gemotiveerd.
9.1.
Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat de overgelegde documenten onvoldoende zijn om zijn problemen te onderbouwen. Na de mondelinge behandeling op zitting heeft verweerder de rechtbank op 5 september 2025 verzocht om een aanhouding van tenminste drie maanden zodat de kopie van een fatwa nader onderzocht kon worden en verweerder een aantal onderzoeksvragen aan TOELT [9] kon voorleggen. De rechtbank heeft dit verzoek gehonoreerd.
9.2.
Bij brief van 10 december 2025 heeft verweerder de rechtbank en de gemachtigde van eiser nader geïnformeerd. In deze brief staat dat er wel onderzoeksvragen zijn voorgelegd aan TOELT, maar dat de kopie van de fatwa niet ter onderzoek is aangeboden aan Bureau Documenten. Verweerder geeft daarvoor, mede onder verwijzing naar verschillende ambtsberichten, de volgende redenen:
- Het gaat om een kopie.
- Er zijn nepfatwa’s in omloop en het onderscheid tussen echte en neppe fatwa’s is niet eenduidig te maken.
- Eiser heeft zelf geen onderzoek naar de fatwa’s gedaan.
- Niet is gebleken dat hijzelf of zijn familie na zijn vertrek problemen heeft ondervonden.
9.3.
De rechtbank merkt allereerst op dat dit allemaal omstandigheden zijn die ook al bekend waren ten tijde van de zitting en op 10 december 2025 en dat niet duidelijk is geworden waarom verweerder de kopie van de fatwa eerder wel wilde laten onderzoeken en nu – na zich drie maanden te hebben beraden – niet meer. Ook is niet duidelijk in hoeverre de (reactie op de) door verweerder aan TOELT voorgelegde onderzoeksvragen een rol hebben gespeeld bij deze draai. Dit getuigt niet van de vereiste zorgvuldigheid. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd en wordt reeds om die reden vernietigd. In het nieuw te nemen besluit kan verweerder – naast dit punt – tevens nader ingaan op het betoog van eiser dat verweerder niet heeft onderbouwd op basis van welke informatie is geconcludeerd dat het voor de hand had gelegen dat eiser nader onderzoek had gedaan naar de fatwa’s en dat zijn familie – bij een fatwa – problemen zou hebben ondervonden.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel [10] en het zorgvuldigheidsbeginsel [11] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op de aanvraag en daarbij rekening houden met deze uitspraak. [12]
11. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 2.335,- [13] .

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Zie artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw 2000.
3.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank van 27 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:3473) en de nog lopende zaak met zaaknummer NL25.19143.
6.Zie paragrafen 3.2.2 en 3.2.3 van het Algemeen ambtsbericht van juli 2024 over Pakistan.
7.Zie paragraaf 3.3.8.4 van het Algemeen ambtsbericht van juli 2024 over Pakistan.
8.Idem.
9.Team Onderzoek en Expertise Land en Taal.
10.Op grond van artikelen 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
11.Op grond van artikel 3:2 van Pro de Awb.
12.De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.
13.1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van repliek/dupliek met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1.