ECLI:NL:RBDHA:2026:15314

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/09/681743 / FA RK 25-1847
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:392 BWArt. 1:395 BWArt. 1:401 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag en wijziging kinderalimentatie na wijziging gezinssituatie

De vader en moeder zijn ouders van twee minderjarige kinderen en de vader heeft een nieuw samengesteld gezin met meerdere onderhoudsplichtigen. De rechtbank wijst het verzoek van de vader toe om gezamenlijk gezag over de kinderen te verkrijgen, omdat de ouders goed communiceren en dit in het belang van de kinderen is.

Er wordt een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen in de even weekends bij de vader verblijven, met duidelijke ophaal- en brengmomenten. De verdeling van vakanties en feestdagen wordt in overleg vastgesteld met een roulerend systeem voor de zomervakantie.

De kinderalimentatie wordt herzien vanwege gewijzigde omstandigheden, waaronder de geboorte van een nieuw kind en samenloop van onderhoudsverplichtingen. De rechtbank berekent de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de onderhoudsplichtigen, past een draagkrachtverdeling toe en houdt rekening met een zorgkorting. De vader wordt verplicht een lagere alimentatie te betalen dan oorspronkelijk vastgesteld, met jaarlijkse indexering.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het verzoek tot meer of anders wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot gezamenlijk gezag toe, stelt een zorgregeling vast en wijzigt de kinderalimentatie met ingang van 12 maart 2025.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1847
Zaaknummer: C/09/681743
Datum beschikking: 8 mei 2026

Gezag, omgangs- c.q. zorgregeling en wijziging kinderalimentatie

Beschikking op het op 12 maart 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.C.M. Montessori in [plaats 1] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.H.P.C. Glaudemans in Delft.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;
  • het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken en met bijlagen, namens de moeder;
  • de brief van 20 maart 2026, met gewijzigd verzoek en met bijlagen, namens de vader;
  • het bericht van 27 maart 2026, met bijlage, namens de vader;
  • de brief van 27 maart 2026, met bijlagen, namens de moeder;
  • het bericht van 30 maart 2026, met bijlage, namens de moeder;
  • het bericht van 31 maart 2026, met bijlage, namens de moeder.
De brief namens de vader, met gewijzigd verzoek en met bijlagen, die op 9 april 2026 is ingediend laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat deze buiten de daarvoor bestemde termijn is ingediend. In tegenstelling tot hetgeen is besproken op de zitting, neemt de rechtbank evenmin de bij de brief van 9 april 2026 ingediende salarisstrook van mevrouw [de nieuwe partner] mee, nu de berekening gemaakt kan worden aan de hand van haar eerder ingediende jaaropgave 2025.
Op 10 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en K. Meijer namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 1] .
  • De vader heeft de kinderen erkend.
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen belast.
  • Bij beschikking van 7 februari 2024 van deze rechtbank is:
  • de door de vader met ingang van 1 oktober 2023 te betalen kinderalimentatie voor de kinderen bepaald op € 200,- per maand per kind;
  • bepaald dat de vader als achterstallige bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen over de periode van 1 maart 2023 tot en met
30 september 2023 € 2.150,00 dient te voldoen.
  • De vader heeft een dochter uit een eerdere relatie, [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2009 in [geboorteplaats 2] .
  • Op [datum] 2024 is de vader gehuwd met [de nieuwe partner] (hierna: [de nieuwe partner] ) in [plaats 1] . Uit dit huwelijk is geboren: [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2024 in [geboorteplaats 3] . [de nieuwe partner] heeft twee kinderen uit een eerdere relatie: [de minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2010 en [de minderjarige 6] , geboren op
[geboortedatum 6] 2015.

Verzoek en verweer

De man verzoekt – na wijziging –:
  • de ouders gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te belasten;
  • een zorgregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen waarbij de kinderen in de even weekends bij hem verblijven, waarbij de vader de kinderen op vrijdagmiddag uit school ophaalt (om 15.15 uur) en op zondag tussen 16.00-17.00 uur thuisbrengt;
  • te bepalen dat de schoolvakanties en feestdagen in overleg in de maand september voor het gehele schooljaar zullen worden verdeeld;
  • de beschikking van 7 februari 2024 te wijzigen in die zin dat de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 november 2024 wordt gewijzigd in € 77,- per maand per kind, althans met ingang van zodanige datum in zodanige bijdrage als de rechtbank in goede justitie acht,
met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig:
  • als het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de kinderen te belasten wordt toegewezen, verlening van vervangende toestemming aan de moeder om de kinderen volgens het Rijksvaccinatieprogramma te laten vaccineren;
  • bepaling dat de moeder in de even jaren de eerste keus heeft voor de verdeling van de zomervakantie en de vader in de oneven jaren, en in de jaren dat de ouders slechts vier weken gezamenlijke zomervakantie hebben te bepalen dat de kinderen met elk van de ouders twee weken op vakantie gaan;
  • bij wijziging van de kinderalimentatie het bedrag te verlagen tot € 197,- per maand per kind, dan wel te verlagen tot een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie acht.

Beoordeling

Gezag
Uit artikel 1:253c lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die niet eerder het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten. Dit verzoek wordt, als de andere ouder hiermee niet instemt, alleen afgewezen als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende grond bestaat om de vader mede met het gezag over de kinderen te belasten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Uitgangspunt van de wetgever is dat gezamenlijk gezag in het belang van een kind is. Slechts in uitzonderingsgevallen mag worden aangenomen dat het belang van een kind vereist dat één van de ouders met het gezag wordt belast. Gebleken is dat de ouders goed met elkaar kunnen communiceren over zaken rondom de kinderen. Daarnaast is gebleken dat de ouders in staat zijn om in onderling overleg de gemaakte afspraken te wijzigen. Niet is gebleken van contra-indicaties die maken dat gezamenlijke gezagsuitoefening niet in het belang van de kinderen is. Beide ouders zijn het er ook over eens dat de vader mede met het gezag over de kinderen wordt belast. Voor de moeder is het belangrijk dat de kinderen deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. Ter voorkoming van discussie wil zij hier graag vervangende toestemming voor ontvangen. De vader heeft aangegeven dat hij instemt met het vaccineren van de kinderen.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen en bepalen dat de ouders voortaan gezamenlijk het gezag over de kinderen uitoefenen. Daarnaast zal de rechtbank ter voorkoming van een mogelijk toekomstig geschil het verzoek van de moeder voor vervangende toestemming om de kinderen volgens het Rijksvaccinatieprogramma te laten vaccineren toewijzen.
Zorgregeling
De ouders zijn een zorgregeling voor de kinderen overeengekomen. Aan deze zorgregeling wordt al enige tijd uitvoering gegeven. Ook hebben de ouders afspraken gemaakt over de verdeling van de vakanties en feestdagen. De rechtbank zal conform de overeenstemming van de ouders beslissen, omdat zij deze regeling ook in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] acht.
Wijziging kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
De rechtbank kan op grond van artikel 1:401 BW Pro de kinderalimentatie opnieuw vaststellen wanneer bij eerdere vaststelling is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens of als de omstandigheden zijn gewijzigd sinds het moment dat de alimentatie is vastgesteld of overeengekomen.
Tussen de ouders is niet in geschil dat er met de geboorte van [de minderjarige 4] sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van 7 februari 2024. De rechtbank zal de vader daarom ontvangen in zijn verzoek tot wijziging van de vastgestelde kinderalimentatie.
Samenloop van onderhoudsverplichtingen
Er is sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De vader is voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onderhoudsplichtig, maar ook voor zijn oudere dochter [de minderjarige 3] , voor zijn zoon [de minderjarige 4] en – in principe – voor zijn stiefkinderen [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] . De vader is namelijk door het huwelijk met [de nieuwe partner] de stiefouder van [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] geworden, die onderdeel uitmaken van het gezin van de vader en [de nieuwe partner] .
Bij een dergelijke samenloop van onderhoudsverplichtingen moet de rechtbank beoordelen of de vader in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen.
De rechtbank zal een methode toepassen van draagkrachtverdeling bij samengestelde gezinnen voor de ouder die meerdere onderhoudsverplichtingen heeft. De rechtbank zal de draagkracht van de vader voor zijn aandeel voor de kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is apart berekenen. Zo wordt de zuivere draagkracht van de vader per kind berekend, in plaats van zijn afgeleide draagkracht op basis van alle kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Voor zover de vader een tekort heeft om in het totaal van alle aandelen te voldoen, wordt dit tekort naar rato van dit tekort over alle aandelen omgeslagen.
Ingangsdatum
De rechtbank zal in redelijkheid als ingangsdatum van de vast te stellen kinderalimentatie de datum van indiening van het verzoekschrift hanteren, te weten 12 maart 2025. Vanaf dat moment heeft de moeder immers rekening kunnen houden met een lager te ontvangen bedrag aan kinderalimentatie.
[de minderjarige 3]
De rechtbank heeft onvoldoende gegevens om de behoefte van [de minderjarige 3] te berekenen. Zo heeft de rechtbank van mevrouw [naam] (moeder van [de minderjarige 3] ) alleen een jaaropgave 2023, welk jaar voor een eventuele berekening niet relevant is. De vader stelt dat hij geen vaste afspraken heeft met de moeder van [de minderjarige 3] voor een bijdrage in de kosten van haar opvoeding en verzorging, maar dat hij voor [de minderjarige 3] ongeveer € 70,- per maand aan kosten betaalt. De moeder betwist dit en geeft aan dat de vader dit niet met stukken heeft onderbouwd.
Op de zitting zijn de kosten die de vader voor [de minderjarige 3] maakt besproken. De rechtbank gaat mee in de stelling van de vader dat hij maandelijks een bijdrage levert in de kosten voor [de minderjarige 3] , nu het een feit van algemene bekendheid is dat er voor kinderen kosten worden gemaakt en het alleszins aannemelijk is dat de vader daar een bijdrage aan levert. Dat de vader € 70,- per maand voor [de minderjarige 3] betaalt is niet gebleken, want de vader heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd. De rechtbank vindt het redelijk om in dit geval rekening te houden met een bedrag van € 50,- per maand als aandeel van de vader in de kosten van opvoeding en verzorging van [de minderjarige 3] .
Behoefte [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]
Voor het bepalen van de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de ouders ten tijde van hun uiteengaan worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de ouders samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De rechtbank zal hiervoor rekenen met de tarieven van 2021-II, aangezien de moeder daarmee heeft gerekend en de vader zich daar niet tegen heeft verweerd.
Aan de zijde van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 31.610,- per jaar volgens de verklaring geregistreerd inkomen in 2021. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vader ten tijde van het uiteengaan van de ouders op € 2.182,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Aan de zijde van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 15.075,- per jaar volgens de aanslag inkomstenbelasting in 2021. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent de rechtbank het NBI van de moeder ten tijde van het uiteengaan van de ouders op € 1.256,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens bedroeg het NBGI van de ouders in 2021
(€ 2.182,- + € 1.256,- =) € 3.438,- per maand. Conform de aanbevelingen uit het rapport 2021 moet bij het NBGI worden opgeteld het kindgebonden budget waar de ouders ten tijde van de samenleving recht op hadden. De ouders hadden gezien hun inkomen recht op een kindgebonden budget van € 141,- per maand. Hun NBGI komt daarmee uit op € 3.579,- per maand.
Gelet op dit NBGI bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2021 en acht kinderbijslagpunten voor twee kinderen € 785,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] € 935,- per maand, te weten € 468,- per maand per kind.
Behoefte [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6]
Op grond van artikel 1:392 lid 1 BW Pro en artikel 1:395 BW Pro is de vader als stiefouder van [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] ook onderhoudsplichtig voor hen. De rechtbank neemt hen daarom mee in de berekening die ook voor [de minderjarige 4] geldt.
Bij de berekening van behoefte van [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] kijkt de rechtbank naar het NBGI van de vader en [de nieuwe partner] . Gelet op de te hanteren ingangsdatum zal de rechtbank hun behoefte berekenen in 2025 met de tarieven van 2025-I.
Aan de zijde van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 47.319,- per jaar volgens de jaaropgave 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 3.118,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Aan de zijde van [de nieuwe partner] gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 27.051,- per jaar volgens de jaaropgave 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent de rechtbank het NBI van [de nieuwe partner] op € 2.254,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens bedroeg het NBGI van de vader en [de nieuwe partner] in 2025 (€ 3.118,- + € 2.254,- =) € 5.372,- per maand. Conform de aanbevelingen uit het rapport 2025 moet bij het NBGI worden opgeteld het kindgebonden budget waar partijen ten tijde van de samenleving recht op hadden. De vader en [de nieuwe partner] hadden recht op een kindgebonden budget van € 546,-.
Gelet op vorenstaande bedraagt de behoefte van [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025 voor drie kinderen € 1.459,- per maand. De rechtbank zal geen rekening houden met de kosten voor kinderopvang voor [de minderjarige 4] , omdat niet is gebleken dat dit gaat om dusdanige hoge kosten die niet bij een andere kostenpost kunnen worden gecompenseerd.
Draagkracht
De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] moet door de vader en de moeder worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De behoefte van [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] moet door de vader en [de nieuwe partner] worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht moet conform de aanbevelingen uit het rapport 2025 in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.310)].
Zoals hierna zal blijken, bestaat er een tekort aan gezamenlijke draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Hoewel daardoor in beginsel rekening moet worden gehouden met de werkelijke woonlasten van beide ouders, ziet de rechtbank daar in dit geval vanaf, omdat zij onvoldoende gegevens heeft om te rekenen met de werkelijke woonlasten van beide ouders.
Draagkracht moeder
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 30.308,- per jaar, zoals blijkt uit de twee jaaropgaves van 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget berekent de rechtbank het NBI van de moeder op € 3.215,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de moeder bedraagt volgens de formule € 659,- per maand, te weten
70% x [3.215 - (0,3 x 3.215 + 1.310)].
Draagkracht vader
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vader gaat de rechtbank, net als bij de berekening van de behoefte van [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] uit van een inkomen van € 47.319,- per jaar in 2025 en een NBI van € 3.118,- per maand.
Aangezien de vader en [de nieuwe partner] samenwonen en hun woonlasten kunnen delen, ziet de rechtbank aanleiding om de moeder in haar stelling te volgen om rekening te houden met een woonbudget van 15% van het NBI in plaats van de gebruikelijke 30%.
De draagkracht van de vader bedraagt dan volgens de formule € 938,- per maand, te weten
70% x [3.118 - (0,15 x 3.118 + 1.310)].
De vader voert een draagkrachtverweer en stelt dat er ook rekening moet worden gehouden met de reiskosten die hij moet maken in het kader van de omgang. De vader woont inmiddels in [plaats 2] en haalt om de week [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op in [plaats 3] . Hij heeft hierover verklaard dat het huis in [plaats 1] te klein werd en dat het hem en [de nieuwe partner] niet lukte om in de omgeving van [plaats 1] een geschikte woning te vinden. Vervolgens hebben zij besloten om in [plaats 2] te gaan wonen. De rechtbank is van oordeel dat het de eigen keuze van de vader en [de nieuwe partner] is geweest om een woning in [plaats 2] te kopen. Niet is aangevoerd of aangetoond waarom [plaats 2] het enige alternatief voor [plaats 1] was. De rechtbank acht het daarom niet redelijk om rekening te houden met de volledige reiskosten tussen [plaats 2] en [plaats 3] . De rechtbank acht het wel redelijk om rekening te houden met de reiskosten tussen [plaats 1] en [plaats 3] , omdat de vader die kosten zonder de verhuizing ook had moeten maken. Voor de berekening van de reiskosten volgt de rechtbank de berekening van de vader in punt 8 van het verzoekschrift, zodat de rechtbank rekening zal houden met € 93,- per maand aan reiskosten.
Het bovenstaande brengt met zich mee dat de draagkracht van de vader zal worden bepaald op 70% x [3.118 - (0,15 x 3.118 + 1.310 + 93)], te weten € 873,- per maand.
Draagkracht [de nieuwe partner]
Bij de berekening van de financiële draagkracht van [de nieuwe partner] gaat de rechtbank, net als bij de berekening van de behoefte van [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] , uit van een inkomen van € 27.051,- per jaar. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget berekent de rechtbank het NBI van [de nieuwe partner] op € 2.746,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Bij de berekening van de draagkracht van [de nieuwe partner] ziet de rechtbank, net als bij de vader, aanleiding om rekening te houden met een woonbudget van 15%, omdat zij hun woonlasten kunnen delen.
De draagkracht van [de nieuwe partner] bedraagt dan volgens de formule € 717,- per maand, te weten
70% x [2.746 - (0,15 x 2.746 + 1.310)].
Verdeling kosten
Zoals hiervoor is overwogen, is aan de kant van de vader sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De rechtbank moet in een dergelijk geval beoordelen of de vader in staat is aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. Daarbij moet de rechtbank rekening houden met de bijdragen die de andere onderhoudsplichtigen kunnen leveren. Om het aandeel van de vader vast te stellen, vergelijkt de rechtbank de draagkracht van de vader met de draagkracht van de moeder, omdat zij samen onderhoudsplichtig zijn voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Daarnaast vergelijkt de rechtbank de draagkracht van de vader met de draagkracht van [de nieuwe partner] , omdat zij samen onderhoudsplichtig zijn voor [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] . Zoals hierboven is overwogen gaat de rechtbank uit van een aandeel van de vader in de kosten voor [de minderjarige 3] van € 50,- per maand.
De rechtbank hanteert de verhoudingenmethode waarbij een draagkrachtvergelijking wordt gemaakt met de volledige (‘zuivere’) draagkracht van de ouders met de formule:
draagkracht ouder / totale draagkracht moeder + vader x behoefte kind(eren).
Aandeel vader en aandeel moeder voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]
Aandeel vader: 873 / (873 + 659) x 935 = € 533,-
Aandeel moeder: 659 / (873 + 659) x 935 = € 402,-
Aandeel vader en aandeel [de nieuwe partner] voor [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6]
Aandeel vader: 873 / (873 + 717) x 1.459 = € 821,-
Aandeel [de nieuwe partner] : 717 / (873 + 717) x 1.459 = € 674,-
De vader moet voor [de minderjarige 3] , [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , en [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] respectievelijk bijdragen met € 50,- + € 533,- + € 821,- = € 1.404,- per maand. Daartoe is de vader financieel niet in staat, want zijn draagkracht is € 873,- per maand. Dat is onvoldoende om in zijn onderhoudsverplichtingen te voorzien.
Dit tekort aan draagkracht zal naar rato over de hiervoor berekende aandelen worden berekend. De vader kan maar € 873,- van het benodigde € 1.404,- betalen. Percentueel is dit afgerond 62% (873 / 1.404 x 100). Voor ieder kind is daarom slechts 62% van het aandeel van de vader beschikbaar.
Voor [de minderjarige 3] bedraagt 62% van het benodigde aandeel € 31,- per maand (62% van € 50,-). Voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bedraagt 62% van het benodigde aandeel € 330,- per maand (62% van € 533,-) en voor [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] bedraagt 62% van het benodigde aandeel € 509,- per maand (62% van € 821,-).
Zorgkorting
De vader maakt op de dagen dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij hem verblijven kosten waarmee hij ten dele aan zijn onderhoudsverplichting voldoet. Daarom verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de vader met een percentage van de behoefte van de kinderen (de zorgkorting).
Gelet op de vast te stellen zorgregeling voor de kinderen hanteert de rechtbank een zorgkortingspercentage van 25%. De zorgkorting voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bedraagt daarom
€ 234,- per maand (25% van € 935,- per maand).
Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de vader vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval dat de gezamenlijke draagkracht van de ouders onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als er een tekort aan draagkracht bestaat, komt de helft van dit tekort in mindering op de zorgkorting.
De vader heeft € 330,- per maand beschikbaar voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De moeder heeft
€ 402,- per maand beschikbaar voor hen. Hun gezamenlijke draagkracht voor de kinderen is daarom € 732,-- per maand. De behoefte van de kinderen is € 935,- per maand, waardoor er een tekort is van € 203,- per maand. De helft van dit tekort, te weten € 102,- per maand, komt in mindering op de zorgkorting van de vader. De vader kan dus nog € 132,- per maand aan zorgkorting verzilveren (€ 234,- minus € 102,-).
Dat betekent dat de bijdrage van de vader in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (€ 330,- minus € 132,- = ) € 198,- per maand bedraagt.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de door de vader te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , met ingang van 12 maart 2025, vaststellen op € 198,- per maand, te weten € 99,- per maand per kind.
Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 104,- per maand per kind. Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.

BeslissingDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 7 februari 2024 van deze rechtbank – :

*
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 1] ;
*
verleent aan de moeder toestemming, welke die van de vader vervangt, om de kinderen volgens het Rijksvaccinatieprogramma te laten vaccineren;
*
stelt vast dat de kinderen bij de vader zullen zijn in de even weekends, waarbij de vader de kinderen op vrijdagmiddag uit school ophaalt (om 15.15 uur) en op zondag tussen 16.00 uur en 17.00 uur thuisbrengt;
*
stelt ten aanzien van de vakanties en feestdagen voor de kinderen vast dat:
  • de schoolvakanties en feestdagen in overleg in de maand september voor het gehele schooljaar zullen worden verdeeld;
  • de moeder in de even jaren de eerste keus heeft voor de verdeling van de zomervakantie en de vader in de oneven jaren;
  • in de jaren dat de ouders slechts vier weken gezamenlijke zomervakantie hebben, de kinderen twee weken bij elk van de ouders zijn;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 12 maart 2025 een kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van €99,- per maand per kind, en met ingang van 1 januari 2026 van € 104,- per maand per kind zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 mei 2026.