Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
(bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
bestreden besluit 2) heeft de minister aan eiser aansluitend de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Overwegingen
“Ik heb problemen met Al Shabab. Ze gaan mij vermoorden wanneer ik terugkeer”.“Ik zal doodgaan in Somalië”.Op de vraag of eiser heeft te vrezen voor vervolging en/of onmenselijke/vernederende behandeling waartegen de autoriteiten van zijn land hem niet beschermen en waaruit dat blijkt: “
Ja, want dat is de reden waarom ik eigenlijk niet terug wil naar Somalië. Ik weet 100% zeker dat de regering mij niet kan beschermen tegen Al-Shabab”.
Op grond van deze verklaringen bestonden er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanknopingspunten voor de minister om nader onderzoek te doen naar een eventuele schending van het verbod van non-refoulement en mocht de minister de verklaringen van eiser op dat moment opvatten als een verzoek om internationale bescherming. Dat eiser tijdens hetzelfde gehoor meermaals heeft verklaard dat hij geen asiel wil aanvragen maar terug wil naar zijn kinderen in Somalië, neemt deze onderzoeksplicht van de minister niet weg. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 [2] , punten 74 t/m 76, waarin onder meer is overwogen dat de artikelen 5 en 15 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 19, tweede lid, van het Handvest, van toepassing zijn op elke illegaal verblijvende derdelander, ongeacht de redenen die aan die situatie ten grondslag liggen, en dat voor volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement niet is vereist dat een verzoek om internationale bescherming wordt ingediend. De minister heeft vervolgens op 16 mei 2026 een gesprek met eiser gevoerd in het kader van het nader onderzoek naar een eventuele schending van het verbod van non-refoulement, hetgeen heeft geresulteerd in een door eiser op 18 mei 2026 ondertekende asielaanvraag. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de minister eiser op grond van het bepaalde in artikel 59b van de Vw in bewaring mocht stellen. De beroepsgrond slaagt niet.
i) bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van betrokkene (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw);
ii) bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw).
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerken aan het vaststellen van de identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met de aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over de identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
In onderhavige maatregel van bewaring is op pagina 4 en 5 naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement niet aan de verwijdering van eiser naar Somalië in de weg staat. De vrees voor vervolging van eiser is beoordeeld in het besluit van 18 februari 2025 en daarna is niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden waarmee de minister in het besluit van 18 februari 2025 geen rekening heeft kunnen houden. Ook in beroep zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit concrete aanwijzingen blijken dat terugkeer naar Somalië nu wel leidt tot schending van artikel 3 van Pro het EVRM, of van het verbod van refoulement.
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank dan ook geen aanknopingspunten dat de minister had moeten aannemen dat het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de terugkeerverplichting van eiser, of dat de minister dit in de maatregel onvoldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.