Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15420

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
SGR 25/5809
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor bouw woonzorggebouwen Binnenklingen Den Haag

Eisers, bewoners van de Buitenklingen in Den Haag, hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft verleend voor de bouw van twee woonzorggebouwen op de locatie Binnenklingen. Zij voerden onder meer aan dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, de bezonning van hun woningen onevenredig aantast, de ruimtelijke inpassing niet voldoet aan het Planuitwerkingskader, en dat er sprake is van onaanvaardbare aantasting van privacy en geluidsoverlast.

De rechtbank oordeelt dat het bouwplan inderdaad afwijkt van het bestemmingsplan, maar dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De bezonning voldoet aan de Haagse bezonningsnorm en de bijzondere situatie van de woningen leidt niet tot een onevenredige aantasting. Afwijking van het Planuitwerkingskader betekent niet automatisch strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel, en de ruimtelijke inpassing sluit aan bij bestaande bebouwing.

Ten aanzien van privacy en geluid acht de rechtbank de aantasting niet onaanvaardbaar, mede vanwege de afstand tussen de gebouwen en de aanwezigheid van bomen. Het aangedragen alternatief voor de bouwvolgorde leidt niet tot een gelijkwaardig resultaat met minder bezwaren. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de bouw van twee woonzorggebouwen wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5809

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] , [eiser 10] , [eiser 11] , [eiser 12] , [eiser 13] en [eiser 14], allen uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. G.A. Verhoeven),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Stichting Middinuit Den Haag, vergunninghoudster.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van twee woonzorggebouwen op de locatie Binnenklingen in Den Haag. Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eisers krijgen daarom geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 30 december 2023 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van twee woonzorggebouwen met 10 groepswoningen van 8 woonzorgeenheden en bijbehorende voorzieningen ter plaatse van de te slopen woonzorggebouwen Binnenklingen 13, 15, 22, 24, 26 en 28.
2.1.
Het college heeft het bestreden besluit voorbereid volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure als omschreven in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het ontwerpbesluit heeft vanaf 23 mei 2025 zes weken ter inzage gelegen. Dit ontwerpbesluit bevatte een voornemen om de omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. [1] Naar aanleiding van dit ontwerpbesluit zijn meerdere zienswijzen ingediend. De reactie van het college op deze zienswijzen maakt deel uit van het bestreden besluit.
2.2.
Met het bestreden besluit van 29 juli 2025 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft schriftelijk gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Namens eisers zijn [eiser 5] , [eiser 10] en de gemachtigde van eisers verschenen, vergezeld door een aantal andere bewoners van de Buitenklingen. Het college heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 1] . Namens vergunninghoudster zijn [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
4.2.
Dit betekent ook dat op deze zaak nog de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Chw, gelezen in samenhang met categorie 3.1 van bijlage I van deze wet, is afdeling 2 van de Chw op deze procedure van toepassing.
Feiten en omstandigheden
5. Vergunninghoudster is voornemens op de locatie Binnenklingen in Den Haag ter plaatse van de te slopen woonzorggebouwen Binnenklingen 13, 15, 22, 24, 26 en 28, drie woonzorggebouwen te bouwen. Eisers wonen allen aan de Buitenklingen in Den Haag, gelegen vlak bij de locatie Binnenklingen. Met het besluit van 28 mei 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van één woonzorggebouw (blok 1) op de locatie Binnenklingen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Met het bestreden besluit heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen van de overige twee woonzorggebouwen (blok 2 en 3) verleend. Eisers maken zich zorgen over de effecten van deze woonzorggebouwen op hun woon- en leefomgeving en hebben daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Mocht worden afgeweken van het bestemmingsplan?
6. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Kijkduin – Ockenburgh’ (het bestemmingsplan). De gronden waarop het bouwplan is voorzien hebben de enkelbestemming ‘Maatschappelijk -1’ en de dubbelbestemming ‘Waterstaat- Waterkering’
6.1.
Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de bouwregels van het bestemmingsplan. Zo zijn de gebouwen inclusief kelders gelegen buiten een bebouwingsvlak, terwijl dit op grond van artikel 11.2.1, onder a, van de planregels niet is toegestaan en wordt de maximale bouwhoogte, die op grond van artikel 11.21, onder d, van de planregels varieert van 6 tot en met 7 meter, overschreden, nu de aangevraagde gebouwen circa 9 en 12 meter hoog zijn. Daarnaast zijn de parkeerplaatsen niet voorzien op gronden met de aanduiding ‘parkeerterrein (p)’, terwijl dit op grond van artikel 11.3, onder a, van de planregels vereist is. Verder passen de bouwwerken niet binnen de ter plaatse geldende bestemming ‘Waterstaat- Waterkering’.
6.2.
Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover deze betrekking heeft op het afwijken van het bestemmingsplan, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
6.3.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen beleidsruimte toe, en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [2]
6.4.
In het licht van het voorgaande zal de rechtbank daarom beoordelen of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank zal dit doen aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Bezonning
7. Eisers betogen dat het bouwplan de bezonning op hun percelen ontoelaatbaar aantast. Volgens eisers heeft het college met het bestreden besluit onvoldoende rekening gehouden met hun belangen, omdat de bouwhoogte van de te bouwen woonzorggebouwen zorgt voor een onaanvaardbare inbreuk op de bezonning van hun woningen terwijl zonlicht juist essentieel is voor deze woningen. Eisers onderbouwen dit betoog door aan te geven dat de woningen aan de Buitenklingen juist zijn gebouwd voor optimaal gebruik van de zon als warmtebron. Volgens eisers heeft de zon voornamelijk in de wintermaanden een bijzondere meerwaarde, omdat de kamers aan de achterzijde met een groot glasoppervlak worden verwarmd door de zon, met een temperatuurstijging van ongeveer twee à drie graden Celsius als gevolg. In dit licht betogen eisers dat niet kan worden volstaan met een verwijzing naar de Haagse bezonningsnorm, omdat deze bijzondere situatie daarin niet is verdisconteerd. Ter ondersteuning van dit betoog hebben eisers een contra-expertise laten opstellen door Kraak & Tack bezonningsingenieurs. Blijkens deze contra-expertise verliezen eisers tot 2 à 3 uur per dag aan bezonning.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat wordt voldaan aan de Haagse bezonningsnorm. Het betoog van eisers ziet erop dat het college, naast de verwijzing naar de Haagse bezonningsnorm, ook de bijzondere situatie met betrekking tot hun woningen had moeten betrekken bij de afweging van alle bij het besluit betrokken belangen.
7.2.
Voor de bezonning van woningen bestaan geen wettelijke normen. Dat neemt niet weg dat in het kader van een omgevingsvergunning een afweging dient plaats te vinden van alle bij het besluit betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dat kader moet worden gekeken naar de gevolgen van het bouwplan voor de bezonning van de woningen. [3] Voor de beoordeling van de gevolgen van het realiseren van een bouwplan voor de bezonning kan het college aansluiten bij de Haagse bezonningsnorm. Dat geldt eveneens voor het toestaan van bouwmogelijkheden in een bestemmingsplan. [4]
7.3.
Dat uit de contra-expertise volgt dat sprake zal zijn van minder zonlicht, staat niet ter discussie. Ontegenzeggelijk zal het bouwplan daarom gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat van eisers en leiden tot een aanmerkelijke verandering van hun bezonning ten opzichte van de bestaande situatie. Dat geldt te meer gezien de oriëntatie van de woningen op het zuidwesten en de aanwezigheid van een relatief groot glasoppervlak in de achtergevel. Eisers hebben echter, ook gezien tegen de achtergrond van die specifieke omstandigheden, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dermate onevenredige aantasting van hun belangen dat het college de afwijking van de planregels ten behoeve van woonzorggebouwen niet kon vergunnen. Aan wat daarover in de verkoopbrochure staat heeft het college geen doorslaggevend belang hoeven hechten, alleen al niet omdat een dergelijke brochure geen gemeentelijk beleid weergeeft. Nu uit het bezonningsonderzoek is gebleken dat de bezonningsduur van de woningen van eisers voldoet aan de Haagse bezonningsnorm, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank een zwaarder gewicht mogen toekennen aan de belangen van vergunninghouder bij de bouw van de woonzorggebouwen dan aan de belangen van eisers. Het betoog van eisers slaagt niet.
Ruimtelijke inpassing
8. Eisers betogen dat het bestreden besluit in strijd is genomen met het opgestelde ‘Planuitwerkingskader Binnenklingen’ en de ‘Ruimtelijke onderbouwing Binnenklingen’. Ten aanzien van het Planuitwerkingskader betogen eisers dat uit de opgestelde randvoorwaarden volgt dat het aandeel onverharde vierkante meters buitenruimte substantieel groter moet zijn dan het aandeel verharde vierkante meters. Daarnaast moet de minimale afstand tussen blok 3 en de watergrens 13 meter zijn volgens de opgestelde randvoorwaarden. Volgens eisers is aan beide randvoorwaarden niet voldaan, waardoor de verleende omgevingsvergunning in strijd is met het Planuitwerkingskader. Eisers betogen dat zij mochten vertrouwen op deze randvoorwaarden en dat door hiervan af te wijken wordt gehandeld in strijd met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing betogen eisers dat de bouw van woonzorggebouwen met drie verdiepingen niet past bij het landschappelijk karakter van de omgeving.
8.1.
De rechtbank stelt voorop dat een Planuitwerkingskader de kaders bevat waaraan een nieuwe ontwikkeling op de locatie moet voldoen om medewerking van de gemeente te krijgen. Dat neemt niet weg dat de volledige afweging over de herontwikkeling van het pand plaatsvindt bij de beoordeling van het bouwplan. Bij die beoordeling moet aan de regels van het bestemmingsplan worden getoetst. [5] Het Planuitwerkingskader is hierbij geen wettelijke regelgeving waaraan getoetst moet worden, zodat het enkele gegeven dat van een dergelijk kader wordt afgeweken op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Bovendien bevat het Planuitwerkingskader geen concrete toezegging waaraan eisers vertrouwen konden ontlenen, zodat afwijking daarvan ook niet zonder meer betekent dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel.
8.2.
De rechtbank overweegt verder dat het college ter zitting heeft toegelicht dat met de herontwikkeling van de Binnenklingen sprake is van een toename aan groen en dat sprake zal zijn van een lager aandeel verharde vierkante meters dan in de huidige situatie. Verder is toegelicht dat de groene inrichting van het terrein tussen de blokken al is betrokken bij de vergunning voor blok 1, en sindsdien niet is gewijzigd. Eisers hebben dit alles niet gemotiveerd betwist. Ten aanzien van het betoog van eisers over de minimale afstand tussen blok 3 en de watergrens, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor werd overwogen, onder 8.1. Voor zover er al sprake is van een kleinere afstand tussen blok 3 en de watergrens dan het Planuitwerkingskader beschrijft, wat het college ter zitting heeft bestreden, is het verschil niet zodanig dat het college bij de beoordeling van het bouwplan reden had moeten zien om de omgevingsvergunning niet te verlenen. Daarbij betrekt de rechtbank mede wat hierna wordt overwogen ten aanzien van privacy en geluid. Ook het betoog van eisers dat de bouw van woonzorggebouwen met drie verdiepingen niet past bij het landschappelijk karakter van de omgeving volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt hiertoe dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de omgeving reeds drielaagse bebouwing aanwezig is, namelijk het al bestaande gebouw van Middin aan de noordkant van het plangebied en het inmiddels onherroepelijk vergunde gebouw in blok 1, aan de westkant, en dat het bouwplan daarbij aansluit. In dit licht wordt ook geen onevenredige afbreuk gedaan aan het landschappelijke karakter. Het betoog van eisers slaagt niet.
Privacy en geluid
9. Eisers betogen dat het bouwplan leidt tot een onevenredige inbreuk op hun privacy. Daarnaast vrezen zij voor geluidsoverlast, omdat de cliënten van vergunninghoudster behoren tot een kwetsbare doelgroep met een verhoogde gevoeligheid voor prikkels. Eisers voeren hiertoe aan dat de balkons en de buitenterrassen van blok 3 aan de buitenkant, richting de Buitenklingen worden geplaatst, waar de tuinen, dakterrassen en woonkamers van de Buitenklingen zich bevinden.
9.1.
Niet uit te sluiten is dat realisatie van het bouwplan zal leiden tot enige aantasting van de privacy van omwonenden. Het bouwplan heeft een aanzienlijke hoogte en aangenomen mag worden dat het gebouw op een aantal plaatsen zicht biedt in omliggende tuinen of woningen. Eisers hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanige aantasting van hun privacy, dat het bouwplan om die reden in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat volgens vaste rechtspraak aan wonen in een bebouwde omgeving inherent is dat er enige inkijk in de woning kan plaatsvinden. [6] Het college heeft in dit verband gewicht mogen toekennen aan de afstand van de achtergevel van de nieuwe bebouwing tot de achtergevel van de bestaande woning aan de Buitenklingen, die ongeveer 33 meter bedraagt. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat het college en vergunninghoudster ter zitting hebben toegelicht dat hiertussen bomen komen te staan, en grotendeels al aanwezig zijn, waardoor het zicht beperkt zal zijn. Gelet op de afstand tussen het bouwplan en de omliggende tuinen en woningen, heeft het college daarom naar het oordeel van de rechtbank mogen aannemen dat geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de privacy van eisers.
9.2.
Ten aanzien van de vrees van eisers voor geluidsoverlast, overweegt de rechtbank verder, in aanvulling op wat hiervoor werd overwogen over de afstand tussen het bouwplan en de woningen van eisers, dat het college en vergunninghoudster ter zitting hebben toegelicht dat de bewoners van de woonzorggebouwen het grootste gedeelte van de dag bij de dagbesteding in een ander gebouw doorbrengen en dat de bewoners enkel onder begeleiding toegang tot de tuin, het balkon en het buitenterras hebben. Dat desondanks zodanige geluidhinder zal ontstaan dat het college om die reden de vergunning had moeten weigeren hebben eisers niet aannemelijk gemaakt. Het betoog van eisers slaagt niet.
Alternatieven
10. Eisers betogen dat dat het aantal woonlagen op blok 3 kan worden omgewisseld met het aantal woonlagen op blok 2. Zo wordt blok 2, voorzien aan de kant van de Duinslag, hoger en is minder sprake van schaduwwerking, waardoor de aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers beperkt blijft.
10.1.
De rechtbank overweegt dat indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan noopt tot het onthouden van medewerking, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [7] Het college heeft over het aangedragen alternatief aangegeven dat de woningen aan de Duinslag lager liggen, waardoor de impact van een gebouw met drie bouwlagen voor die bewoners aanmerkelijk grotere gevolgen zou hebben. Eisers hebben dit niet gemotiveerd betwist. Gelet op deze kanttekening is de rechtbank van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat met het aangedragen alternatief geen gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren kan worden bereikt. Het betoog van eisers slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft de omgevingsvergunning dus mogen verlenen. Het bestreden besluit blijft in stand. Wat eisers voor het overige hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
11.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of Pro 120 van de Woningwet;
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van Pro die wet;
de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

Bestemmingsplan ‘Kijkduin – Ockenburgh’

Artikel 11.2.1 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:
de gebouwen moeten zich bevinden binnen het op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak;
in uitzondering op het gestelde onder a mag, indien er geen bouwvlak op de plankaart staat aangegeven, het op de plankaart opgenomen bebouwingspercentage niet overschreden worden;
in uitzondering op het gestelde in sub a en b, geldt voor de locatie aan de Wijndaelerduin 1 (International School) na toepassing van de Wetgevingszone-wijzigingsgebied 6 een maximum bebouwingspercentage van 34%;
e goot- en bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan op de plankaart staat aangegeven;

Artikel 11.3 Specifieke gebruiksregels

ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein (p)’ is een parkeerterrein toegestaan.
ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is een bedrijfswoning toegestaan.
Artikel 31.2 Bouwregels
Voor het bouwen binnen de bestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ als bedoeld in lid 31.1 gelden de volgende regels:
ten dienste van de in het eerste lid bedoelde bestemming zijn uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan;
ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen zijn in afwijking van het bepaalde in de bouwregels van de samenvallende bestemmingen, geen bouwwerken toegestaan.
Artikel 31.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 31.2, onder b onder de voorwaarde dat:
1) het bouwen van gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde geen afbreuk doet aan het behoud en de bescherming van de waterstaatkundige belangen zoals omschreven in het eerste lid;
2) hieromtrent een watervergunning is verleend, dan wel hiertoe vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de waterbeheerder;
3) de bij de onderliggende bestemming(en) gegeven regels in acht worden genomen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5435, r.o. 6.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1095.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2545.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:639.
6.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1285, r.o. 7.2
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:375.