Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15423

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
NL24.15186
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:20 AwbArt. 85 Vw 2000Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens ondeugdelijke motivering risico familiale vervolging

Eiseres, van Turkse nationaliteit, verzocht asiel vanwege het risico op vervolging door Turkse autoriteiten vanwege haar vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging en de vervolging van haar ouders. De minister wees haar aanvraag af, stellende dat zij geen persoonlijk risico liep en dat het uitreisverbod was opgeheven.

De rechtbank oordeelt dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, met name ten aanzien van het risico op familiale vervolging. De rechtbank stelt vast dat de problemen van haar ouders, waaronder strafrechtelijke vervolging en lopende onderzoeken, onvoldoende in samenhang met haar situatie zijn beoordeeld. Ook is onvoldoende onderzocht of eiseres haar politieke overtuiging bij terugkeer zou uiten en welke risico's daaraan verbonden zijn.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de motivering en beoordeling van het risico op vervolging adequaat moeten worden uitgevoerd. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt een proceskostenvergoeding van € 2.335,-.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.15186
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedag] 1998, van Turkse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. E. Arslan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S. Deniz).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.
1.1.
Eiseres heeft op 8 april 2024 een beroep niet tijdig beslissen ingediend wegens het niet tijdig beslissen op de door haar ingediende asielaanvraag van 2 september 2023.
1.2.
De minister heeft (alsnog) op 27 september 2024 een besluit genomen op de asielaanvraag en deze afgewezen als ongegrond. Eiseres heeft daarom geen belang meer bij haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.
1.3.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb [1] heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiseres is het niet eens met het inhoudelijke besluit op haar asielaanvraag. Het beroep van eiseres heeft daarom mede betrekking op het besluit van 27 september 2024 (hierna: het bestreden besluit).
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde, E. Taskin als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
1.5.
Op 30 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend naar aanleiding van de uitspraken van de Afdeling [2] van 25 maart 2026 [3] en partijen gevraagd om een reactie. Op 9 april 2026 heeft eiseres een reactie ingediend. De minister heeft op 21 april 2026 zijn reactie ingediend. Eiseres heeft hierop op diezelfde dag nog gereageerd.
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek hierna gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres aan de hand van de beroepsgronden die zij heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
4. Eiseres heeft verklaard dat zij Turkije heeft verlaten omdat zij het risico loopt bij terugkeer te worden opgepakt omdat zij Gülenist is. Eiseres heeft op een Gülenschool gezeten, fungeerde als Abla voor leerlingen en nam deel aan verschillende activiteiten gelieerd aan de Gülenbeweging. In Nederland neemt eiseres ook deel aan activiteiten voor de Gülenbeweging. Eiseres is op 21 november 2016 voor één dag in verzekering gesteld omdat zij boeken had die gelieerd waren aan Fetullah Gülen. Ook heeft eiseres verklaard dat haar ouders problemen hebben ondervonden met de Turkse autoriteiten vanwege hun vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging en dat de naam van eiseres wordt genoemd in het strafdossier van haar moeder. Verder heeft een vriend van haar vader, haar naam doorgegeven aan de autoriteiten. Ook heeft eiseres verklaard dat iemand die in eerste instantie een vriend leek eiseres veel vragen stelde, alles te weten kwam en daarna niets meer met eiseres te maken wilde hebben. Eiseres vreest dat hij haar bij terugkeer zal aangeven.
4.1.
Eiseres heeft ter onderbouwing van haar relaas de volgende documenten overgelegd:
Turks paspoort;
Turkse identiteitskaart;
Vertrouwelijke namenlijst;
Krantenartikelen;
Oorkonde [naam 1];
Kopie diploma [naam 2];
Tenlastelegging vader;
Arrest vader;
Tenlastelegging vader van 10 juli 2019 & schrift officier van justitie richting de rechtbank van 29 mei 2019;
Gemotiveerd vonnis moeder;
Arrest hoger beroep moeder;
Schrijven van officier van justitie aan de Hoge Raad;
Screenshots UYAP/E-devlet moeder;
Documenten over vervolging van familieleden van Gülenisten.
Besluitvorming
5. Volgens de minister bestaat het relaas uit de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Betrokkenheid bij de Gülenbeweging.
5.1.
De minister heeft alle asielmotieven geloofwaardig geacht. De problemen van de ouders van eiseres in verband met Gülenisme acht de minister ook geloofwaardig. Echter stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag [4] dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade [5] bij terugkeer naar Turkije. Eiseres valt onder het risicoprofiel (toegedichte) Gülen-aanhangers, maar heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten. Hierbij heeft de minister van belang geacht dat eiseres slechts eenmaal voor één dag is gehoord, namelijk in november 2016, en daarna nimmer opnieuw is benaderd door de autoriteiten. Evenmin is gebleken van een tegen haar lopende strafzaak, signalering of andere strafrechtelijke maatregelen. Daarbij komt dat het aan eiseres opgelegde uitreisverbod in april 2022 is opgeheven en dat zij nadien zonder problemen een paspoort heeft kunnen aanvragen en verkrijgen. Vervolgens verbleef eiseres nog geruime tijd in Turkije voordat zij in oktober 2022 legaal is uitgereisd, waarbij zij geen problemen heeft ondervonden bij de grenscontrole. Ook daarna heeft eiseres gedurende langere tijd vrij in Europa gestudeerd en gereisd voor toeristische doeleinden, voordat zij pas op 2 september 2023 een asielaanvraag indiende.
Bespreking beroepsgronden
6. Eiser heeft naar aanleiding van de Afdelingsuitspraken van 25 maart 2026 de beroepsgronden die zien op de rechtmatigheid van de beleidswijziging van
1 december 2023 en het bestaan van bijzondere omstandigheden laten vallen.
7. De rechtbank komt tot het oordeel dat de besluitvorming op meerdere punten zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken bevat en dat het bestreden besluit daarom voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank zal dat hieronder toelichten.
7.1.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat het risico dat eiseres loopt vanwege familiale vervolging door de Turkse autoriteiten ondeugdelijk is gemotiveerd, en onvoldoende in samenhang met de overige omstandigheden is beoordeeld. De minister acht geloofwaardig dat de ouders van eiseres vanwege het Gülenisme problemen hebben ondervonden. De moeder van eiseres is op 29 februari 2019 in verzekering gesteld. Ze is daarna vrijgelaten met een meldplicht en een uitreisverbod. Eiseres komt met haar naam voor in het strafdossier. Haar moeder is vrijgesproken, maar dit vonnis is door de officier van justitie aangevochten. Het dossier ligt op dit moment bij de Hoge Raad. In de tenlastelegging staat dat eiseres op een Gülenschool heeft gezeten.
De vader van eiseres is in 2016 per decreet 672 uit zijn ambt ontzet en veroordeeld tot drie jaar, één maand en vijftien dagen gevangenisstraf wegens vermeend lidmaatschap van de Gülenbeweging. Op 13 september 2021 is haar vader gearresteerd. Hij heeft in detentie gezeten en is onder justitieel toezicht vrijgekomen. De rechtbank is het met eiseres eens dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat vader sindsdien geen problemen meer heeft ondervonden, nu door eiseres in het nader gehoor is verklaard dat hij zijn straf nog niet volledig heeft uitgezeten en dat er een nieuw onderzoek tegen hem loopt. [6]
7.2.
De Afdeling heeft in één van de uitspraken van 25 maart 2026 [7] overwogen dat alhoewel het algemeen ambtsbericht van 2023 vermeldt dat het ‘met name’ gaat om familieleden van hooggeplaatste Gülenisten die vervolgd worden, niet is uitgesloten dat ook familieleden van andere Gülenisten een dergelijk risico lopen. De Afdeling wijst in dit verband op het rapport van de Finse Immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’ van juni 2024, waar eiseres ook een beroep op heeft gedaan. Daarin staat dat de strafrechtelijke vervolging van familieleden nog steeds willekeurig is, al is die willekeur afgenomen sinds de jaren na de mislukte coupe, en dat de autoriteiten zich met name richten op de partners, kinderen en broers en zussen van Gülenisten. De Afdeling leidt uit de ambtsberichten van 2023 en 2025 af dat het moet gaan om prominente Gülenisten, maar dat het niet persé gaat om personen die aan de top van de Gülenbeweging staan. Verder wijst de Afdeling op het ambtsbericht uit 2022, waaruit volgt dat personen die leidinggevende functies hadden bekleed bij Gülenistische organisaties, zoals onderwijsinstellingen, en in mindere mate studentenleiders, naast Gülenisten binnen het veiligheidsapparaat, een verhoogd risico liepen. [8]
7.3.
De minister heeft zich in reactie op deze uitspraak op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de vader van eiseres een hoge functie heeft gehad en al helemaal niet binnen de Gülenbeweging, nu hij slechts ambtenaar was bij een sociale zekerheidsinstantie en later bij het Ministerie van Algemene zaken. Eiseres heeft bij de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor een vertrouwelijke namenlijst overgelegd. In het nader gehoor is door de tolk vertaald dat de vader van eiseres bij de sociale verzekeringsorganisatie groeps-abi was. [9] Eiseres heeft in haar nadere reactie op de brief van de minister van 21 april 2026 er op gewezen dat bovendien uit de namenlijst achter de naam van haar vader “SGK ESKI IL MUDURU” staat opgenomen en dat dit vertaalt naar provinciaal directeur. Tegen deze achtergrond dient de minister nader te motiveren waarom de vader van eiseres niet als een hooggeplaatste Gülenist kan worden aangemerkt. Overigens merkt de rechtbank op dat bij eiseres op dit punt niet is doorgevraagd.
7.4.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank merkt daarbij op dat het individualiseringsvereiste zich niet enkel beperkt tot wat eiseres persoonlijk heeft ondervonden, maar dat ook relevant kan zijn wat haar familie heeft ondergaan evenals andere individuele factoren. Niet alleen de vader van eiseres, maar ook haar moeder is strafrechtelijk vervolgd en beide ouders staan nog steeds onder de radar van de autoriteiten. Bij een nieuw te nemen besluit dient de minister de problemen die de ouders van eiseres hebben ondervonden, waarvoor de rechtbank verwijst naar overweging 7.1, in onderlinge samenhang te beoordelen met de eigen betrokkenheid van eiseres bij de Gülenbeweging, de problemen die zij als gevolg daarvan heeft ervaren, alsmede met haar activiteiten in Nederland.
7.5.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister in de besluitvorming ten onrechte heeft nagelaten om, overeenkomstig Informatiebericht 2024/10 [10] , te onderzoeken en te beoordelen of eiseres bij terugkeer haar overtuiging wenst te uiten en welke risico’s daaraan verbonden zijn. De minister heeft in het verweerschrift van 10 maart 2026 zich op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiseres blijkt dat zij geen politieke overtuiging heeft gesteld. In dit verband wijst de rechtbank erop dat de minister in één van de zaken bij de Afdeling schriftelijk heeft toegelicht het gedachtegoed van de Gülenbeweging te beschouwen als een politieke overtuiging. [11] Dat de minister zich vervolgens in zijn reactie van 21 april 2016 op het standpunt stelt dat niet valt in te zien waarom eiseres haar activiteiten zoals ze deze in Nederland uitvoert, bij terugkeer niet kan uitvoeren dan wel hoe zij dit anders zou willen uitvoeren, acht de rechtbank geen deugdelijke motivering. Gelet op de op de minister rustende samenwerkingsverplichting had het op zijn weg gelegen om eiseres hierover nader te bevragen en haar voorgenomen activiteiten bij terugkeer te toetsen aan de beschikbare landeninformatie. De minister dient dit in een nieuw te nemen besluit alsnog te doen, waarbij de rechtbank ook wijst op wat hiervoor onder rechtsoverweging 7.4 is overwogen.

Conclusie en gevolgen

8. Concluderend oordeelt de rechtbank dat de minister het bestreden besluit op onvoldoende zorgvuldige wijze heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, en 0,5 punt voor het indienen van een nadere reactie met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967.
5.Artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Verslag nader gehoor, pagina 9.
8.Zie rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2.
9.Verslag nader gehoor, pagina 10 en 11.
10.Werkwijze politieke overtuiging.
11.ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 5.1.