Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15462

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/3502
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 2.16 procesreglement bestuursrecht rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen lasten onder dwangsom voor inrichting landgoed toegewezen

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen vier lasten onder dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop aan verzoekster, eigenaar en beheerder van een landgoed, heeft opgelegd. De lasten betreffen het verwijderen van bomen, stronken en wortels en het aanpassen van kadewegen conform het landschapsplan dat deel uitmaakt van het bestemmingsplan.

Verzoekster betwist de opgelegde lasten en stelt dat het landschapsplan niet vereist dat alle bomen worden verwijderd en dat de huidige kadewegen voldoen aan het beoogde doel en uitstraling. Het college en een belanghebbende menen dat sprake is van overtredingen en dat de lasten terecht zijn opgelegd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang van verzoekster voldoende is vanwege de dreiging van dwangsommen en ingrijpende werkzaamheden. De beoordeling van de rechtmatigheid van de lasten vergt nader onderzoek in de bezwaarprocedure. De belangenafweging leidt tot toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening, waarbij de uitvoering van de vier lasten wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.

Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.C. de Winter en bindt niet in een bodemprocedure.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst vier lasten onder dwangsom tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3502

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., uit [plaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, het college

(gemachtigde: F. Zorn).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], uit [plaats] (belanghebbende).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over vier lasten onder dwangsom die het college aan verzoekster heeft opgelegd. Deze lasten betreffen – kort gezegd – de wijze waarop het landgoed [landgoed] is ingericht. Verzoekster is de eigenaar en beheerder van dit landgoed. Zij is het niet eens met de opgelegde lasten. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekster om vooralsnog geen uitvoering te geven aan de opgelegde lasten zwaarder dan het belang van het college bij handhavend optreden en het belang van belanghebbende bij uitvoering van de lasten op korte termijn. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Belanghebbende heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen diverse overtredingen op landgoed [landgoed] .
2.1.
Op 11 november 2025 heeft een toezichthouder van de gemeente een controlebezoek uitgevoerd op het landgoed.
2.2.
Met het bestreden besluit van 19 februari 2026 heeft het college verzoekster dertien lasten onder dwangsom opgelegd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om ten aanzien van vier lasten een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 mei 2026 op zitting behandeld, gezamenlijk met het verzoek van [naam 1] en anderen (zaak 26/3507). Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] namens verzoekster, bijgestaan door mr. A.M. Grapperhaus en vergezeld door [naam 3] , de gemachtigde van het college en belanghebbende, vergezeld door zijn partner.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Achtergrond
3. Verzoekster is eigenaar en beheerder van landgoed [landgoed] . Op 26 mei 2014 heeft bureau B4o Landschapsarchitectuur, Stedenbouw en Recreatieontwikkeling in samenwerking met de gemeente Nieuwkoop het Landschapsplan Landgoed [landgoed] (het landschapsplan) opgesteld. Het betreft een uitwerking van de visie en het ontwerp van landgoed [landgoed] . In het landschapsplan wordt inzicht gegeven in hoe de nieuwe ruimtelijke opbouw van het gebied eruit kan komen te zien, met daarbij een uitwerking op hoofdlijnen van de terreininrichting en architectuur van de nieuwe bebouwing op het landgoed.
3.1.
Het landschapsplan maakt als bijlage deel uit van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”. Dit bestemmingsplan maakt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Nieuwkoop. De onbebouwde gronden binnen het landgoed hebben in dit bestemmingsplan grotendeels de bestemming “Natuur-Landgoed”. In artikel 4.3.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen dat tot een met deze bestemming strijdig gebruik in elk geval wordt gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het landschapsplan, teneinde te komen tot de realisatie van een landgoed.
3.2.
Belanghebbende is een van de bewoners van landgoed [landgoed] . Volgens hem is bij de inrichting van het landgoed op diverse plaatsen geen of onvoldoende gevolg gegeven aan het landschapsplan. Hij betoogt dat de inrichting van het landgoed daarom niet voldoet aan de eisen die hiervoor gelden en ook niet overeenkomt met wat hem is voorgehouden toen hij zijn kavel op het landgoed kocht. Dit levert volgens hem strijd op met het bestemmingsplan.
Bestreden besluit
4. Met het bestreden besluit heeft het college aan verzoekster – voor zover hier van belang – de volgende lasten onder dwangsom opgelegd:
1. De bomen en struiken inclusief stronken en wortels in de deelgebieden ‘Kruiden- en faunarijk grasland’, ‘Nat schraalland’ en ‘Rietlanden’ vóór 1 mei 2026 verwijderen en verwijderd houden, onder last van een dwangsom van € 2.000,- per week met een maximum van € 20.000,- dat de begunstigingstermijn wordt overschreden;
2. de fruitbomen inclusief stronken en wortels nabij de kavel [kavel] in het landgoed vóór 1 mei 2026 verwijderen en verwijderd houden, onder last van een dwangsom van € 250,- per week met een maximum van € 2.500,- dat de begunstigingstermijn wordt overschreden;
3. de bomen en struiken inclusief stronken en wortels langs de kadewegen, met uitzondering van de knotwilgen, vóór 1 mei 2026 verwijderen en verwijderd houden, onder last van een dwangsom van € 1.500,- per week met een maximum van € 15.000,- dat de begunstigingstermijn wordt overschreden;
(…);
8. vóór 1 mei 2026 alle vier de kadewegen die nu bestaan uit een enkele smalle rijstrook half verharding (zand met een soort split) of enkel gras (dus ook de achterste kadeweg die momenteel slechts bestaat uit een graspad) alsnog conform het landschapsplan aanleggen, door deze uit te voeren met twee smalle rijstroken van elk circa 150 cm breed bestaande uit een ondergrond van gebakken klinkers of half verharding waartussen een strook gras is gesitueerd, zodat het de uitstraling krijgt van een boerenpad, onder last van een dwangsom van € 250,- per week met een maximum van € 2.500,- dat de begunstigingstermijn wordt overschreden.
Omvang van het verzoek
5. Blijkens het verzoekschrift is het verzoek beperkt tot de lasten 1, 2, 3 en 8 uit het bestreden besluit.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
6.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster, als zij niet tijdig voldoet aan de vier bestreden lasten, dwangsommen kan verbeuren van in totaal € 40.000,-. Daarnaast moet verzoekster ter uitvoering van de vier lasten min of meer ingrijpende (grond)werkzaamheden verrichten, die zich naar hun aard niet of slechts bezwaarlijk ongedaan laten maken. Gelet hierop heeft verzoekster een voldoende spoedeisend belang bij haar verzoek.
Goede procesorde
7. Na de behandeling van de zaak ter zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten. Na de zitting heeft verzoekster een nader stuk toegestuurd. In een voorlopige voorzieningprocedure kunnen partijen tot één dag voor de zitting nadere stukken indienen. [1] Het stuk is dus te laat ingediend. Stukken die door een partij ongevraagd na sluiting van het onderzoek worden ingediend, worden in beginsel buiten beschouwing gelaten. Een uitzondering op dit uitgangspunt geldt als een stuk aanleiding geeft tot heropening van het onderzoek. [2] Die situatie doet zich hier niet voor. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het nadere stuk van verzoekster niet zal betrekken bij de beoordeling van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening.
Standpunten van partijen
8. Verzoekster voert met betrekking tot de lasten 1, 2 en 3 aan dat geen sprake is van een overtreding, omdat uit het landschapsplan niet blijkt dat in het geheel geen bomen aanwezig mogen zijn op de locaties waarop deze lasten betrekking hebben.
Weliswaar zijn openheid en behoud van zichtlijnen belangrijke kenmerken van dit gebied, maar die worden volgens verzoekster door de aanwezigheid van deze bomen niet aangetast. Bovendien zijn de bomen waarop de lasten zien al gerooid, met uitzondering van een treurwilg en bomen bij het insectenhotel, omdat deze worden gebruikt als rustplaats voor roofvogels.
Ook de omstandigheid dat de stronken en wortels van de gerooide bomen niet zijn verwijderd, levert volgens verzoekster geen overtreding op. Uit het landschapsplan volgt volgens verzoekster niet dat de stronken en wortels niet aanwezig mogen blijven. De lasten 1, 2 en 3 gaan daarom naar de mening van verzoekster verder dan nodig is om de geconstateerde overtredingen ongedaan te maken.
Ten aanzien van last 8 voert verzoekster aan dat de kadewegen mogelijk niet geheel conform de beschrijving in het landschapsplan zijn aangelegd, maar dat deze wel in overeenstemming zijn met het beoogde doel van deze paden – namelijk niet bestemd voor gemotoriseerd verkeer – en de gewenste landelijke uitstraling hebben.
9. Het college stelt zich – hierin gesteund door belanghebbende – op het standpunt dat de inrichting van het landgoed in strijd is met het landschapsplan en daarmee met het bestemmingsplan. Het landschapsplan is volgens het college voldoende concreet en duidelijk. Uit het landschapsplan volgt volgens het college dat op de locaties waarop lasten 1, 2 en 3 betrekking hebben geen bomen aanwezig mogen zijn. Om te voorkomen dat er weer nieuwe bomen zullen groeien waar deze niet gewenst zijn, dienen ook de stronken en wortels van de gerooide bomen te worden verwijderd. Met betrekking tot de kadewegen is volgens het college in het landschapsplan voldoende duidelijk en concreet beschreven hoe die eruit moeten zien. De huidige uitvoering stemt niet overeen met die beschrijving.
Is sprake van overtredingen?
10. De vraag of de resterende bomen en de aanwezigheid van de stronken en wortels van de gerooide bomen in strijd zijn met het landschapsplan, vergt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nader onderzoek. De voorlopige voorzieningenprocedure leent zich daar niet toe. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat het landschapsplan een zekere globaliteit kent. Dat plan is niet tot in detail uitgewerkt en lijkt met name te strekken tot het beschermen van de openheid van het landschap en het behoud van zichtlijnen, die als de kernwaarden van het gebied worden beschouwd. [3] De vraag in hoeverre de aanwezigheid van de resterende bomen en de stronken en wortels waarop lasten 1, 2 en 3 betrekking hebben met die kernwaarden in strijd is of anderszins op grond van het landschapsplan niet is toegestaan, zal door het college in de bezwaarprocedure moeten worden beantwoord.
10.1.
Met betrekking tot de kadewegen heeft het college naar voorlopig oordeel terecht aangenomen dat sprake is van een overtreding. Het landschapsplan is met betrekking tot de beoogde uitvoering van de kadewegen voldoende concreet. In dit plan is op bladzijde 40 vermeld dat de kadewegen een landelijke uitstraling hebben door het ontwerp van een boerenpad. Hierbij bestaat de weg uit twee smalle rijstroken bestaande uit een ondergrond van gebakken klinkers of half-verharding. De gewenste uitvoering van de paden is in het landschapsplan weergegeven op een foto. Niet in geschil is dat de huidige kadewegen op het landgoed niet in overeenstemming met het landschapsplan zijn aangelegd. Verzoekster heeft evenwel de vraag opgeworpen of handhavend optreden met betrekking tot de kadewegen evenredig is, nu de bestaande paden de met het landschapsplan beoogde landelijke uitstraling hebben en het merendeel van de bewoners van het landgoed kenbaar heeft gemaakt geen bezwaar te hebben tegen de huidige uitvoering van de kadewegen of hieraan zelfs de voorkeur geeft. Ook dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een vraag waarover het college zich in de bezwaarprocedure nader zal moeten buigen aan de hand van de standpunten van partijen. Deze vraag leent zich daarom evenmin voor beantwoording in deze procedure.
10.2.
Gelet hierop zal de voorzieningenrechter geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven over het bestreden besluit, maar het verzoek om een voorlopige voorziening beoordelen aan de hand van een weging van de betrokken belangen.
Belangenafweging
11. Uit de stukken en het besprokene op de zitting is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken van zwaarwegende belangen aan de zijde van het college of belanghebbende die eraan in de weg staan dat de bezwaarprocedure wordt afgewacht alvorens uitvoering wordt gegeven aan de opgelegde lasten 1, 2, 3 en 8. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de situatie waarop de lasten zien al geruime tijd bestaat zonder dat daartegen eerder is opgetreden. Daartegenover staat het belang van verzoekster om vooralsnog geen min of meer ingrijpende (grond)werkzaamheden te hoeven verrichten, die naar hun aard niet of bezwaarlijk omkeerbaar zijn en waarvan aannemelijk is dat deze arbeidsintensief en kostbaar zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient aan dit belang van verzoekster meer gewicht te worden toegekend dan aan de belangen van het college en belanghebbende.

Conclusie en gevolgen

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Het bestreden besluit zal, voor zover het de lasten 1, 2, 3 en 8 betreft, worden geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar. Dat betekent dat verzoekster deze lasten tot die tijd niet hoeft uit te voeren en geen dwangsommen verbeurt. De overige lasten uit het bestreden besluit zijn in deze procedure niet bestreden en blijven daarom van kracht.
12.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden en krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoekster aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- schorst het bestreden besluit, voor zover het lasten 1, 2, 3 en 8 betreft tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, eerste lid, van de Awb.
2.Artikel 2.16, derde lid, van het procesreglement bestuursrecht rechtbanken 1 juli 2025.
3.Zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 6 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8034.