ECLI:NL:RBDHA:2026:15466

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
NL26.17714
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 EVRMArtikel 4 EU HandvestArtikel 17 DublinverordeningArtikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 behandeld en beoordeelt of het besluit zorgvuldig is genomen en of het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden toegepast.

Eiseres stelde dat zij in Spanje wordt bedreigd door haar ex-partner en dat de Spaanse autoriteiten haar onvoldoende bescherming bieden, waardoor overdracht aan Spanje een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro Handvest zou opleveren. Ook voerde zij aan dat de minister ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat zij in Spanje onverschillig wordt gelaten of in een situatie van ernstige materiële deprivatie terechtkomt. De minister heeft bovendien de discretionaire bevoegdheid deugdelijk gemotiveerd niet toegepast. Ook acht de rechtbank de belangen van het in Spanje verblijvende kind van eiseres niet relevant voor de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen in stand blijft. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17714

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. S. Sewnath),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 samen met zaak NL26.17715 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 22 januari 2026 aanvaard.

Beroepsgrond over innerlijk tegenstrijdige besluitvorming

5. Tijdens de zitting heeft de minister aangegeven dat, gelet op de in beroep overgelegde stukken, het primaire standpunt in het bestreden besluit – te weten dat eiseres niet heeft aangetoond dat ze gehuwd is, een dochter heeft en problemen heeft ondervonden door haar (ex-)partner – niet langer wordt gehandhaafd. Gelet hierop heeft eiseres de beroepsgrond dat de besluitvorming innerlijk tegenstrijdig is niet langer gehandhaafd, zodat deze geen bespreking meer behoeft.
Is het besluit zorgvuldig voorbereid?
6. Eiseres betoogt dat de besluitvorming onzorgvuldig is, omdat de minister haar onvoldoende in staat heeft gesteld om tijdens het aanmeldgehoor documenten te overleggen. Dit klemt volgens eiseres temeer omdat de minister zich in de besluitvorming wel op het standpunt heeft gesteld dat hij niet gelooft dat eiseres problemen heeft met haar ex-partner en dat zij een kind heeft dat bij deze ex-partner in Spanje verblijft.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres bij de aanvraag een aantal documenten heeft overgelegd. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres niet in staat was de in beroep overgelegde documenten niet (ook) al bij de aanvraag dan wel bij de zienswijze te overleggen. De rechtbank ziet geen reden voor het oordeel dat eiseres hiertoe door toedoen van de minister niet of onvoldoende in staat zou zijn geweest. Uit het verslag van het aanmeldgehoor blijkt niet dat de betreffende hoorambtenaar stukken van eiseres heeft geweigerd. Uit het verslag van het aanmeldgehoor blijkt juist dat aan eiseres is gevraagd of zij op dat moment documenten wil overleggen. Eiseres heeft hier ontkennend op geantwoord. [2] De rechtbank is daarom van oordeel dat van onzorgvuldige voorbereiding of besluitvorming geen sprake is. De rechtbank wijst er ten overvloede nog op dat, zoals onder 5 is overwogen, de minister het primaire standpunt niet langer handhaaft. De beroepsgrond slaagt niet.
Welke problemen stelt eiseres in Spanje te hebben ondervonden?
7. Eiseres voert aan dat zij – kort gezegd – in Spanje wordt bedreigd door haar ex-partner, en dat de Spaanse autoriteiten haar daartegen niet kunnen beschermen. Zij verklaart daarover dat haar ex-partner haar bedreigt door middel van rechtszaken en dat hij dreigt hun kind van haar af te pakken. Verder verklaart eiseres dat zij is mishandeld door haar ex-partner. Eiseres heeft in Spanje aangifte gedaan van huiselijk geweld en heeft deze aangifte in beroep overgelegd. Eiseres verklaart verder dat haar ex-partner een contactverbod met haar had maar dat hij dit heeft overtreden. Uit de aangifte blijkt volgens eiseres dat de Spaanse autoriteiten hebben geconstateerd dat er een verhoogd risico bestaat op ernstig of zelfs dodelijk geweld. Volgens eiseres heeft de minister ten onrechte onvoldoende rekenschap gegeven van het feit dat zij juist in verband met de mishandeling door en de dreiging van haar ex-partner in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Er is sprake van gender-gerelateerd geweld. Zij kan zich in Spanje niet aan de macht en invloed van haar ex-partner onttrekken. Hij beschikt over geld, macht en connecties. De autoriteiten kunnen niets meer voor haar doen. Ook heeft eiseres aangevoerd dat zij een anti-Poetin profiel heeft en dat zij vreest voor Russische netwerken in Spanje (specifiek in Alicante waar zij woonde). Haar ex-partner heeft namelijk connecties met een organisatie genaamd het Russische Huis en hij is een vriend van de leider van dat Russische Huis.
Wat is in geschil?
8. Eiseres betoogt dat de minister de onder 7 genoemde omstandigheden niet kenbaar heeft betrokken in de besluitvorming. De enkele verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel is onvoldoende. Bij overdracht aan Spanje is sprake van een reëel risico op schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest. Eiseres heeft verder betoogd dat de onder 7 genoemde omstandigheden ook maken dat overdracht getuigt van een onevenredige hardheid. De minister had daarom toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of overdracht aan Spanje leidt tot een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM (en het naar inhoud gelijke artikel 4 van Pro het EU Handvest) en dus of de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank zal daarna het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening beoordelen.
Is overdracht in strijd met het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
9. Eiseres betoogt dat de minister, ook als ten aanzien van Spanje in het algemeen mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, nog moet onderzoeken of overdracht in haar individuele geval toch kan leiden tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. De minister heeft volgens eiseres niet kenbaar beoordeeld wat de gevolgen van overdracht voor haar zijn in het licht van haar ervaringen met huiselijk geweld, de invloed van haar ex-partner, de procedures inzake haar kind en haar stelling dat zij zich in Spanje niet zelfstandig en veilig kan staande houden. De minister heeft volgens eiseres evenmin voldoende inzichtelijk beoordeeld of zij in Spanje daadwerkelijk toegang zal hebben tot bescherming van de autoriteiten. Tijdens de zitting heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat de actor van het 3 EVRM-risico niet de Spaanse autoriteiten zijn, maar haar ex-partner en zijn connecties. Zij is van mening dat de Spaanse autoriteiten haar niet afdoende kunnen of willen beschermen tegen haar ex-partner en dat daaruit moet worden geconcludeerd dat sprake is van onverschilligheid van de Spaanse autoriteiten waardoor zij terecht zal komen in een verregaande staat van materiële deprivatie.
9.1.
De rechtbank overweegt dat eiseres terecht aanvoert dat de beoordeling of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel (artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening) kan worden uitgegaan ruimer is dan alleen een toets of sprake is van tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Overdracht aan een andere lidstaat is namelijk uitgesloten telkens wanneer er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de vreemdeling het reële risico op onmenselijke of vernederende behandeling, in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest zal lopen bij zijn overdracht of als gevolg daarvan. [3] Dat neemt echter niet weg dat als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid moeten bereiken om tot een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest te leiden. [4] Deze bijzonder hoge drempel is bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt te voorzien in zijn meest elementaire behoeftes. Een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de betrokken persoon is onvoldoende. [5]
9.2.
De rechtbank oordeelt dat de beroepsgrond niet slaagt. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat overdracht niet leidt tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Spaanse autoriteiten onverschillig zijn en haar niet zouden kunnen of willen helpen met betrekking tot de gestelde problemen met haar ex-partner. Integendeel, de rechtbank stelt vast dat eiseres een reguliere verblijfsvergunning heeft gekregen, naar haar zeggen vanwege het huiselijk geweld. Ook is er een contactverbod opgelegd aan de ex-partner en heeft zij in de rechterlijke procedures een pro-deo advocaat toegewezen gekregen. Verder blijkt uit de door eiseres overgelegde aangifte dat er door de Spaanse autoriteiten ten aanzien van de dreiging van haar ex-partner een risicobeoordeling is gemaakt. Naast het gegeven dat uit het voorgaande blijkt dat de situatie van eiseres de Spaanse autoriteiten niet onverschillig laat, is verder van belang dat eiseres niet heeft onderbouwd noch aannemelijk heeft gemaakt dat zij na overdracht aan Spanje terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die haar niet in staat stelt te voorzien in haar meest elementaire levensbehoeften.
9.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, in het licht van het voorgaande, zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de Spaanse autoriteiten niet bereid zijn of niet kunnen helpen indien nodig. Deze motivering is, hoewel summier, wel voldoende dragend. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het handelen van haar ex-partner forse impact heeft op het (privé)leven van eiseres, leidt dat als zodanig niet tot een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM na overdracht. Zoals onder 9.1 namelijk al is aangehaald, volgt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie dat het gegeven dat een vreemdeling na overdracht terechtkomt in een moeilijke situatie met veel onzekerheid, onvoldoende is voor het aannemen van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. Dat de stalking door haar ex-partner en de procedures inzake hun kind zijn doorgegaan na eerder ingrijpen door de Spaanse autoriteiten, maakt niet dat niet van eiseres kan worden verwacht dat zij zich opnieuw wendt tot de Spaanse autoriteiten als zij bescherming wenst. Als eiseres meent dat de Spaanse autoriteiten haar onvoldoende kunnen of willen helpen of beschermen dan is het aan haar om daarvan melding te doen bij de (hogere) autoriteiten in Spanje of de daartoe geëigende instanties. Tot slot is van belang dat Spanje, door acceptatie van het terugnameverzoek, heeft toegezegd eiseres te zullen behandelen in overeenstemming met de op Spanje rustende internationale verplichtingen.
Had de minister gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
10. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd heeft geweigerd gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiseres stelt dat overdracht aan Spanje van onevenredige hardheid getuigt. Het gaat daarbij om een samenstel van individuele omstandigheden: eerder ondervonden mishandeling, de machtspositie van de ex-partner, de afhankelijkheidsrelatie, de door haar gestelde onmogelijkheid om zich aan hem te onttrekken en de gevolgen daarvan voor haar veiligheid en bestaansmogelijkheden. De minister heeft die samenhangende omstandigheden ten onrechte niet als bijzonder en individueel aangemerkt, maar afzonderlijk en in abstracte zin afgedaan. Daarmee is volgens eiseres geen kenbare en evenwichtige belangenafweging gemaakt.
10.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid. De door eiseres genoemde omstandigheden zijn niet dermate bijzonder dat een overdracht aan Spanje van onevenredige hardheid getuigt. Daarbij is van belang dat de omstandigheden waar eiseres zich op beroept dezelfde omstandigheden zijn die zij heeft aangevoerd in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel (zie onder 8). Het is vaste rechtspraak dat als de minister omstandigheden die een vreemdeling in het kader van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening aanvoert al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. [6] Verder heeft de minister in redelijkheid van belang kunnen achten dat niet is gebleken dat de Spaanse autoriteiten eiseres niet kunnen of willen helpen in geval van voorkomende problemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de belangen van het kind van eiseres?
11. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende acht heeft geslagen op de belangen van haar minderjarige dochter, die zij in Spanje heeft moeten achterlaten. Eiseres wijst op artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IRVK) en op artikel 24 van Pro het EU Handvest.
11.1.
De rechtbank oordeelt dat de beroepsgrond niet slaagt. Daartoe is van belang dat het kind van eiseres in Spanje woont en geen onderdeel is van onderhavige procedure. Eiseres heeft onvoldoende toegelicht hoe de belangen van haar in Spanje woonachtige kind relevant zijn voor de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor haar asielaanvraag. Weliswaar heeft eiseres tijdens de zitting toegelicht dat als haar asielaanvraag in Nederland wordt behandeld en zij een verblijfsvergunning krijgt, zij mogelijk haar kind via het VN-Kinderrechtenverdrag naar Nederland kan halen, maar dit is naar het oordeel van de rechtbank een te verwijderd verband en bovendien afhankelijk van allerlei onzekere toekomstige gebeurtenissen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres graag met haar kind in Nederland wil zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat de minister in strijd handelt met het IVRK en het EU Handvest alleen al omdat de situatie (zoals ouderlijk gezag etc.) en belangen van het kind onbekend zijn. Ook hier geldt, zoals de minister tijdens de zitting terecht heeft aangevoerd, dat als eiseres meent dat de belangen van haar kind onvoldoende geborgd zijn of als zij door haar ex-partner ten onrechte van haar kind wordt afgehouden, zij zich daarvoor moet wenden tot de Spaanse autoriteiten.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de het niet in behandeling nemen van eiseres haar aanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Verslag gehoor aanmeldfase, p. 4.
3.HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), par. 87.
4.EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 (M.S.S. tegen België en Griekenland), par. 263 en HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), par. 91-93.
5.HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), par. 93.
6.Zie bijvoorbeeld ABRvS 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2014:3164, 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717 en 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1667.