ECLI:NL:RVS:2026:1667
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel
De minister van Asiel en Migratie nam op 27 mei 2025 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 september 2025 het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de minister terecht had gemotiveerd waarom hij geen aanleiding zag om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening, mede gelet op eerdere jurisprudentie. De minister had de eerdere ervaringen van betrokkene in Kroatië betrokken bij zijn beoordeling en verwees terecht naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Verder was het oordeel van de minister dat de psychische klachten van betrokkene onvoldoende waren onderbouwd met medische stukken en dat Kroatië vergelijkbare medische voorzieningen biedt, juist. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.