ECLI:NL:RVS:2026:1667

Raad van State

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
BRS.25.001250
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel

De minister van Asiel en Migratie nam op 27 mei 2025 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 september 2025 het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de minister terecht had gemotiveerd waarom hij geen aanleiding zag om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening, mede gelet op eerdere jurisprudentie. De minister had de eerdere ervaringen van betrokkene in Kroatië betrokken bij zijn beoordeling en verwees terecht naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Verder was het oordeel van de minister dat de psychische klachten van betrokkene onvoldoende waren onderbouwd met medische stukken en dat Kroatië vergelijkbare medische voorzieningen biedt, juist. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.

Uitspraak

BRS.25.001250
Datum uitspraak: 26 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 september 2025 in zaak nr. NL25.23934 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 2 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. K. Ross, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.        De minister klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Als een vreemdeling zich beroept op eerdere ervaringen met de asielprocedure in een lidstaat, de behandeling die hij daar heeft ondergaan of het gebrek aan toegang tot zorg, en de minister die omstandigheden al heeft betrokken bij de beoordeling of de betrokken lidstaat zijn internationale verplichtingen al dan niet nakomt (het eerste bolletje uit paragraaf C2/5 van de Vc 2000), hoeft de minister die omstandigheden redelijkerwijs niet van betekenis te achten bij de beoordeling of zich bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld onder het tweede bolletje van het beleid voordoen. Dit volgt uit de uitspraak van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, onder 4, en de uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, onder 7. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, mag de minister bij de motivering waarom eerdere ervaringen in de andere lidstaat niet maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt, verwijzen naar zijn standpunt over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 14 augustus 2014 en van 25 februari 2025, onder 7.3, en 16 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1431, onder 4.4. De minister heeft in het besluit van 27 mei 2025 de verklaring van betrokkene over zijn eerdere ervaringen in Kroatië betrokken bij de beoordeling of voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
1.1.        Verder heeft de minister terecht aangevoerd dat hij in de overige aangevoerde omstandigheden redelijkerwijs geen aanleiding heeft hoeven zien om de aanvraag van betrokkene met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. De minister wijst er in het besluit van 27 mei 2025 terecht op dat betrokkene de gestelde psychische klachten niet met medische stukken heeft onderbouwd. Ook heeft de minister bij zijn besluit mogen betrekken dat Kroatië dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland en dat daarom verwacht mag worden dat betrokkene in Kroatië eventueel medische behandeling kan krijgen. Betrokkene heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die niet of onvoldoende bij deze beoordeling zijn betrokken.
1.2.        De grief slaagt.
2.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 september 2025 in zaak nr. NL.25.23934;
III.        verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026
872-1161