Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15471

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
26_312
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningenArt. 5 Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningenArt. 2.1 Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningenArt. 44 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid en redelijkheid verdeelbesluit opvangplaatsen asielzoekers gemeente Den Haag

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft beroep ingesteld tegen het Verdeelbesluit Zuid-Holland van de minister van Asiel en Migratie, waarin is bepaald hoeveel opvangplaatsen voor asielzoekers de gemeente moet realiseren. Het college betwist de bevoegdheid van de minister en voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met specifieke omstandigheden in Den Haag, met name de extra lasten van opvangplaatsen voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv-ers).

De rechtbank oordeelt dat het verdeelbesluit en de beslissing op bezwaar bevoegd zijn genomen door de minister van Asiel en Migratie, ook in de demissionaire periode. De minister heeft een ruime beoordelingsruimte bij het vaststellen van de verdeling, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de sociaaleconomische status van gemeenten, eerdere opvangbijdragen en bijzondere opvangmodaliteiten.

De rechtbank vindt het niet onredelijk dat het beleid geen ruimte laat voor het meewegen van alle specifieke gemeentelijke omstandigheden vooraf, omdat dit niet werkbaar zou zijn. Specifieke problemen kunnen worden meegenomen bij het interbestuurlijk toezicht. Het college heeft onvoldoende bijzondere omstandigheden aangetoond die afwijking van het beleid rechtvaardigen.

De rechtbank concludeert dat het aantal opvangplaatsen voor Den Haag, inclusief een relatief hoger aantal amv-plaatsen, in overeenstemming is met de wet en het beleid. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het aantal opvangplaatsen blijft ongewijzigd.

Uitkomst: Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tegen het verdeelbesluit is ongegrond verklaard en het aantal opvangplaatsen blijft ongewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/312

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, eiser

(gemachtigden: mr. G.N. van Vuure en mr. R. Yildiz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigden: mr. I.M. van der Heijden en mr. B.S. Jaasma).
Partijen zullen hierna respectievelijk het college en de minister worden genoemd.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van het college tegen het Verdeelbesluit Zuid-Holland van de minister op grond van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (de Spreidingswet).
1.1.
De minister heeft met het besluit van 20 december 2024 bepaald hoeveel opvangplaatsen voor asielzoekers de gemeenten in de provincie Zuid-Holland moeten realiseren. Met het bestreden besluit van 8 december 2025 heeft de minister beslist op de bezwaren van een aantal gemeenten, waaronder de gemeente Den Haag.
1.2.
Bij uitspraak van 3 april 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. [1]
1.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college, [naam 1] en [naam 2], en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. In het Verdeelbesluit Zuid-Holland heeft de minister voor alle aangewezen gemeenten in de provincie, waaronder de gemeente Den Haag, bepaald hoeveel opvangplaatsen voor asielzoekers er gerealiseerd moeten worden. Het college is het niet eens met het aantal opvangplaatsen dat de gemeente Den Haag moet realiseren. Ook vindt het college dat de minister niet bevoegd was om het Verdeelbesluit Zuid-Holland en de beslissing op de bezwaren te nemen.
Wat zijn de regels?
3. De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Hoe worden de opvangplaatsen over de gemeenten verdeeld?
4. De minister heeft toegelicht dat op grond van de Spreidingswet wordt vastgesteld hoe de verdeling van het benodigde aantal opvangplaatsen over alle provincies wordt bepaald (provinciale opvangopgave) en hoe een indicatieve verdeling naar het benodigde aantal opvangplaatsen per gemeente wordt bepaald (indicatieve verdeling). De provinciale opvangopgave is de optelsom van de indicatieve verdelingen per gemeente in die provincie. Voor de indicatieve verdeling naar het benodigde aantal opvangplaatsen per gemeente vormt het inwonersaantal van gemeenten en de sociaaleconomische status (neergelegd in de "SES-WOA-score" per gemeente) een uitgangspunt. Ook de duur van de eerder geboden opvang, de omvang van de eerder geboden opvang en de aanwezigheid van speciale opvangmodaliteiten binnen de gemeente worden hierbij betrokken.
5. De colleges van burgemeester en wethouders van gemeenten, gedeputeerde staten en het COA treden met elkaar in overleg over de verdeling van de provinciale opvangopgave. De commissaris van de Koning brengt hiervan aan de minister een verslag uit (het provinciaal verslag). Als het deze partijen niet lukt om de provinciale opvangopgave onderling te verdelen, dan zal de minister de provinciale opvangopgave verdelen op basis van een berekening.
6. De minister legt de verdeling vast in een verdeelbesluit. De minister neemt de verdeling die is opgenomen in het provinciale verslag als uitgangspunt voor het verdeelbesluit. Dit aantal wordt aangevuld met opvangplaatsen die in het provinciale verslag als kansrijk worden aangemerkt. Dit zijn vaak plannen die al in een vergevorderd stadium zijn, maar nog niet zijn gerealiseerd. De minister doet dat, mede ter bevordering van de haalbaarheid en uitvoerbaarheid, aangezien daarmee wordt voorkomen dat gemeenten die al
kansrijke plannen hebben geen wettelijke taak krijgen. De minister berekent vervolgens hoeveel opvangplaatsen er nog extra moeten komen om aan de provinciale opvangopgave te voldoen (restopgave). Deze restopgave wordt vervolgens verdeeld. In dat kader worden allereerst gemeenten uitgesloten die voor verdeling van de restopgave al boven hun eigen indicatieve verdeling zitten. De restopgave wordt dus alleen verdeeld onder gemeenten die op grond van het provinciaal verslag nog onder hun eigen indicatieve verdeling blijven. Daarnaast worden gemeenten uitgesloten die in de afgelopen tien jaar gemiddeld een grotere bijdrage hebben geleverd aan de opvangopgave dan van de gemeente op basis van de indicatieve verdeling mocht worden verwacht. Hierbij speelt de duur (maanden, jaren) en omvang (aantal opvangplaatsen) van de eerder geboden asielopvang een rol. Wanneer de gemiddelde historische bijdrage van een gemeente hoger was dan de indicatieve verdeling, is de gemeente niet meegenomen bij de verdeling van de restopgave. Ditzelfde is gedaan voor gemeenten die een uitzonderlijke bijdrage hebben geleverd aan de opvang van Oekraïners.
Wat heeft de minister beslist voor de provincie Zuid-Holland en de gemeente Den Haag?
7. Voor de provincie Zuid-Holland geldt dat in het provinciaal verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen. De minister heeft daarom een verdeling gemaakt van de restopgave van 1.601 reguliere opvangplaatsen en 744 opvangplaatsen voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv-ers). De minister heeft de gemeenten uitgesloten die meer opvangplaatsen realiseerden dan op basis van de indicatieve verdeling van hen verwacht mocht worden en die een uitzonderlijke historische bijdrage in het kader van de opvang van ontheemden uit Oekraïne hebben geleverd. Om het totaal van de overgebleven 11.575 opvangplaatsen te realiseren, moesten de overgebleven gemeenten 91% van hun indicatieve verdeling realiseren. Gemeenten die op basis van het provinciale verslag al ten minste 91% van hun indicatieve verdeling realiseerden, hebben geen deel van de restopgave gekregen, omdat zij al voldoende hebben gedaan om hun deel van de provinciale opvangopgave te realiseren. Zij hebben in het verdeelbesluit het aantal opvangplaatsen toegewezen gekregen zoals zij op basis van het provinciaal verslag al realiseren. Er bleven vervolgens 7.567 opvangplaatsen over, die moesten worden verdeeld over de gemeenten Albrandswaard, Alphen aan de Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Capelle aan den IJssel, Delft, Gorinchem, Krimpenerwaard, Lansingerland, Leidschendam Voorburg, Maassluis, Molenlanden, Nissewaard, Papendrecht, Schiedam, Den Haag, Voorne aan Zee en Westland. Om tot een sluitende verdeling te komen, moesten deze gemeenten in totaal ongeveer 90% van hun indicatieve verdeling realiseren. Het ging om 6.228 reguliere opvangplaatsen en 1.339 amv-opvangplaatsen. Dat betekent dat de gemeenten ongeveer 85% van hun indicatieve verdeling regulier en ongeveer 150% van hun indicatieve verdeling amv moeten realiseren.
8. Op basis van de indicatieve verdeling van 31 januari 2024 zou de gemeente Den Haag 2.513 opvangplaatsen (2.300 regulier en 213 amv) moeten realiseren. Uit het provinciaal verslag volgt dat de gemeente Den Haag 1.925 opvangplaatsen zou realiseren (1.805 regulier en 120 amv). Dat is ongeveer 77% van de indicatieve verdeling voor Den Haag. De minister heeft in het verdeelbesluit bepaald dat Den Haag 2.189 opvangplaatsen moet realiseren (1.841 regulier en 348 amv).
9. Een aantal gemeenten, waaronder de gemeente Den Haag, heeft bezwaar gemaakt tegen het verdeelbesluit. De minister heeft met het bestreden besluit de bezwaren van een aantal gemeenten gegrond verklaard, waardoor een nieuwe restopgave ontstond en een deel van de opvangplaatsen moest worden herverdeeld. De nieuwe restopgave is op dezelfde wijze als in het verdeelbesluit verdeeld. De bezwaren van het college en een aantal andere gemeenten zijn ongegrond verklaard. Voor de gemeente Den Haag is in het bestreden besluit bepaald dat, op grond van de herverdeling, in totaal 2.260 (1.940 reguliere en 320 amv) opvangplaatsen gerealiseerd moeten worden.
Wat vindt het college in beroep?
10. Het college heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het verdeelbesluit onbevoegd is genomen. Het besluit had genomen moeten worden door de minister van Justitie en Veiligheid. In het Besluit instelling Ministerie van Asiel en Migratie [2] , een instellingsbesluit dat bij koninklijk besluit is genomen, is weliswaar een onderlinge taakverdeling dan wel taakovername vastgelegd, maar de bevoegdheid tot overdragen van deze taak is niet in de Spreidingswet gelegen en het instellingsbesluit is een besluit van lagere orde. Ook is het niet duidelijk of [naam 3] op het moment van het nemen van het besluit op bezwaar, toen het kabinet demissionair was, de bevoegdheid had om het verdeelbesluit te nemen.
11. Het college voert daarnaast aan dat de minister zich ten onrechte geen rekenschap heeft gegeven van het feit dat opvangplaatsen van bijzondere aard, zoals amv-opvangplaatsen, extra inspanningen en lasten met zich brengen. Ook indien het college de opvangplaatsen zou kunnen realiseren, kan het niet de daarbij vereiste voorzieningen aanbieden aan de amv-ers. In de toelichting op de Beleidsregel valt te lezen dat rekening gehouden wordt met de realiseerbaarheid van verplichtingen die door de Opvangrichtlijn, de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers en de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 aan asielopvang worden gesteld. Het college wijst op een aantal verplichtingen die hieruit voortvloeien, zoals het bieden van toegang tot onderwijs en de eis dat een opvangvoorziening voor amv-ers recreatieve en educatieve activiteiten moet omvatten. Nergens blijkt uit dat de minister rekening heeft gehouden met die verplichtingen bij het nemen van het verdeelbesluit. Het enkele standpunt dat daarvoor onvoldoende tijd beschikbaar is en/of dat de Spreidingswet daar geen ruimte voor biedt, kan de minister niet ontslaan van de verplichting om zich te houden aan de beleidsregel.
12. Een verlaging van het aantal amv-opvangplaatsen voor Den Haag biedt verder geen verlichting als het aantal amv-plaatsen voor Leidschendam-Voorburg wordt verhoogd. De druk op de Haagse voorzieningen (de modaliteiten) vanwege de regio-functie van de gemeente Den Haag, blijft ongewijzigd en dit wordt niet meegewogen. Het meewegen van deze omstandigheden is noodzakelijk om tot een evenwichtige verdeling te komen van de restopgave.
13. Verder heeft de minister in het bestreden besluit de toelichting op de Beleidsregel verdeelbesluiten in het kader van de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het verdeelbesluit maar gedeeltelijk aangehaald, waardoor deze uit zijn context wordt gehaald. Gelet hierop bestrijdt het college de stelling van de minister dat het niet bij de systematiek van de wet past om specifieke feiten en omstandigheden op gemeenteniveau mee te nemen bij het nemen van de verdeelbesluiten. Dat de termijnen die de wet stelt mogelijk (te) kort zijn om alle feiten en omstandigheden op gemeenteniveau mee te wegen, maakt niet dat de (capaciteits)problemen waarvoor de minister zich gesteld ziet, rauwelijks afgewenteld mogen worden op de betreffende gemeenten door een gebrekkig besluit te nemen. Dit handelen is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Zijn het verdeelbesluit en de beslissing op bezwaar bevoegd genomen?
14. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is ondertekend door [naam 3], zonder vermelding van haar hoedanigheid. Zij heeft na de val van het [kabinet] ook taken behorende bij de positie van minister van Asiel en Migratie op zich genomen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het bestreden besluit is genomen in het kader van die hoedanigheid.
15. In artikel 2 van Pro het Besluit instelling Ministerie van Asiel en Migratie staat dat de minister van Asiel en Migratie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van asiel en migratie voor zover deze voor 2 juli 2024 waren opgedragen aan de minister van Justitie en Veiligheid. De Spreidingswet is een aangelegenheid op het terrein van asiel en migratie. Dat het instellingsbesluit een besluit van lagere orde is dan de Spreidingswet maakt niet dat er sprake is van strijd met enige staatsrechtelijke regel. Artikel 44 van Pro de Grondwet bepaalt dat bij koninklijk besluit ministers kunnen worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie. Deze bepaling ziet op de interne verdeling van taken tussen bewindslieden en biedt de grondslag om te bepalen wie van hen voor de vervulling van welke taken verantwoordelijk is. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [3] heeft overwogen, zou de grondwettelijke bevoegdheid van de Kroon om ministeries in te stellen en taken tussen ministeries te verdelen en her te verdelen zinledig zijn, als deze niet ook betrekking heeft op het overbrengen zonder tussenkomst van de formele wetgever van bevoegdheden van een ministerie naar een ander of nieuw ingesteld ministerie. Uit deze uitspraak volgt ook dat het gevestigde staatsrechtelijke praktijk is dat een bevestiging bij wet niet nodig is voor een rechtmatige bevoegdheidsuitoefening door een bij koninklijk besluit daartoe aangewezen bewindspersoon.
16. Verder valt niet in te zien waarom minister [naam 3], die de onderwerpen COA en opvangbeleid heeft overgenomen, als demissionair minister niet bevoegd zou zijn geweest om besluiten op grond van de Spreidingswet te nemen.
17. De rechtbank is daarom van oordeel dat het verdeelbesluit en het bestreden besluit bevoegd zijn genomen.
Wat staat er in het beleid en is het beleid redelijk?
18. De minister heeft een aanzienlijke beoordelingsruimte bij het nemen van het verdeelbesluit. In de Beleidsregels is neergelegd dat de minister, wanneer in het verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen, zich bij het nemen van het verdeelbesluit laat leiden door:
a. het streven naar een zo evenwichtig mogelijke verdeling over het grondgebied van Nederland, waarbij hij zoveel mogelijk rekening houdt met de SES-WOA-score op gemeenteniveau;
b. de duur en omvang van eerder geboden asielopvang en de aanwezigheid van bijzondere opvangmodaliteiten binnen de gemeenten;
c. de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het verdeelbesluit.
19. Het beleid laat echter geen ruimte voor het meewegen van al de door het college genoemde specifieke omstandigheden per gemeente. Anders dan het college stelt, zien de in het beleid genoemde haalbaarheid en uitvoerbaarheid niet op de vraag of de gemeenten het aantal toegewezen opvangplaatsen kunnen realiseren. De minister stelt terecht dat de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het verdeelbesluit zien op de gevolgen hiervan voor de uitvoeringsorganisaties in de migratieketen en voor het asiel-, vertrek- en opvangproces. Beoogd is dat de minister bij de vaststelling van het verdeelbesluit in aanmerking kan nemen of de bij de uitvoering betrokken partijen nog problemen zien bij de vastgestelde verdeling.
20. De rechtbank vindt het niet onredelijk dat het beleid naast de genoemde omstandigheden geen ruimte laat voor het meewegen van andere aspecten die in de verschillende gemeenten aan de orde zijn. Het systeem is zo ingericht dat de gemeenten in de eerste plaats onderling zelf tot een verdeling kunnen komen. De minister stelt dat hij zich vervolgens zal inspannen om de op gemeentelijk niveau gemaakte keuzes te faciliteren. Als er toch opvangplaatsen moeten worden verdeeld, worden, zoals hiervoor is weergegeven, de nog niet gerealiseerde opvangplaatsen die in het provinciale verslag als kansrijk worden aangemerkt meegenomen in de berekening. Daarnaast houdt de minister rekening met de SES-WOA-score van een gemeente, dus zowel het inwonersaantal als de sociaaleconomische status van de gemeente, en wordt gekeken naar wat een gemeente eerder aan opvang heeft geboden en welke bijzondere opvangmodaliteiten een gemeente heeft. Hiermee kan naar het oordeel van de rechtbank tot een evenwichtige verdeling worden gekomen.
21. Bij een wet zoals hier aan de orde, die een wettelijke taakstelling geeft aan de gemeenten, past het niet om van tevoren ook nog rekening te houden met alle mogelijke factoren die in een gemeente van invloed zijn op de mogelijkheid om die taakstelling uit te voeren. Dit zou ook niet werkbaar zijn. In elke gemeente gelden immers weer andere omstandigheden. Zo heeft een gemeente als Den Haag bijvoorbeeld te maken met een grote bevolkingsdichtheid en grootstedelijke problematiek, waardoor het lastig kan zijn om geschikte huisvesting voor amv-ers te realiseren, maar, zo heeft de minister gesteld, is er in krimpgebieden een gebrek aan voorzieningen en internationaal onderwijs en in landelijke gebieden een probleem met leerlingenvervoer en bereikbaarheid. Zoals de minister heeft gesteld zou het onmogelijk zijn om de genoemde individuele omstandigheden van alle betrokken gemeenten te inventariseren en objectief te wegen, in samenhang met de omstandigheden bij andere gemeenten in dezelfde provincie, om vervolgens deugdelijk te motiveren waarom de ene gemeentelijke uitdaging zwaarder weegt dan de andere gemeentelijke uitdaging. Daar komt bij dat de verschillende omstandigheden ook nog eens aan verandering onderhevig zijn. Dat maakt dat er bij het vaststellen van de verdeling slechts beperkt kan worden ingegaan op wat er in een specifieke gemeente aan de orde is. Zoals de minister heeft gesteld kan met alle voor een gemeente specifieke omstandigheden wel rekening worden gehouden bij het interbestuurlijk toezicht, mocht in de toekomst blijken dat een gemeente moeite heeft om de opdracht uit te voeren.
Mocht de minister in redelijkheid het aantal opvangplaatsen voor Den Haag vaststellen zoals hij heeft gedaan?
22. Niet in geschil is dat het aantal opvangplaatsen dat Den Haag moet realiseren is berekend in overeenstemming met de Spreidingswet, het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen en het beleid. Deze berekening heeft ertoe geleid dat de gemeente Den Haag minder opvangplaatsen moet realiseren dan dat de gemeente op grond van de indicatieve verdeling zou moeten realiseren, namelijk ongeveer 90%. Wel moet de gemeente Den Haag naar verhouding meer amv-plaatsen realiseren (107 meer ten opzichte van de indicatieve verdeling). Volgens het college is dit problematisch, omdat voor de amv-ers ook onderwijsvoorzieningen beschikbaar moeten zijn. Het college heeft op de zitting nog toegelicht dat Den Haag de meest dichtbevolkte en dichtbebouwde stad in Nederland is, dat de gemeente geen toegang heeft tot veel van het vastgoed en dat het daardoor lastig is om voldoende amv-locaties te vinden, die kleinschalig moeten zijn.
23. Dat de gemeente Den Haag relatief veel amv-opvangplaatsen moet realiseren is een gevolg van het feit dat de gemeente in het overleg met de andere gemeenten van de provincie onvoldoende opvangplaatsen heeft voorgesteld om aan haar indicatieve verdeling te voldoen en met de andere gemeenten geen afspraken heeft gemaakt om ervoor te zorgen dat aan de gezamenlijke indicatieve verdeling zou worden voldaan. Er was een relatief grote restopgave amv-opvangplaatsen waardoor de gemeenten waarover de restopgave is verdeeld meer amv-opvangplaatsen moeten realiseren dan in de oorspronkelijke indicatieve verdeling werd voorzien. De minister stelt terecht dat de Spreidingswet geen zwaarder gewicht toekent aan deze opvangplaatsen en dat hij dat op grond van de Spreidingswet ook niet verplicht is om dat te doen. De gemeente Den Haag krijgt daarnaast ook meer geld voor amv-opvangplaatsen.
24. Het college heeft niet aangetoond dat er sprake is van zulke bijzondere omstandigheden dat de minister, in afwijking van zijn beleid, toch had moeten meewegen welke specifieke problemen Den Haag ondervindt met het realiseren van de amv-opvangplaatsen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er tegenover het relatief hoge aantal amv-plaatsen veel minder reguliere opvangplaatsen en minder opvangplaatsen in totaal staan. Ter zitting is in dit verband naar voren gekomen dat ongeveer 12,5% van de reguliere opvangplaatsen een kind betreft dat – net als de amv-ers – naar het voortgezet onderwijs gaat, zodat het grotere aantal amv-opvangplaatsen weliswaar een grotere druk legt op de onderwijsvoorzieningen, maar dat dit verschil niet zo groot is als gesteld door het college omdat ook met een toename van het aantal reguliere opvangplaatsen de druk op die voorzieningen toeneemt. Verder is, zoals de minister heeft gesteld, Den Haag niet de enige stad met grootstedelijke problematiek en een regiofunctie. Voor zover het college van tevoren niet volledig heeft overzien welke gevolgen de uitkomst van het provinciaal overleg zou hebben, overweegt de rechtbank dat het college ook nadat dit duidelijk was geworden nog afspraken had kunnen maken met andere gemeenten en dat het ook nu nog mogelijk is om te onderhandelen met andere gemeenten. Een gebrek aan onderwijsvoorzieningen en geschikte locaties kan door de minister worden meegenomen bij het interbestuurlijke toezicht.
25. Gelet op het voorgaande mocht de minister het aantal opvangplaatsen voor Den Haag vaststellen op 2.260, waarvan 1.940 reguliere opvangplaatsen en 320 amv-opvangplaatsen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen.

Conclusie en gevolgen

26. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college geen gelijk krijgt en dat het aantal door de minister in het bestreden besluit vastgestelde opvangplaatsen voor Den Haag gelijk blijft.
27. Het college krijgt het griffierecht daarom niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzitter, mr. E.M.A. Vinken en mr. M.D. Gunster, leden, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen
Artikel 3
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld hoe de verdeling van het benodigd aantal opvangplaatsen over alle provincies wordt bepaald en hoe een indicatieve verdeling naar het benodigde aantal opvangplaatsen per gemeente wordt bepaald. De verdeling is gebaseerd op het aantal inwoners van de betreffende gemeente en op de Sociaaleconomische status – Welvaart, Opleiding en Arbeidsscore (SES-WOA-score) op gemeenteniveau, waarbij deze score wordt bepaald aan de hand van de meest recente «SES-WOA-score per gemeente» van het CBS. Bij de verdeling kan worden bepaald dat een gedeelte van de opvangplaatsen van bijzondere aard moet zijn.
2. Onze Minister maakt eens in de twee jaren voor 1 februari van het kalenderjaar de verdeling over alle provincies bekend alsmede de indicatieve verdeling per gemeente.
Artikel 5
1. Onze Minister neemt eens in de twee jaren voor 31 december van het kalenderjaar een verdeelbesluit, per provincie, waarin de benodigde opvangplaatsen per provincie, bedoeld in artikel 3, voor de duur van twee daarop volgende kalenderjaren voor asielzoekers over de in het besluit aangewezen gemeenten worden verdeeld.
2. Bij het verdeelbesluit slaat Onze Minister acht op het verslag, bedoeld in artikel 4, tweede lid, en streeft hij naar een zo evenwichtig mogelijke verdeling over het grondgebied van Nederland. Hij houdt bij die verdeling zo veel mogelijk rekening met de Sociaaleconomische status – Welvaart, Opleiding en Arbeidsscore (SES-WOA-score) op gemeenteniveau, waarbij deze score wordt bepaald aan de hand van de meest recente «SES-WOA-score per gemeente» van het CBS.
[…].
Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen
Artikel 2.1
1. Onze Minister stelt op basis van de Meerjaren Productie Prognose en het capaciteitsbesluit van het COA vast wat de capaciteitsraming is. Deze capaciteitsraming gaat uit van de verwachte behoefte aan opvangplaatsen voor asielzoekers in een bij ministeriële regeling te bepalen periode of op een in zodanige regeling te bepalen datum.
2. De provinciale opvangopgave is de optelsom van de indicatieve verdelingen per gemeente in de provincie.
3. De indicatieve verdeling per gemeente is de uitkomst, rekenkundig afgerond op een geheel getal, van de volgende formulereeks:
(SES-WOA + 1)*iG/In = Wf
BO*Wf/TWf = Iv
in welke formule voorstelt:
a. SES-WOA: weergave van de sociaaleconomische status op gemeenteniveau (SESWOA-score per gemeente van het Centraal Bureau voor de Statistiek;
b. BO: de door Onze Minister van Justitie en Veiligheid vastgestelde behoefte aan opvangplaatsen bedoeld in het eerste lid;
c. iG: het aantal inwoners van de gemeente volgens de meest recente door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde bevolkingscijfers;
d. In: het aantal inwoners van Nederland volgens de meest recente door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde bevolkingscijfers;
e. Wf: de wegingsfactor per gemeente;
f. TWf: de totale wegingsfactor die wordt berekend door alle wegingsfactors van de gemeenten (Wf) bij elkaar op te tellen;
g. Iv: de indicatieve verdeling per gemeente, bedoeld in artikel 3 van Pro de wet.
[…].
Beleidsregel verdeelbesluiten
Artikel 2
1.De staatssecretaris neemt steeds het verslag van de commissaris van de Koning als uitgangspunt voor het nemen van een verdeelbesluit voor de provincie.
2.Wanneer in het verslag een volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen, wordt deze verdeling uit het verslag door de staatssecretaris overgenomen in het verdeelbesluit.
3.Wanneer in het verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen, dan vult de staatssecretaris deze verdeling in.
Artikel 3
Wanneer in het verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen laat de staatssecretaris zich bij het nemen van het verdeelbesluit leiden door:
a. het streven naar een zo evenwichtig mogelijke verdeling over het grondgebied van Nederland, waarbij hij zoveel mogelijk rekening houdt met de SES-WOA-score op gemeenteniveau;
b. de duur en omvang van eerder geboden asielopvang en de aanwezigheid van bijzondere opvangmodaliteiten binnen de gemeenten;
c. de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het verdeelbesluit.

Voetnoten

1.De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het primaire besluit van 20 december 2024 en de beslissing op bezwaar van 8 december 2025, voor zover deze zien op het college, worden geschorst tot drie weken na de bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank op het beroep dan wel tot het moment waarop daartegen eerder hoger beroep wordt ingesteld, ECLI:NL:RBDHA:2026:8779.
2.Staatscourant 2024, nr 22497.
3.Zie de uitspraak van 10 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2001:AD4637.