ECLI:NL:RBDHA:2026:15476
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 25 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De toetsing richtte zich op de periode van 5 maart 2026 tot 11 mei 2026, aangezien eerdere rechtmatigheid reeds was vastgesteld.
Eiser stelde dat het zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn ontbrak, omdat de Algerijnse autoriteiten na ruim vier maanden nog niet hadden gereageerd op de laissez-passer aanvraag. De rechtbank oordeelde dat dit niet betekent dat het zicht op uitzetting ontbreekt, mede omdat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn identificatie en uitzetting.
Verder voerde eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde, maar de rechtbank vond dat de minister voldoende inspanningen had verricht, waaronder meerdere rappelleringen en vertrekgesprekken. Ambtshalve toetsing door de rechtbank bevestigde dat het voortduren van de maatregel rechtmatig was en dat geen belemmeringen bestonden op grond van non-refoulement of gezinsleven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.