Eiser, een Turkmeense nationaliteit dragende persoon, diende op 10 augustus 2022 een asielaanvraag in Nederland in na verblijf in Oekraïne. Hij vreesde bij terugkeer naar Turkmenistan represailles vanwege een verkeersongeluk waarbij twee vrienden overleden en familieleden bloedwraak dreigden te nemen.
Verweerder wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat er een reëel risico op ernstige schade bestond en dat de autoriteiten in Turkmenistan bescherming konden bieden. Verweerder baseerde zich op Turkmeense wetgeving en een BTI-rapport 2024.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat bescherming door de autoriteiten in Turkmenistan in het algemeen mogelijk is. De strafbaarstelling van moord en bloedwraak in de wet en het BTI-rapport bieden geen inzicht in de daadwerkelijke beschermingspraktijk. De rechtbank wijst het motiveringsgebrek toe en vernietigt het besluit.
De rechtbank wijst erop dat het aan verweerder is om opnieuw te beoordelen of eiser een reëel risico loopt en of bescherming mogelijk is. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van € 2.335,-. De uitspraak is gedaan door rechter Griffioen op 29 januari 2026.