ECLI:NL:RBDHA:2026:1551

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
NL25.42099
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 TerugkeerrichtlijnArt. 7 Richtlijn Tijdelijke BeschermingArtikel 3 EVRMArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander

Eiser, een Keniaanse derdelander die tijdelijke bescherming genoot vanwege de situatie in Oekraïne, kreeg een terugkeerbesluit opgelegd nadat zijn tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 was beëindigd. Hij stelde dat het besluit prematuur was omdat de bevriezingsmaatregel nog liep en dat terugkeer naar Kenia of Somalië onveilig zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit niet prematuur was omdat de tijdelijke bescherming al was geëindigd en dat de minister bevoegd was het besluit te nemen. De bevriezingsmaatregel was slechts bedoeld om de prejudiciële procedure af te wachten en verhinderde het opleggen van het terugkeerbesluit niet.

Verder concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Ook werd geoordeeld dat het privéleven van eiser, waaronder zijn baan en integratie-inspanningen, niet in de weg staan aan het terugkeerbesluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard omdat de tijdelijke bescherming was geëindigd en geen reëel risico op ernstige schade is onderbouwd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42099

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] ,van Keniaanse nationaliteit,V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het hiermee niet eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het terugkeerbesluit in stand kan blijven, omdat de tijdelijke bescherming van eiser met ingang van 4 maart 2024 is geëindigd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 8 augustus 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser bericht dat zijn recht op tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd en dat op 4 september 2025 de zogenoemde tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Eiser mag vanaf laatstgenoemde datum niet meer werken en heeft vanaf deze datum vier weken de tijd om te vertrekken uit de opvang en uit Nederland.
2.1.
Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht
3. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Terugkeerbesluit
4. Eiser stelt dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen. Vanwege de bevriezingsmaatregel mocht hij tot 4 september 2025 rechtmatig in Nederland verblijven. Toen het bestreden besluit op 8 augustus 2025 genomen werd, was eiser hier dus niet illegaal. Een terugkeerbesluit kan slechts worden opgelegd wanneer iemand illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft. [1]
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 19 december 2024 [2] geoordeeld dat artikel 6 van Pro de Terugkeerrichtlijn zich ertegen verzet dat aan een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming [3] een terugkeerbesluit wordt opgelegd voordat deze bescherming is geëindigd.
4.2.
Zoals onder r.o. 2 is overwogen is de facultatieve tijdelijke bescherming per
4 maart 2024 geëindigd. De minister heeft het terugkeerbesluit genomen op
8 augustus 2025.
4.3.
Op 8 augustus 2025 was alleen (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, de prejudiciële procedure af te wachten. De rechtbank ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank was de minister op 8 augustus dan ook bevoegd een terugkeerbesluit uit te vaardigen. [4] Reëel risico op ernstige schade
5. Eiser voert aan dat hij niet kan terugkeren naar Kenia vanwege de politieke en humanitaire situatie. Verder voert eiser aan dat hij ook niet kan terugkeren naar Somalië, vanwege de voortdurende conflicten.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank leest hetgeen eiser aanvoert als een beroep op artikel 3 van Pro het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd waarom hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Kenia of Somalië. Het is de rechtbank verder ook niet gebleken van omstandigheden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.
Privéleven
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn privéleven. Eiser stelt dat hij al drie jaar een fulltime baan heeft in Nederland. Ook probeert hij te integreren in de Nederlandse samenleving door bijvoorbeeld het volgen van Nederlandse taallessen. In Oekraïne studeerde eiser geneeskunde, maar vanwege de oorlog is zijn droom om arts te worden vroegtijdig afgebroken. Een studie volgen in Nederland is voor eiser te duur. Daarom wenst eiser dat zijn tijdelijke bescherming gehandhaafd blijft, zodat hij zijn studie in Oekraïne kan afmaken als de oorlog voorbij is.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht overwogen dat eisers fulltime baan in Nederland, het volgen van Nederlandse taallessen en zijn wens om zijn studie in Oekraïne af te maken zodra de oorlog voorbij is, niet in de weg staan aan het opleggen van het terugkeerbesluit. Volgens vaste rechtspraak hoeft de minister bij het nemen van een op zichzelf staand terugkeerbesluit niet te toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Als eiser meent in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning, dan moet hij dat laten beoordelen in een procedure op basis van een aanvraag met die strekking. [5] Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van
mr.M. Veenstra – van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6 Terugkeerrichtlijn Pro.
2.Zie C-290/24 (Kaduna en Abkez).
3.Zoals bedoeld in artikel 7 van Pro Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
4.Zie in dit kader ook het Terugkeerhandboek, (Aanbevelingen (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017), § 5.4, de beschikking van 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:544, § 47-48, en de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5214.