ECLI:NL:RVS:2022:2918
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- D.A. Verburg
- H.G. Sevenster
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling bezwaar tegen terugkeer- en bewaringbesluiten staatssecretaris
De vreemdeling met de Bengalese nationaliteit kreeg op 23 april 2021 een terugkeerbesluit waarbij zijn verblijfsvergunning werd ingetrokken en hij werd opgedragen Nederland en de EU te verlaten. Op 1 april 2022 werd hij opgedragen de EU onmiddellijk te verlaten en in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd over het beroep tegen het besluit van 1 april 2022 en wees het beroep tegen de bewaring af.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het terugkeerbesluit van 23 april 2021 niet voldoet aan de eisen omdat het land van terugkeer niet ondubbelzinnig is vermeld, waardoor het geen geldig terugkeerbesluit is. Het besluit van 1 april 2022 voldoet wel aan de eisen en is een geldig terugkeerbesluit. De rechtbank had zich daarom niet onbevoegd moeten verklaren.
Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard omdat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk maakt rechtmatig verblijf in Portugal te hebben en de staatssecretaris terecht de gronden voor terugkeer heeft toegepast. Het hoger beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het terugkeerbesluit wordt gegrond verklaard en het beroep ongegrond, het hoger beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.