Eiser, een Syrische asielzoeker met aids, diende in januari 2024 een asielaanvraag in in Nederland. Verweerder wees deze aanvraag in februari 2026 af als kennelijk ongegrond, waarbij werd aangenomen dat in Syrië sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld en dat eisers medische situatie niet tot een reëel risico op ernstige schade leidt.
Eiser bracht in beroep een nieuw asielmotief in verband met zijn homoseksualiteit, maar de rechtbank oordeelde dat dit te laat en tot onaanvaardbare vertraging zou leiden, waardoor dit motief niet werd beoordeeld. De rechtbank stelde echter vast dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het lage niveau van willekeurig geweld in Syrië geldt en waarom de medische risico's van eiser niet in de asielprocedure betrokken zijn.
De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden en de gevolgen van het gewapend conflict in Syrië moeten worden betrokken bij de beoordeling. Verweerder moet een nieuw besluit nemen waarin deze aspecten adequaat worden gemotiveerd. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder krijgt zes weken om een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.