10.1.Eisers krijgen een vergoeding van hun proceskosten, omdat de beroepen gegrond zijn. Deze vergoeding bedraagt € 4.203,-. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank vast op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 1 punt heeft een waarde van €934,-. De gemachtigde van eiser heeft een beroepschrift niet-tijdig beslissen ingediend, ter waarde van 0,5 punt, de gemachtigde van eisers heeft twee beroepschriften ingediend ter waarde van 2 punten, de gemachtigde van [eiser 2] en [eiser 3] heeft beroepschriften ingediend tegen de aanvullende besluiten ter waarde van 0,5 punt per beroepschrift, en de gemachtigde van eisers heeft deelgenomen aan zitting, ter waarde van 1 punt. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
11. Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om de door verzoeker verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Verzoeker krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 934,-. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de voorzieningenrechter vast op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 1 punt heeft een waarde van €934,-. De gemachtigde van verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend, ter waarde van 1 punt. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het besluit van 11 november 2025;
- draagt verweerder op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen met als ingangsdatum 16 oktober 2024, geldig tot 16 oktober 2029;
- vernietigt het besluit van 11 juli 2025, zoals ten aanzien van eisers 2 en 3 aangevuld op 16 december 2025;
- draagt verweerder op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de asielaanvragen van eiseres, [eiser 2] en [eiser 3] , met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 4.203,- aan proceskosten aan eisers.
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.