Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15535

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
NL24.44677 en NL24.44678
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.20a Voorschrift Vreemdelingen 2000Bijlage 8aa Voorschrift Vreemdelingen 2000Paragraaf B6/4.5 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens onvoldoende ondernemingsplan

Eiser, een Turkse staatsburger, diende op 6 februari 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking 'arbeid als zelfstandige'. Verweerder wees deze aanvraag op 16 april 2024 af vanwege een onvoldoende onderbouwd ondernemingsplan en legde tevens een terugkeerbesluit op. Na een ongegrond verklaard bezwaar bleef verweerder bij zijn standpunt.

Eiser stelde dat verweerder het ondernemingsplan had moeten voorleggen aan de minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en dat hij was vrijgesteld van het diplomavereiste op grond van het Associatieverdrag EEG-Turkije. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht controleerde of het ondernemingsplan voldeed aan de vereisten, waaronder een gedegen marktanalyse toegespitst op de regio, en dat verweerder niet verplicht was het plan door te sturen bij gebreken.

De rechtbank verwierp de stellingen van eiser dat hij was vrijgesteld van bepaalde bewijsstukken en dat hij niet over financiële onderbouwing hoefde te beschikken. Eiser had onvoldoende onderbouwd waarom hij bepaalde stukken niet kon overleggen en had de gebreken niet hersteld. Daarom was de afwijzing terecht.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter N. Boonstra op 8 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af wegens een onvoldoende onderbouwd ondernemingsplan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.44677 (beroep) en NL24.44678 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser en verzoeker

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk, het beroep is ongegrond en de rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser is geboren op [geboortedag] 1999 en heeft de Turkse nationaliteit. Op
6 februari 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’.
2.2.
Met het primaire besluit van 16 april 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Met dit besluit heeft verweerder aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd.
2.3.
Met het bestreden besluit van 12 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser als Turks staatsburger ook een volledig onderbouwd ondernemingsplan moet aanleveren. Hij moet aannemelijk maken dat hij met zijn activiteiten een wezenlijk Nederlands belang dient. Volgens verweerder heeft eiser dit met zijn overgelegde ondernemingsplan niet gedaan.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Had verweerder het ondernemingsplan moeten doorsturen naar de minister van EZK?
3.1.
Eiser voert aan dat verweerder zijn ondernemingsplan had moeten doorsturen naar de minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK). Door dat niet te doen, verricht verweerder feitelijk een inhoudelijke selectie aan de poort. Deze selectie beperkt de kans van eiser op een inhoudelijk advies van de RvO [1] en daarmee zijn mogelijkheid om aannemelijk te maken dat er met zijn onderneming een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Eiser voert aan dat, ook bij een onvolledig ondernemingsplan, de aanvraag moet worden doorgestuurd naar de minister van EZK. Eiser wijst er op dat hij niet heeft gesteld dat Turkse onderdanen in het geheel geen ondernemingsplan of geen onderbouwende stukken hoeven te overleggen.
3.2.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in haar uitspraak van 26 februari 2025 [2] , mag verweerder verlangen dat een vreemdeling de op grond van bijlage 8aa, behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 vereiste stukken overlegt, zoals een ondernemingsplan met een markt- en concurrentieanalyse toegespitst op zijn product of dienst. Als een vreemdeling de gevraagde stukken of gegevens niet kan overleggen, moet hij een steekhoudende verklaring geven waarom hij daarover niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Verder volgt uit bijlage 8aa dat de behoefte en de levensvatbaarheid van de onderneming worden aangetoond door middel van een ondernemingsplan waarin onder meer een markt- en concurrentieanalyse is opgenomen. Daarbij staat ook dat de marktanalyse minimaal informatie bevat over de kenmerken van de specifieke markt, de doelgroep, de concurrentie (het onderscheidend vermogen), het potentieel marktaandeel, de marketing, de risico’s en het prijsbeleid, toegespitst op het eigen product of de eigen dienst. Verweerder mag dus controleren of er een ondernemingsplan is met een markt- en concurrentieanalyse waarin voormelde informatie is opgenomen. Als dat niet het geval is, hoeft verweerder de aanvraag niet voor te leggen aan de RvO voor advies. Als een vreemdeling zich met zijn product of dienst richt op een specifieke regio of stad, kan hij ter onderbouwing van de behoefte niet volstaan met algemene informatie over de Nederlandse markt als geheel. Om de aanvraag voor advies voor te leggen aan de RvO moet een vreemdeling dus met stukken onderbouwen dat op de regionale of lokale markt waar hij werkzaam wil zijn, behoefte is aan zijn product of dienst. Als de werkzaamheden die een vreemdeling wil gaan verrichten bepaalde kennis en vaardigheden vereisen, dan volgt uit bijlage 8aa dat hij bij de aanvraag gegevens ter onderbouwing van die competenties moet overleggen, zoals diploma’s, getuigschriften of bewijs van relevante werkervaring. Verweerder mag daarom ook voordat hij de aanvraag aan de RvO voorlegt, controleren of die gegevens aanwezig zijn.
3.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft gecontroleerd of er een volledig onderbouwd ondernemingsplan is overgelegd. Verweerder had het ondernemingsplan daarom niet zonder meer aan de minister van EZK hoeven voor te leggen.
Mocht verweerder het overgelegde ondernemingsplan onvoldoende achten?
4.1.
Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn ondernemingsplan onvoldoende heeft geacht. Volgens eiser is hij uitgezonderd van het diplomavereiste, omdat hij valt onder de toepassing van het Associatieverdrag EEG-Turkije. Verweerder heeft daarnaast facultatieve bewijsstukken ten onrechte aangemerkt als ontbrekend. Eiser voert verder aan dat hij zijn vakinhoudelijke expertise voldoende met stukken heeft onderbouwd en dat van hem niet kan worden gevraagd dat hij ten tijde van zijn aanvraag over financiële stukken beschikte om het financiële gedeelte van zijn ondernemingsplan te onderbouwen.
4.2.
De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt. Verweerder heeft het ondernemingsplan onvoldoende geacht omdat het ondernemingsplan ongedateerd is, het geen gedegen marktanalyse bevat, de marktbeschrijving slechts een algemene weergave is van de markt en de doelgroep en niet toegespitst is op de regio, er niet in is gespecificeerd wat de sterke en zwakke punten zijn van de concurrenten, het niet voldoende onderbouwd is met de benodigde documenten, er in de marktanalyse geen omschrijving van de risico’s en informatie met betrekking tot het marktaandeel is en geen onderbouwing met objectiveerbare stukken van het financiële gedeelte. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder deze punten terecht verwachten van het ondernemingsplan.
4.3.
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij is uitgezonderd van het diplomavereiste, omdat hij valt onder de toepassing van het Associatieverdrag EEG-Turkije, volgt de rechtbank hem niet. In overweging 3.2 is reeds overwogen dat verweerder van eiser mag verlangen dat hij de volgens bijlage 8aa Vb vereiste stukken overlegt. Dit betreft ook stukken ter onderbouwing van zijn relevante kennis en de ervaring die hij heeft opgedaan.
4.4.
De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat verweerder ten onrechte facultatieve bewijsstukken heeft aangemerkt als ontbrekend, terwijl hij niet verplicht is om deze te overleggen. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat eiser bepaalde bewijsstukken kan overleggen, ‘indien aanwezig’. Verweerder heeft toegelicht dat daarmee wordt gedoeld op het facultatieve karakter van de bewijsstukken. De rechtbank kan deze toelichting van verweerder volgen.
4.5.
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat van hem niet kan worden gevraagd dat hij ten tijde van zijn aanvraag over financiële stukken beschikte om het financiële gedeelte ondernemingsplan te onderbouwen, omdat hij pas op 5 februari 2024 met zijn onderneming is gestart, volgt de rechtbank hem niet. Dat eiser pas op 5 februari 2024 is gestart met zijn onderneming, betekent nog niet dat hij zijn ondernemingsplan niet kan onderbouwen met andere stukken over het financiële gedeelte, zoals onder andere branchegegevens van de markt waarin zijn onderneming actief is, correspondentie met toekomstige opdrachtgevers, correspondentie met de Belastingdienst, (voorlopige) koop- of huurovereenkomsten van apparatuur of correspondentie met een financiële instelling zoals het openen van een zakelijke rekening en eventueel af te sluiten leningen of bankafschriften van de zakelijke rekening. Daarbij had eiser ook gedurende de bezwaarprocedure nog stukken kunnen overleggen ter onderbouwing van de resultaten van zijn onderneming. Eiser heeft deze stukken niet overgelegd.
4.6.
Eiser heeft de hierboven geconstateerde gebreken in het ondernemingsplan niet hersteld. Hij heeft ook niet inzichtelijk gemaakt welke gegevens hij niet kan aanleveren en wat de reden daarvan is. Nu alle voorgaand benoemde punten ontbreken in het ondernemingsplan en nu eiser daarvoor geen goede reden heeft genoemd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het ondernemingsplan terecht onvoldoende heeft geacht.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ terecht afgewezen. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. Eiser krijgt het door hem betaalde griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.44677:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.44678:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rijkdienst voor Ondernemend Nederland.
2.ECLI:NL:RVS:2025:734, onder 5.1. en 5.2.