ECLI:NL:RBDHA:2026:1554

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
C/09/678384 / HA ZA 25-51
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beslissing RC
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 552a SvArt. 6:119 BWArt. 3:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing strafvorderlijk anderbeslag op woning wegens verhaalsfrustratie

Eiseres vordert opheffing van het conservatoir strafvorderlijk anderbeslag op haar woning, gelegd in verband met een ontnemingsmaatregel tegen haar ex-echtgenoot wegens beroepsmatige hennepteelt. Het beslag werd gelegd omdat de woning kennelijk met het doel was verkregen om verhaal van de Staat te bemoeilijken.

Eiseres heeft eerder een beklagprocedure doorlopen waarin het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat zij als eigenaar moest worden aangemerkt en dat zij redelijkerwijs moest vermoeden dat de aankoop diende om verhaal te frustreren. De Hoge Raad heeft dit oordeel bevestigd.

De rechtbank oordeelt dat de beklagprocedure een voldoende waarborgen biedende rechtsgang is en dat in deze civiele procedure geen hernieuwde toetsing aan de vereisten van artikel 94a Sv kan plaatsvinden. Wel kan de rechtbank beoordelen of de Staat misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid. Gezien het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden die misbruik aantonen, wordt de vordering afgewezen. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot opheffing van het strafvorderlijk anderbeslag af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/678384 / HA ZA 25-51
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats 1] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. B. Korvemaker,
tegen
1.
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid)te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. M. Beekes,

2 [gedaagde] te [woonplaats 2] ,

gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.Waar gaat deze zaak over?

De Staat heeft in 2016 strafvorderlijk conservatoir anderbeslag gelegd op de woning van [eiseres] . Dit beslag strekte tot bewaring van het recht tot verhaal van een eventuele aan haar (toenmalige) echtgenoot ( [gedaagde] ) op te leggen maatregel ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel. Uiteindelijk is [gedaagde] onherroepelijk veroordeeld voor beroepsmatige hennepteelt en is hem een ontnemingsmaatregel opgelegd op grond waarvan hij het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat moet betalen. [eiseres] is zelf ook strafrechtelijk veroordeeld; zij is veroordeeld voor het schuldwitwassen van (een deel van) het criminele vermogen. Inmiddels is het beslag op de woning van [eiseres] executoriaal geworden. Met deze procedure wil [eiseres] bewerkstelligen dat het beslag op haar woning wordt opgeheven omdat volgens haar niet is voldaan aan de vereisten voor het leggen van strafvorderlijk anderbeslag. De Staat voert verweer.

2.De procedure

2.1.
[eiseres] en de Staat dienden de volgende stukken in:
- de dagvaarding van 9 december 2024, met producties 1 tot en met 7;
- de conclusie van antwoord van 23 april 2025, met producties 1 tot en met 16;
- de akte van [eiseres] van 5 november 2025, met zes nadere producties; en
- de antwoordakte van de Staat van 19 november 2025, met producties 17 en 18.
2.2.
[gedaagde] is in deze procedure niet verschenen en hem is op de rolzitting van 15 januari 2025 verstek verleend.
2.3.
Op 16 september 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. [eiseres] en de Staat hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.

3.De feiten

3.1.
[eiseres] en [gedaagde] zijn op [dag] 2008 – buiten iedere gemeenschap van goederen – getrouwd. Tijdens hun huwelijk was [gedaagde] betrokken bij de exploitatie van diverse hennepkwekerijen.
3.2.
[eiseres] is tijdens het huwelijk met [gedaagde] , op 2 december 2015, enig eigenaar geworden van het appartementsrecht aan de [adres] (hierna: de woning of het appartementsrecht). [eiseres] heeft de woning gekocht voor een bedrag van
€ 150.000. [eiseres] en [gedaagde] woonden eerder al in deze woning op basis van een huurovereenkomst. Na de aankoop van de woning is [gedaagde] bij [eiseres] blijven wonen.
3.3.
Op 9 februari 2016 is [gedaagde] aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij het kweken van hennep. Nog diezelfde dag is door de Staat met het oog op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [gedaagde] klassiek beslag gelegd op de woning. Klassiek beslag vindt plaats op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv). Op 28 november 2016 heeft de Staat ten laste van [gedaagde] conservatoir strafvorderlijk anderbeslag op de woning gelegd op de voet van artikel 94a lid 4 Sv. Dit beslag vond plaats met het oog op eventueel verhaal door de Staat op de woning van een mogelijk aan [gedaagde] op te leggen maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3.4.
[eiseres] is in 2020 een beklagprocedure op grond van artikel 552a Sv gestart waarin zij – onder meer – verzocht het anderbeslag op haar woning op te heffen. [eiseres] bestreed in de beklagprocedure dat zij de woning heeft gekocht met het kennelijke doel de uitwinning ervan door de Staat te bemoeilijken of verhinderen én dat zij dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden. Bij beschikking van 6 mei 2021 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het beklag ongegrond verklaard. Het hof kwam tot het oordeel dat de woning alleen aan [eiseres] is gaan toebehoren om de uitwinning van geld van [gedaagde] te bemoeilijken of te verhinderen en dat [eiseres] dat ten tijde van de aankoop ervan redelijkerwijs ook moest vermoeden. [eiseres] heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
3.5.
[gedaagde] is nadien onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld voor beroepsmatige hennepteelt en deelname aan een criminele organisatie. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn arrest van 4 maart 2022 vastgesteld dat [gedaagde] een bedrag van € 312.692 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en heeft [gedaagde] een ontnemingsmaatregel opgelegd, op grond waarvan hij dit bedrag aan de Staat moet betalen. Het arrest in de ontnemingsprocedure is ook onherroepelijk geworden.
3.6.
[eiseres] is bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 maart 2022 strafrechtelijk veroordeeld voor het meermaals schuldwitwassen van (een deel van) het criminele vermogen. Ook deze uitspraak is onherroepelijk geworden.
3.7.
Op 9 juli 2024 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [eiseres] tegen de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 mei 2021 in de beklagprocedure verworpen. De Hoge Raad overwoog, voor zover hiervan belang, het volgende:
“2.4. Bij beoordeling van het cassatiemiddel moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval waarin op grond van artikel 94a Sv beslag is gelegd en een derde in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of buiten redelijke twijfel staat dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen goed moet worden aangemerkt. De rechter moet daarvan in zijn beslissing blijk geven. Als die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter ook moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van artikel 94a lid 4 of 5 Sv voordoet. (vgl. HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2144.)
2.5.1.
Gezien zijn hiervoor onder 2.2.1. weergegeven vaststellingen, getuigt het oordeel van het hof dat de klaagster moet worden aangemerkt als eigenaar van het (op 2 december 2015 gekochte) appartementsrecht, maar dat dit aan haar is gaan toebehoren om de uitwinning van uit misdrijf afkomstig geld van [gedaagde] te bemoeilijken of te verhinderen en dat zij dat ten tijde van de aankoop ervan redelijkerwijs ook moest vermoeden, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is ook toereikend gemotiveerd. Datzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat [gedaagde] de hypotheeklasten droeg en dat hij deze betaalde met van misdrijf afkomstig geld. De in de schriftuur genoemde omstandigheden dat de vennootschap waaruit de klaagster een inkomen zou hebben verworven al in 2014 zou zijn gefailleerd, en dat nadere gegevens over de inkomsten van de klaagster daarna zouden ontbreken, maken dat niet anders. Daarbij neemt De Hoge Raad in aanmerking dat deze beide omstandigheden niet door of namens de klaagster bij de behandeling van het klaagschrift aan de orde zijn gesteld.”
3.8.
Bij exploot van 19 februari 2025 is het arrest van 4 maart 2022 waarin aan [gedaagde] een ontnemingsmaatregel is opgelegd aan [eiseres] betekend, waardoor het strafvorderlijk conservatoir anderbeslag op de woning op de voet van artikel 6:4:4 Sv Pro in verbinding met artikel 704 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is overgegaan in executoriaal anderbeslag.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, opheffing van het gelegde beslag op haar appartementsrecht (kadastraal bekend gemeente [gemeente] [kadastraal nummer] ), met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.
4.2.
[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat niet is voldaan aan de vereisten voor het leggen van anderbeslag als bedoeld in artikel 94a lid 4 Sv zodat het beslag moet worden opgeheven.
4.3.
De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
[eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aan de vereisten voor het leggen van conservatoir anderbeslag is voldaan.
5.2.
Op grond van artikel 94a lid 4 Sv kan de Staat voorwerpen in beslag nemen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie een ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd. Dat kan als er voldoende aanwijzingen bestaan dat die voorwerpen geheel of ten dele aan die ander – in dit geval [eiseres] – zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen (het vereiste van verhaalsfrustratie), en de ander dit wist of dit redelijkerwijs kon vermoeden (het wetenschapsvereiste). Op grond van dit artikel kan dus beslag worden gelegd onder een ander dan degene die de ontnemingsvordering moet betalen, om die vordering uit te kunnen voldoen. Het moet kort gezegd voldoende duidelijk zijn dat sprake is van een constructie om te voorkomen dat de schuldenaar zelf verhaal biedt.
5.3.
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat bij de aankoop van de woning geen sprake is geweest van verhaalsfrustratie of wetenschap daarvan. Volgens [eiseres] was de aankoop van de woning een volstrekt normale transactie; de woning is door haar voor een reëel bedrag gekocht en op de gebruikelijke wijze gefinancierd door een erkende bankinstelling. Zij meent dan ook dat het voortduren van het beslag onrechtmatig is en om die reden moet worden opgeheven.
5.4.
De Staat stelt zich primair op het standpunt dat de Hoge Raad zich in de beklagprocedure op grond van artikel 552a Sv al heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van het leggen van conservatoir anderbeslag en daarbij heeft getoetst of is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 94a lid 4 Sv. De Staat is daarom van mening dat er in deze procedure geen ruimte is om de rechtmatigheid van het beslag opnieuw te beoordelen. Mocht de rechtbank daar anders over denken, dan stelt hij zich subsidiair op het standpunt dat aan de wettelijke vereisten voor het leggen van conservatoir anderbeslag is voldaan.
5.5.
De rechtbank volgt de Staat in zijn primaire standpunt. De beklagprocedure wordt naar vaste rechtspraak aangemerkt als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, waarin juist aan de orde kan worden gesteld of is voldaan aan de vereisten voor het leggen van (conservatoir) anderbeslag. Op grond daarvan mag worden aangenomen dat in een geval waarin op grond van artikel 552a Sv tijdig beklag mogelijk is geweest, geen beroep op de civiele rechter kan worden gedaan om opnieuw te toetsen of aan de vereisten voor het leggen van beslag was voldaan. In deze zaak heeft [eiseres] tot aan de Hoge Raad de beklagprocedure doorlopen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om alsnog de rechtmatigheid van het anderbeslag in deze procedure te toetsen. Een executiegeschil, zoals hier aan de orde, kan niet worden ingezet als een verkapt rechtsmiddel tegen de einduitspraak in de beklagprocedure. [1]
5.6.
De rechtbank kan in dit executiegeschil wel de rechtmatigheid beoordelen van de
executievan de ontnemingsmaatregel op de woning van [eiseres] . In dat verband moet de vraag worden beantwoord of de Staat misbruik maakt van bevoegdheid door over te gaan tot uitwinning van de inbeslaggenomen voorwerpen.
5.7.
Van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is sprake wanneer de executant in redelijkheid niet tot de uitoefening van de executiebevoegdheid kon komen, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van dat recht en het belang dat daardoor wordt geschaad. Dit kan het geval zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke kennelijke misslag berust, of als na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor de geëxecuteerde, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is. [2] Misbruik van bevoegdheid is echter niet tot deze twee gevallen beperkt. Volgens de Hoge Raad kunnen zich ook andere situaties voordoen waarin in verband met na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten sprake is van misbruik van bevoegdheid overeenkomstig de in artikel 3:13 BW Pro genoemde maatstaf. [3]
5.8.
[eiseres] heeft in dit kader enkel naar voren gebracht dat in de beklagprocedure ten onrechte door het gerechtshof is aangenomen dat [eiseres] in 2015 voor [bedrijf] B.V. werkte, terwijl dit bedrijf in 2014 failliet is gegaan. De rechtbank stelt vast dat dit geen nieuwe omstandigheid betreft. Uit de beschikking van de Hoge Raad volgt dat eiseres dit punt ook daar naar voren heeft gebracht en dat de Hoge Raad dit heeft betrokken in haar oordeel. Het gaat dus niet om een nieuwe ontwikkeling die nu aan executie in de weg zou staan.
5.9.
[eiseres] heeft voor het overige geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot het oordeel kunnen leiden dat de Staat anderszins misbruik maakt van zijn bevoegdheid door tot executie van het anderbeslag over te gaan. De vordering van [eiseres] zal daarom worden afgewezen.
5.10.
Gelet op voorgaande conclusie zal de rechtbank niet nader ingaan op de overige standpunten van de Staat.
Proceskosten
5.11.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
1.535,00
(2,5 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.401,00
5.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
6.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van de Staat, tot op heden begroot op € 2.401,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.4.
verklaart de in 6.2 en 6.3 opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.C. Kool en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
1366

Voetnoten

1.Vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, NJ 2020/425
2.HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575, NJ 1984/145
3.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, NJ 2020/425