ECLI:NL:RBDHA:2026:15540

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
NL26.32025
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Spanje in vreemdelingenrecht

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen haar feitelijke uitzetting naar Spanje, nadat de minister het bezwaar tegen deze uitzetting kennelijk ongegrond had verklaard. De voorzieningenrechter verwijst naar een eerdere uitspraak van 3 juni 2026 waarin al werd bepaald dat verzoekster de beslissing op bezwaar mocht afwachten en niet mocht worden overgedragen.

De minister stelde dat verzoekster geen bezwaar had gemaakt tegen eerdere verleningsbesluiten en dat de rechtsmiddelentermijn was verstreken. Verzoekster betwistte dit en voerde aan dat de verlenging van de overdrachtstermijn niet rechtsgeldig was bekendgemaakt en dat Nederland verantwoordelijk is voor haar asielaanvraag.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de verlenging van de overdrachtstermijn en dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het verlengingsbesluit op juiste wijze is verzonden. Het subsidiaire standpunt van de minister wordt eveneens verworpen.

Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, waardoor verzoekster niet mag worden overgedragen aan Spanje en het beroep in Nederland mag afwachten. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster.

Uitkomst: Verzoekster mag de uitspraak op het beroep in Nederland afwachten en wordt niet overgedragen aan Spanje; minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32025

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoekster

mede namens haar minderjarig kind:

[naam], V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. L.M. Straver),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Mikolajczyk).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de feitelijke uitzetting naar Spanje.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Voor wat aan dit verzoek vooraf is gegaan wijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 juni 2026. De voorzieningenrechter heeft in die uitspraak het verzoek toegewezen en bepaald dat verzoekster de beslissing op bezwaar tegen de feitelijke uitzetting in Nederland mag afwachten en dat verzoekster tot die tijd niet mag worden overgedragen aan Spanje. De minister heeft op 8 juni 2026 beslist op het bezwaar van verzoekster tegen de feitelijke uitzetting en dat bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Op 8 juni 2026 is door DT&V aan gemachtigde van verzoekster medegedeeld dat haar feitelijke uitzetting naar Spanje staat gepland op 10 juni 2026 om 10:20 uur. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De minister is in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek. Op 9 juni 2026 heeft de minister van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
2.1.
Omdat onverwijlde spoed dat vereist doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder partijen uit te nodigen voor een zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De minister heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Primair heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat verzoekster geen bezwaar heeft gemaakt tegen de verleningsbesluiten van 20/23 maart 2026 en 29 april 2026. Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat de toenmalige gemachtigde geen brief heeft ontvangen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat uit de brief van 29 april 2026 volgt dat deze verstuurd is naar de toenmalige gemachtigde van betrokkenen. Het is dan ook aan verzoekster om te onderbouwen dat zij de brief niet heeft ontvangen. Omdat dit is nagelaten is de rechtsmiddelentermijn om in beroep te komen tegen het verlengingsbesluit verstreken zonder een verschoonbare reden en is er daarom ook geen sprake van een relevant novum nu verzoekster in de gelegenheid is gesteld om beroep aan te tekenen tegen het verlengingsbesluit van 29 april 2026. Volgens de minister kan verzoekster nu, in een bezwaar tegen de feitelijke overdracht, niet alsnog hiertegen opkomen. Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt, anders dan de voorzieningenrechter in de uitspraak van
3 juni 2026 voorlopig oordeelt, dat de uiterste overdrachtsdatum terecht is opgeschort op 20/23 maart 2026 en vervolgens is verlengd op 29 april 2026. Daarom is het bezwaarschrift subsidiair ook kennelijk ongegrond. Kort weergegeven heeft de minister het standpunt zoals voorlag ten tijde van de eerdere voorlopige voorziening gehandhaafd.
4. Verzoekster voert aan dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen van verzoekster. Ook vindt verzoekster dat het standpunt van de minister in de beslissing op bezwaar onjuist is. Volgens verzoekster is de uiterste overdrachtstermijn niet opgeschort en is Nederland daarmee verantwoordelijk geworden voor de asielaanvraag van verzoekster. De berichten van 20/23 maart 2026 aan de Spaanse autoriteiten zijn geen verlengingsbesluiten en daarmee geen besluiten met een rechtsgevolg, aldus verzoekster.
5. De minister stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat voor de inwerkingtreding van de verlenging van de uiterste overdrachtsdatum deze tijdig en op juiste wijze moet worden bekendgemaakt aan de lidstaat. Dat is in dit geval gebeurd door het bericht van 20 maart 2026 en de rectificatie daarvan op 23 maart 2026 richting de lidstaat. Dit was voor het verstrijken van de oorspronkelijke uiterste overdrachtsdatum, namelijk
15 april 2026. Vervolgens is op 29 april 2026 aan de Spaanse autoriteiten gecommuniceerd dat de uiterste overdrachtsdatum is verlengd tot maximaal 18 maanden, omdat verzoekster was ondergedoken. Voor de verlenging van de uiterste overdrachtsdatum is niet relevant dat dat bekend wordt gemaakt aan betrokkene/gemachtigde zelf en dat die bekendmaking plaatsvindt voor het verstrijken de oorspronkelijk uiterste overdrachtsdatum. Later, op
29 april 2026, is de vorige gemachtigde van verzoekster hierover geïnformeerd door een verlengingsbesluit en toen ging de termijn voor het indienen van rechtsmiddelen daartegen lopen. Deze termijn is ongebruikt verstreken en daarom staat het verlengingsbesluit in rechte vast. Verder handhaaft de minister het subsidiaire standpunt.
6. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van de minister niet. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter, nog daargelaten de vraag of de inwerkingtreding van de verlenging van de uiterste overdrachtsdatum ingaat op het moment dat het wordt bekendgemaakt aan een andere lidstaat, dat niet in geschil is dat verzoekster zelf eerst op 29 mei 2026 op de hoogte is geraakt van de gestelde verlenging. Ook is niet in geschil dat verzoekster na het bekend worden van de verlening op 1 juni 2026 bezwaar heeft gemaakt. Zij heeft weliswaar bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht, maar haar bezwaar richt zich feitelijk tegen het standpunt van de minister dat de overdrachtstermijn niet is verstreken na 15 april 2026. Daarom is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een tijdig ingediend bezwaar tegen de verlenging van de overdrachtstermijn. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat hoewel de minister heeft gesteld dat het verlengingsbesluit op juiste wijze is bekend gemaakt door niet-aangetekende verzending aan de voormalige gemachtigde van verzoekster, de voorzieningenrechter de enkele verwijzing naar de adressering op het verlengingsbesluit daartoe niet voldoende acht. In het geval van niet-aangetekende verzending is het aan de minister om de verzending aannemelijk te maken en de enkele adressering van een brief is daartoe onvoldoende. Nu niet aannemelijk is geworden dat het verlengingsbesluit op juiste wijze is verzonden en wel is gebleken dat verzoekster zodra zij op de hoogte was van het verlengingsbesluit alsnog een rechtsmiddel heeft ingediend volgt de voorzieningenrechter het standpunt van de minister dat de rechtsmiddelentermijn ongebruikt is verstreken en dat daarom het verlengingsbesluit in rechte vast staat niet.
7. Wat betreft het subsidiaire standpunt van de minister wijst de voorzieningenrechter eerst op het oordeel van de voorzieningenrechter in de uitspraak van
3 juni 2026. In het enkele standpunt van de minister in de beslissing op bezwaar, inhoudende dat door een uitspraak, die buiten zitting is afgedaan, aan te vechten in een verzetprocedure, de onderliggende beroepsprocedure wordt opengebroken en dat daarom geen sprake is van een definitieve beslissing op het beroep, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het verzoek thans af te wijzen. Daarbij komt dat deze vraag zich niet leent voor afdoening in een voorlopige voorzieningsprocedure hangende beroep.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoekster het beroep tegen de beslissing op het bezwaar tegen de feitelijke overdracht in Nederland mag afwachten. Dit betekent dat de minister verzoekster op 10 juni 2026 niet mag overdragen aan Spanje.
9. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verzoekster de uitspraak op het beroep in Nederland mag afwachten en dat verzoekster tot die tijd niet mag worden overdragen aan Spanje;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.