De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning van verzoeker voor zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De sluiting is gebaseerd op een MMA-melding en de vondst van diverse harddrugs, een geldmachine, vals geld, gripzakjes en een weegschaal, die duiden op handel. Verzoeker betwist de handel en stelt dat de drugs voor eigen gebruik zijn.
De voorzieningenrechter overweegt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs wordt aangenomen dat deze bestemd zijn voor verkoop, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Verzoeker heeft dit niet gedaan. Ook de overige aangetroffen goederen wijzen op handel. De sluiting is een herstelsanctie gericht op beëindiging van overtreding en voorkomen van herhaling.
Hoewel verzoeker stelt dat de sluiting onevenredig is en zijn woon- en leefsituatie ontwricht, acht de voorzieningenrechter de sluiting geschikt en noodzakelijk om de openbare orde te herstellen en de woning uit het criminele circuit te halen. De duur van zes maanden is wel betwist, maar de rechter vindt drie maanden evenwichtig en ziet geen spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, waardoor de sluiting naar verwachting in bezwaar zal worden gehandhaafd. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.