Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15558

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/3691
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 2 Wwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugshandel

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning van verzoeker voor zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De sluiting is gebaseerd op een MMA-melding en de vondst van diverse harddrugs, een geldmachine, vals geld, gripzakjes en een weegschaal, die duiden op handel. Verzoeker betwist de handel en stelt dat de drugs voor eigen gebruik zijn.

De voorzieningenrechter overweegt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs wordt aangenomen dat deze bestemd zijn voor verkoop, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Verzoeker heeft dit niet gedaan. Ook de overige aangetroffen goederen wijzen op handel. De sluiting is een herstelsanctie gericht op beëindiging van overtreding en voorkomen van herhaling.

Hoewel verzoeker stelt dat de sluiting onevenredig is en zijn woon- en leefsituatie ontwricht, acht de voorzieningenrechter de sluiting geschikt en noodzakelijk om de openbare orde te herstellen en de woning uit het criminele circuit te halen. De duur van zes maanden is wel betwist, maar de rechter vindt drie maanden evenwichtig en ziet geen spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, waardoor de sluiting naar verwachting in bezwaar zal worden gehandhaafd. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wegens drugshandel wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3691

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

burgemeester en wethouders van Waddinxveen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker aan de [adres] in [plaats] voor de duur van zes maanden, op grond van de Opiumwet. [1] Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 23 april 2026 heeft verweerder de woning voor de duur van zes maanden gesloten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Verweerder heeft laten weten de sluiting van de woning op te schorten tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter en heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, bijgestaan door zijn begeleider [naam] en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. Op 5 februari 2026 ontving de politie een melding van Meld Misdaad Anoniem (MMA). Daarin werd gesproken over een persoon die zou handelen in vuurwapens en vele soorten harddrugs. Het adres [adres] in [plaats] werd in de melding genoemd.
Op 6 februari 2026 is de politie de woning van verzoeker binnengetreden. In de woning werden een airsoftwapen [2] en verschillende soorten harddrugs aangetroffen. In de slaapkamer werd ook een aantal andere goederen in beslag genomen door de politie: een geldmachine, een doosje met gripzakjes, 97 valse biljetten van 20 euro, gripzakjes en een weegschaal. Nadat verweerder verzoeker heeft laten weten voornemens te zijn de woning te sluiten voor de duur van zes maanden heeft verzoeker zijn zienswijze daarop gegeven. Verweerder heeft in het primaire besluit besloten de woning te sluiten voor de duur van zes maanden. Deze zaak gaat over de vraag of de sluiting van de woning moet worden opgeschort totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist.
Wat vindt verzoeker?
4. Verzoeker voert aan dat verweerder een zwaarder en afwijkend feitencomplex aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, dan zoals dat is opgenomen in de strafrechtelijke dagvaarding. Ook wordt in de dagvaarding niet uitgegaan van drugshandel. Verweerder heeft geen concrete en verifieerbare aanwijzingen aangedragen voor drugshandel vanuit de woning.
Het besluit is onevenredig in verhouding tot het beoogde doel omdat verzoekers woon- en leefsituatie volledig wordt ontwricht. Daarnaast spelen de begeleiding door forensisch ambulant begeleider [naam] en het toezicht door de reclassering een rol. Verzoekers werk en inkomen worden in gevaar gebracht en het risico op recidive wordt juist vergroot in plaats van verkleind.
De belangenafweging zou in het voordeel van verzoeker moeten uitvallen omdat er geen concrete drugshandel vanuit de woning is vastgesteld. Er is geen sprake geweest van overlast of verstoring van de openbare orde. Het risico wordt al beheerst via de reclassering en de begeleiding. In het voordeel van verzoeker telt ook mee dat hij een fulltime baan heeft en financieel zelfstandig is.
Ten tijde van het incident zat verzoeker in een periode van ernstige persoonlijke ontregeling mede als gevolg van de ziekte van verzoekers vader. Daarom nam zijn middelengebruik toe. De aangetroffen drugs zijn gekocht voor eigen gebruik en om contactmomenten met dealers te beperken.
Uit het besluit blijkt niet dat verweerder minder ingrijpende maatregelen heeft overwogen zoals een waarschuwing, een voorwaardelijke sluiting of aanvullende toezichtafspraken.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Is er sprake van spoedeisend belang?
5. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als een spoedeisend belang dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar voor verzoeker evident sprake van is nu hij door de sluiting zijn woning niet zal kunnen gebruiken.
Juridisch kader
6. In haar uitspraak van 16 juli 2025 heeft de hoogste bestuursrechter in aanvulling op eerdere jurisprudentie hierover de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. [3] De voorzieningenrechter verwijst voor deze uitgangspunten naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het verzoek.
Bevoegdheid tot sluiting
7. Verweerder is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning harddrugs of softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Doorgaans wordt de woning voor een bepaalde periode gesloten.
8. Uit de bestuurlijke rapportage en het bestreden besluit blijkt dat bij de doorzoeking van de woning verschillende goederen zijn aangetroffen en in beslag genomen. Het gaat om 1,3 gram MDMA, 0.9 gram onbekende pil, 700 gram amfetamine, 40 gram cocaïne, twee zakjes met vermoedelijke vedomi, 4,3 gram XTC pillen, 3,9 gram XTC pillen, 80 gram amfetamine, 100 gram versnijdingsmiddel, 220 gram amfetamine, 16,8 gram amfetamine, 3 ponypacks met cocaïne, 21,5 gram XTC pillen, 5,4 gram verdovende middelen (pillen), 40,2 gram vermoedelijk ketamine en 10 pillen vermoedelijk 2CB. De gevonden middelen zijn door de politie gewogen en grotendeels indicatief getest. Verder vond de politie een geldmachine, een doosje met gripzakjes, 97 valse biljetten van 20 euro, gripzakjes en een weegschaal.
9. Volgens vaste rechtspraak is artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een woning. De drugs moeten met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs deze in beginsel (mede) bestemd worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van verzoeker om het tegendeel aannemelijk te maken. Als het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is verweerder bevoegd om de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet te sluiten.
10. Het grootste deel van de middelen is indicatief getest. Op een later moment is een deel van de drugs ook door het Nederlands Forensisch Instituut getest en vastgesteld dat het harddrugs betreft. Verzoeker weerspreekt de aanwezigheid ervan in zijn woning niet en heeft ook geen redenen aangevoerd waarom het resultaat van de testen niet juist zou zijn. In dit geval is een veel grotere hoeveelheid dan de hoeveelheid van 0,5 gram harddrugs aangetroffen, waarbij nog wordt aangenomen dat de drugs voor eigen gebruik bestemd zijn. Daarom mag verweerder in beginsel aannemelijk achten dat het hier gaat om harddrugs die bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Verzoeker heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat ook de overige aangetroffen goederen duiden op verkoop. Dat dit door de Officier van Justitie niet is tenlastegelegd doet hieraan niet af. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was verweerder bevoegd om de woning te sluiten.
Evenredigheid: geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de sluiting
11. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Zoals de hoogste bestuursrechter heeft overwogen in de eerdergenoemde uitspraak, is herstel van de openbare orde op zichzelf niet het doel.
11.1.
Verweerder moet beoordelen of de sluiting op het tijdstip van beoordeling, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is, en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als verweerder de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. In het geval dat verweerder zijn doelen nog wel kan bereiken, dient hij de noodzaak van de sluiting te beoordelen.
11.2.
Verzoeker heeft niets concreets aangevoerd wat betreft het tijdsverloop of anderszins ten aanzien van de geschiktheid van de sluiting, evenmin is hiervan gebleken. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de sluiting in beginsel geschikt om de door verweerder beoogde doelen te bereiken.
12. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding of sluiting van de woning nodig is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang of de drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op de handel vanuit het pand.
12.1.
De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat sprake is van een ernstige situatie, gelet op de verschillende indicatoren die verweerder aan het besluit ten grondslag heeft gelegd. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt van een MMA-melding van
5 februari 2026 dat een persoon zou handelen in vuurwapens en vele soorten harddrugs, daarbij werd het adres [adres] genoemd. De voorzieningenrechter acht de melding voldoende concreet. Bekendheid met de aanwezigheid van grote hoeveelheden drugs in de woning brengt veiligheidsrisico’s met zich mee, zoals ripdeals en afrekeningen in het criminele milieu. Het sluiten van de woning was noodzakelijk om de bekendheid van de woning in het criminele drugscircuit te doorbreken. De door verzoeker ingebrachte verklaringen van buurtbewoners waarin staat dat zij geen overlast hebben ervaren, leiden niet tot een ander oordeel.
De informatie uit de bestuurlijke rapportage maakt het aannemelijk dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel en dat een noodzaak tot sluiting bestaat. Verweerder heeft als indicator ook mogen meewegen dat er versnijdingsmiddel, een weegschaal, een geldtelmachine, vals geld en gripzakjes zijn aangetroffen. Dat duidt op een beroeps- dan wel bedrijfsmatigheid. Verzoekers betoog dat een weegschaal ook in de keuken gebruikt kan worden en hij de geldtelmachine voor zijn plezier heeft doet daar niet aan af aangezien alle aangetroffen goederen in samenhang mogen worden beoordeeld. In de bestuurlijke rapportage van 18 februari 2026 staat verder dat de politie een airsoftwapen in de woning heeft aangetroffen waarmee verzoeker in overtreding is van de Wet wapens en munitie (Wwm). Wederom maakt de verklaring van verzoeker dat hij het airsoftwapen voor zijn plezier heeft niet dat daarmee geen overtreding van de Wwm plaatsvindt. Verder heeft verweerder mogen meewegen dat verzoeker een antecedent heeft voor het bezit van harddrugs in 2023.
13. Als het sluiten van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenwichtig moet zijn. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die verweerder met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verweerder een sluiting noodzakelijk acht. Verzoeker heeft erop gewezen dat hij op dit moment wordt begeleid door een forensisch ambulant begeleider. Deze begeleider geeft in een verklaring van 30 maart 2026 en nader onderbouwd ter zitting aan dat eiser baat heeft bij het traject van begeleiding, toezicht en behandeling. Huisbezoeken zijn daar een onderdeel van. Verweerder heeft hierover in het verweerschrift naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht opgemerkt dat niet onderbouwd is dat deze begeleiding niet ook op een ander adres kan plaatsvinden. Dat verzoeker zou zijn gebonden aan zijn woning voor zijn voltijdsbaan en inkomen is evenmin onderbouwd.
13.1.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat sluiting van de woning evenwichtig is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in dit geval het belang van de openbare orde en de belangen van omwonenden zwaarder mocht laten wegen dan de belangen van verzoeker. Ten aanzien van de duur van de sluiting heeft de voorzieningenrechter wel haar bedenkingen of verweerder deze op een evenwichtige manier heeft afgestemd op de ernst van de verstoring van de openbare orde. Daarbij acht zij van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat er geen aanloop was van drugsgebruikers naar de woning en geen meldingen bekend zijn van overlast door buurtbewoners. Verweerder heeft ter zitting niet overtuigend onderbouwd waarom voor een duur van zes maanden is gekozen. Verweerder heeft ter zitting echter ook verklaard dat de hoorzitting gepland staat op 23 juni 2026 en dat er voortvarend zal worden beslist op verzoekers bezwaar, in ieder geval voor augustus. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat een sluiting van drie maanden in ieder geval wel evenwichtig is, bestaat er geen spoedeisend belang om op dit moment een voorziening te treffen. Deze sluitingstermijn loopt immers nog op het moment dat er op het bezwaar zal worden beslist. Het voorgaande betekent dat sluiting van de woning vooralsnog een legitiem doel dient. Verweerder mocht sluiting noodzakelijk achten en heeft niet hoeven volstaan met een waarschuwing of een voorwaardelijke sluiting.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat een sluiting van de woning voor in ieder geval drie maanden naar verwachting in bezwaar in stand zal blijven. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 13b, aanhef en onder a, van de Opiumwet. Zie ook: Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Waddinxveen 2015 (de Beleidsregel).
2.Een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie I, sub 7, van de Wet wapens en munitie (een imitatiewapen).
3.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.