Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15561

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29735
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Moment van intrekking asielaanvraag bepaalt wijziging rechtspositie vreemdeling

Eiser had op 29 mei 2026 mondeling te kennen gegeven zijn asielaanvraag in te willen trekken, maar werd pas op 1 juni 2026 formeel in de gelegenheid gesteld dit te doen door het ondertekenen van een intrekkingsformulier. De rechtbank toetste wanneer de rechtspositie van de vreemdeling daadwerkelijk wijzigt bij intrekking van een asielaanvraag.

De rechtbank sloot aan bij eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin werd geoordeeld dat een aanvraag pas als ingediend geldt wanneer aan alle wettelijke vereisten is voldaan, waaronder het ondertekenen van het aanvraagformulier. Dit principe werd doorgetrokken naar de intrekking van een aanvraag: deze moet ondubbelzinnig en zonder voorbehoud kenbaar worden gemaakt.

De rechtbank vond dat de mondelinge mededeling aan het personeel onvoldoende was en dat de rechtspositie van eiser pas op 1 juni 2026 veranderde toen hij formeel zijn intrekking verklaarde en het formulier ondertekende. Daarom hoefde de grondslag van de bewaring niet eerder dan 3 juni 2026 te worden gewijzigd.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was toegepast en ten uitvoer gelegd. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af omdat de intrekking van de asielaanvraag pas rechtsgeldig was na ondertekening van het formulier.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29735

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Singh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser voert aan dat hij al op 29 mei 2026 te kennen heeft gegeven zijn asielaanvraag van 20 mei 2026 in te willen trekken. Eiser heeft op die dag namelijk geweigerd om in het busje te stappen dat hem, om te worden gehoord over die asielaanvraag, van het detentiecentrum Rotterdam (DCR) naar het Justitieel Complex Schiphol (JCS) zou brengen. Ook heeft eiser die dag tegen medewerkers van de Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O) uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken. Eiser is echter pas op 1 juni 2026 daadwerkelijk in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag in te trekken door het ondertekenen van een formulier M53 (Verklaring tot intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning). Volgens eiser was echter al op
29 mei 2026 sprake van een intrekking van de asielaanvraag en om die reden had de grondslag van de bewaring uiterlijk op 31 mei 2026 moeten worden gewijzigd.
2. Voor de beantwoording van de vraag op welk moment de termijn gaat lopen voor verweerder voor de grondslagwijziging, is van belang tot welk moment eiser kon worden aangemerkt als een vreemdeling die in afwachting is van een beslissing op zijn asielaanvraag. De rechtbank vindt bij de beantwoording van deze vraag aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
13 april 2012 [1] . In die uitspraak is enerzijds geoordeeld dat een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen moet worden aangemerkt als een asielverzoek in de zin van de Procedurerichtlijn en moet worden opgevat als een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Anderzijds is geoordeeld dat uit de systematiek van de Vw, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 valt af te leiden dat de ingangsdatum van een verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet eerder kan zijn gelegen dan de dag waarop aan alle in enig wettelijk voorschrift gestelde vereisten voor het indienen van een aanvraag om een zodanige vergunning is voldaan. En verder dat de ingangsdatum van de aan de vreemdeling verleende vergunning niet eerder kan zijn gelegen dan op de datum waarop hij een M35-H formulier, het voorgeschreven model voor de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, heeft ondertekend.
3. De rechtbank acht bovengenoemde uitspraak van de Afdeling eveneens relevant voor de intrekking van een asielaanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2012 ook worden afgeleid dat de wens tot intrekking van een asielaanvraag pas voldoende kenbaar kan worden geacht op het moment dat deze buiten enige twijfel en zonder voorbehoud tot uitdrukking wordt gebracht. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2014 [2] . Ook daaruit kan worden afgeleid dat een vreemdeling, persoonlijk of via zijn raadsman en mondeling of schriftelijk, uitdrukkelijk te kennen moet geven dat hij zijn asielaanvraag wil intrekken. Naar het oordeel van de rechtbank was daar in dit geval pas sprake van op het moment dat eiser op 1 juni 2026 desgevraagd aan de regievoerder verklaarde dat hij alsnog zijn asielaanvraag wenste in te trekken, waarna hij daartoe op dezelfde datum in de gelegenheid is gesteld. Mede uit het oogpunt van rechtsbescherming kan niet eerder dan op dat moment sprake zijn van een verandering van de rechtspositie van een vreemdeling. Een mondelinge mededeling aan het personeel van DV&O acht de rechtbank onvoldoende hiertoe. Gelet op het voorgaande hoefde de grondslag van de bewaring dan ook niet eerder dan op 3 juni 2026 te worden gewijzigd.
4. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting, de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is geweest met de wet.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.