ECLI:NL:RBDHA:2026:15574

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL24.42480
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 8:72 AwbArtikel 1a VluchtelingenverdragArtikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000Artikel 15, onder c, Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering minister

Eiser, van Jemenitische nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister op 24 oktober 2024 werd afgewezen. De minister achtte de identiteit geloofwaardig, maar verwierp het asielrelaas over problemen met de Houthi's als ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd.

Eiser voerde aan dat hij vanwege zijn invloedrijke positie binnen zijn stam een reëel risico loopt bij terugkeer naar Jemen. Ter zitting en in een reactie op het verweerschrift overhandigde hij aanvullende stukken, waaronder een deskundigenbrief van een universitair hoofddocent antropologie en een document over beslaglegging op zijn woning en voertuigen.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende is ingegaan op deze nieuwe stukken en dat de deskundige niet wordt betwist in haar deskundigheid. De inhoud van het document over beslaglegging sluit aan bij het asielrelaas. Daarom is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd. De minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42480

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1965. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Op 2 mei 2026 heeft eiser een reactie op het verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij is gevlucht voor de Houthi's. Hij is afkomstig uit de provincie [provincie] . Eiser heeft zijn drie zoons geholpen om het land te ontvluchten en is vervolgens door de Houthi's benaderd. Zij wilden dat hij er voor zou zorgen dat zijn kinderen uit Europa terug zouden komen en anders zou hij zelf bij hen moeten aansluiten. Eiser is gevlucht uit angst om opgepakt te worden door de Houthi's.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst, en
- problemen met de Houthi's.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen die eiser zou hebben met de Houthi’s acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft dit namelijk niet onderbouwd met objectieve documenten. Ook vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft volgens de minister ongerijmde verklaringen afgelegd over het moment waarop de druk vanuit de Houthi’s is toegenomen. Ook heeft hij in de tussenliggende periode geen problemen ondervonden met de Houthi's en valt volgens de minister niet in te zien waarom leden van de Houthi's eiser vast zouden inlichten over een arrestatiebevel. Ook valt volgens de minister niet in te zien dat de Houthi’s eiser zouden willen arresteren omdat hij goede connecties met hen had. Verder heeft eiser volgens de minister vaag verklaard over waarom hij denkt gerekruteerd te worden door de Houthi’s als 59-jarige man.
4.1.
Het geloofwaardig geachte element maakt volgens de minister niet dat eiser kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. [2] Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade. [3] De minister neemt voor Jemen een hoge mate van willekeurig geweld aan. Eiser moet dus op basis van zijn individuele omstandigheden aannemelijk maken waarom juist hij specifiek een
reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers. Eiser is hier volgens de minister niet in geslaagd.
Eiser heeft verklaard dat hij niet kan terugkeren naar Jemen vanwege de oorlog en de onveilige situatie maar desondanks is niet gebleken dat hij in het bijzonder door de oorlog een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers. Behalve het gestelde probleem met de Houthi-beweging dat ongeloofwaardig is geacht, heeft eiser tijdens zijn verblijf in Jemen geen (andere) problemen ondervonden
4.2.
In het verweerschrift is de minister ingegaan op de uitspraak van de Afdeling [4] van 16 juli 2025 [5] , het nieuwe landgebonden asielbeleid voor Jemen [6] en de rol van humanitaire omstandigheden, de situatie in [provincie] en de individuele zaak van eiser. In [provincie] geldt volgens de minister een lager niveau van willekeurig geweld. Nu in het bestreden besluit getoetst is aan een hogere gradatie, wordt eiser volgens de minister niet in zijn belangen geschaad in het kader van de toets aan 15c [7] . Hoewel in het bestreden besluit is getoetst aan het landenbeleid van WBV 2024/9, dat ten onrechte Jemen in zijn geheel als uitgangspunt heeft genomen bij de 15c-beoordeling, blijft het uitgangspunt dat eiser met zijn individuele
omstandigheden aannemelijk dient te maken waarom hij reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Nu eiser daar niet in is geslaagd is volgens de minister op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een
verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Waarom is eiser het hier niet mee eens
5. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat de minister ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat hij bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel dat er geen sprake zou zijn van een reëel risico op ernstige schade.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn geacht. Eiser heeft verklaard dat hij een hoge en invloedrijke positie bekleedde binnen zijn stam. Hij is een
shakhsiya ijtimaiya,een ‘sociaal bekend persoon’, wiens sociale positie zeer dichtbij dat van het stamhoofd staat. Dit is door de minister niet betwist en de rechtbank gaat er dan ook vanuit dat dit door de minister geloofwaardig is geacht.
6.1.
Eiser heeft op 2 mei 2026 een reactie gestuurd op het verweerschrift van de minister. Hierbij zijn meerdere bijlagen meegestuurd. Een van deze bijlagen is een brief van dr. [naam] , opgemaakt op 6 april 2026. Zij is universitair hoofddocent, werkzaam bij de afdeling Sociale en Culturele Antropologie aan de [universiteit]. Dr. [naam] schrijft in haar brief onder meer:
“Uit de beoordeling van het asielrelaas van de heer [eiser] blijkt dat de IND kennelijk onvoldoende op de hoogte is van de situatie in Jemen. Als antropoloog met jarenlange onderzoekservaring in Jemen ben ik van mening dat de heer [eiser] een groot risico loopt wanneer hij naar Jemen terug wordt gestuurd.”In de brief gaat dr. [naam] onder meer in op de bijzondere sociale positie die eiser inneemt:
“Aangezien de heer [eiser] een belangrijke positie inneemt in het tribale systeem in Jemen, namelijk de positie van shakhsiya ijtimaiya (een positie die vergelijkbaar is met die van “vice” sheikh), loopt hij groot gevaar.”.
6.2.
Verder is als bijlage 9 een (vertaald) document overgelegd dat is opgemaakt op
6 januari 2025. Het betreft een document afkomstig van de openbare autoriteit voor het welzijn van families van martelaars en strijders van de Jemenitische revolutie. In dit document wordt de rechtbank verzocht onmiddellijk beslag te leggen op de woning en de voertuigen van eiser. Hierbij wordt als onderbouwing gegeven dat eiser geweigerd heeft zijn nationale plicht uit te voeren om openbare instanties te ondersteunen en versterken en een bijdrage te leveren aan zijn invloedrijke positie in zijn stam en gouvernement en daarnaast leden van zijn gezin en andere leden van zijn stam heeft geholpen Jemen te ontvluchten en hun nationale plicht te ontduiken. De rechtbank stelt vast dat de inhoud van dit document overeen komt met hetgeen door eiser is verklaard, namelijk dat hem wordt verweten dat hij leden van zijn gezin heeft geholpen Jemen te ontvluchten.
6.3.
Op de zitting heeft de rechtbank aan de minister gevraagd een standpunt in te nemen met betrekking tot de op 2 mei 2026 door eiser overgelegde stukken. Met betrekking tot de brief geschreven door dr. [naam] heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat dr. [naam] er van uit lijkt te gaan dat het asielrelaas van eiser geloofwaardig is. Het is daarom volgens hem logisch dat zij tot een andere risico inschatting komt. Verder is het volgens de gemachtigde een korte verklaring die niet onderbouwde stellingen bevat. Er wordt geen verwijzing gemaakt naar landeninformatie waaruit blijkt dat eisers specifieke sociale status maakt dat de Houthi’s hem meer in het vizier hebben. De minister stelt zich daarom op het standpunt dat alleen deze summiere verklaring onvoldoende is om de besluitvorming niet te kunnen handhaven.
Met betrekking tot het document dat gaat over de inbeslagname van eisers woning en voertuigen heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat dit document kan kloppen bij eisers relaas. Wel vraagt de gemachtigde zich af waarom het pas zo laat is overgelegd. Ook beschikt eiser niet over een originele versie en dus kan Bureau Documenten niet of nauwelijks onderzoek doen naar de authenticiteit.
Eiser heeft tijdens zijn procedure eerder documenten overgelegd, maar dit is volgens de gemachtigde het eerste document dat echt zou kunnen passen bij de gestelde problemen.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde van de minister met bovenstaande reactie onvoldoende is ingegaan op de op 2 mei 2026 door eiser ingebrachte stukken.
Dr. [naam] schrijft dat eiser in Jemen gevaar loopt omdat hij de positie van
shakhsiya ijtimaiyainneemt. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 6. is overwogen, heeft de minister niet ongeloofwaardig geacht dat eiser inderdaad deze positie bekleedde. Wel heeft de minister in het bestreden besluit aangegeven dat eisers standpunt dat hij vanwege deze positie van grote interesse is voor de Houthi’s niet wordt gevolgd. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat hij in de verklaring van dr. [naam] verwijzingen naar landeninformatie mist. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van de minister niet de deskundigheid van dr. [naam] betwist maar documentatie die haar standpunt onderbouwd mist. Nu niet getwijfeld wordt aan de deskundigheid van dr. [naam] en zij bovendien in haar brief heeft aangeven dat zij bereid is een toelichting te geven, kan aan haar verklaring naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer voorbij worden gegaan.
Met betrekking tot het document dat gaat over de inbeslagname van eisers woning en voertuigen stelt de rechtbank vast dat de inhoud van dit document overeenkomt met hetgeen door eiser is verklaard, namelijk dat hem wordt verweten dat hij leden van zijn gezin heeft geholpen Jemen te ontvluchten. Verder blijkt hieruit dat eiser hiermee heeft geweigerd zijn nationale plicht uit te voeren en dat dit reden is geweest om zijn woning en auto’s in beslag te nemen. Verder merkt de rechtbank op dat uit de Werkinstructie volgt dat (ook) kopieën betrokken kunnen worden bij de geloofwaardigheidstoets. [8] Verder heeft de gemachtigde van de minister ter zitting erkend dat dit document past bij het asielrelaas van eiser. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gemachtigde van de minister met zijn toelichting ter zitting onvoldoende is ingegaan op de inhoud van dit document. Dat het document is opgemaakt op 6 januari 2025 en pas op 2 mei 2026 is overgelegd, maakt dit niet anders.
Met betrekking tot beide stukken is daarom naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom deze geen reden zijn voor een ander oordeel over het asielrelaas van eiser, nu de stukken de door eiser gestelde vrees onderbouwen.
6.5.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren.
De overige gronden van beroep zullen daarom niet verder besproken worden.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 oktober 2024;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Timmerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, artikel 1a.
3.Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000.
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.WBV 2025/20.
7.Artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU).
8.WI 2024/6, paragraaf 4.1.