Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15604

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL25.4815 en NL25.4816
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1F VluchtelingenverdragArt. 3 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onzorgvuldige motivering artikel 1F en artikel 3 EVRM beoordeling

Eiser, een Eswatinische nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wegens vermeende betrokkenheid bij ernstige niet-politieke misdrijven tijdens operaties van de SISF.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitging van eisers oorspronkelijke verklaringen over zijn deelname aan drie operaties, maar dat alleen de gedragingen bij de eerste operatie als ernstige niet-politieke misdrijven kunnen worden aangemerkt. Voor de tweede en derde operatie ontbrak een zorgvuldige en gemotiveerde beoordeling, met name ten aanzien van de predominantietest voor brandstichting en de kwalificatie van poging tot doodslag en zware mishandeling.

Daarnaast heeft eiser voldoende aannemelijk gemaakt dat de SISF achter hem aanzit, maar de minister heeft onvoldoende onderzocht of de Eswatinische autoriteiten bescherming kunnen bieden, wat relevant is voor de beoordeling onder artikel 3 EVRM Pro.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.4815 (beroep) en NL25.4816 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser,

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigden: mr. M.J. Vetzo en mr. J. de Kort).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Kort gezegd is de aanvraag afgewezen omdat er volgens de minister ernstige redenen zijn om te vermoeden dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag [2] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. Daarnaast beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Daarna staat onder 3 het asielrelaas van eiser. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op een aantal formele punten. Daarna beantwoordt de rechtbank de vraag of artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag terecht aan eiser is tegengeworpen. Tot slot zal de rechtbank ingaan op het beroep van eiser op artikel 3 van Pro het EVRM [3] . Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1994 en is van Eswatinische nationaliteit. Hij heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 januari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. In het bestreden besluit zijn ook een terugkeerbesluit naar Eswatini en Taiwan en een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser uitgevaardigd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van de minister en R. Lacin als tolk in de Engelse taal.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas en het besluit
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft in 2021 deelgenomen aan de demonstraties tegen koning Mswati III, die al jaren de absolute macht heeft in Eswatini. Deze demonstraties zijn hardhandig neergeslagen. Rond deze demonstraties ontmoette eiser [naam], die hem rekruteerde voor de SISF [4] . Eiser heeft vervolgens deelgenomen aan drie operaties van de SISF. Tijdens één van deze operaties heeft hij brandbommen gegooid naar een autobedrijf. Bij de andere twee operaties heeft eiser politieterreinen verkend en informatie over politieagenten doorgegeven aan anderen van de SISF. De auto’s van deze politieagenten zijn in brand gestoken. Ook is één van de politieagenten mishandeld.
Eiser is in april/mei 2022 opgepakt door de politie vanwege zijn deelname aan de demonstraties. Eiser is mishandeld om hem te dwingen de namen van andere demonstranten te noemen. Dat heeft hij uiteindelijk ook gedaan. Vervolgens is hij vrijgelaten. De politie zocht hem ook na zijn vrijlating, omdat zij meer informatie wilde. Maar ook de SISF zat achter eiser aan vanwege het vermoeden dat eiser met de politie samenwerkte. Eiser is tot in november 2024 door de SISF bedreigd via berichten en telefoontjes. In 2022 is eiser thuis aangevallen en in elkaar geslagen. Ook is vee van zijn familie gedood als waarschuwing richting eiser. Eiser heeft hiervan aangifte gedaan, maar de politie heeft niets gedaan met zijn aangifte. Eiser heeft een tijdlang afwisselend in Zuid-Afrika en Eswatini verbleven om problemen te voorkomen, maar uiteindelijk heeft hij toch besloten om te vertrekken.
4. De minister werpt eiser – kort gezegd – tegen dat hij in verband wordt gebracht met het plegen van brandstichting, (zware) mishandeling en poging doodslag. Volgens de minister zijn dit ernstige niet-politieke misdrijven zoals bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Eiser wordt om deze reden aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde en daarom is zijn aanvraag onder verwijzing naar artikel 30b, eerste lid, onder j, als kennelijk ongegrond afgewezen. Om diezelfde reden is een inreisverbod van tien jaar uitgevaardigd. De minister verwijst naar het beleid, zoals opgenomen in paragraaf C2/7.10 van de Vc 2000 [5] .
Mocht de minister uitgaan van eisers verklaringen?
5. De minister is bij de kwalificatie van eisers gedragingen als misdrijven als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, uitgegaan van de verklaringen die eiser in het nader gehoor heeft afgelegd over zijn deelname aan de drie operaties van de SISF.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de minister niet ten onrechte van deze verklaringen in het nader gehoor uitgegaan bij de beoordeling of eiser betrokken was bij misdrijven zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft in zijn nader gehoor namelijk concreet en consistent verklaard over zijn betrokkenheid bij drie operaties van de SISF. Daarom is er geen reden om niet van de juistheid van deze verklaringen uit te gaan. Eiser heeft vervolgens in zijn correcties en aanvullingen de inhoud van zijn eerdere verklaringen wezenlijk aangepast. Het gaat hier namelijk niet om correcties en aanvullingen op de eerdere verklaringen maar om geheel andersluidende verklaringen. De minister heeft deze daarom niet ten onrechte aangemerkt als pogingen om eisers kennis van en aandeel in de operaties te bagatelliseren. Om deze reden hoefde de minister de correcties en aanvullingen niet bij zijn oordeel te betrekken en mocht hij uitgaan van de oorspronkelijke verklaringen van eiser over zijn deelname aan de operaties van de SISF.
5.2.
Eiser heeft verder aangevoerd dat de minister niet zou mogen uitgaan van de oorspronkelijke verklaringen van eiser omdat er geen ondersteunend bewijs is voor deze verklaringen in andere bronnen. Deze beroepsgrond faalt. De minister mag uitgaan van de geloofwaardigheid van de verklaringen van een vreemdeling, zeker als ze zoals in dit geval concreet en consistent zijn. Dat dit niet zou mogen zonder steunbewijs, volgt niet uit de relevante wet- en regelgeving.
5.3.
Daarnaast heeft eiser betoogd dat er in zijn geval een aanvullend gehoor had moeten plaatsvinden door de gespecialiseerde 1F-unit van de IND [6] . Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens de Afdeling [7] is er geen rechtsregel die verplicht tot het houden van een 1F-gehoor door een gespecialiseerde unit, zolang de minister zich maar voldoende voorgelicht acht [8] . Gelet op de al beoordeelde concrete en consistente verklaringen in het nader gehoor, heeft de minister die conclusie kunnen trekken en is het besluit niet om die reden onrechtmatig.
Is sprake van ernstige niet-politieke misdrijven?
6. Vervolgens is het de vraag of de minister eisers betrokkenheid bij de drie operaties van de SISF zoals door hem verklaard in het nader gehoor, terecht heeft aangemerkt als ernstige niet-politieke misdrijven.
6.1.
Bij de eerste operatie van de SISF waar eiser bij betrokken was, heeft hij brandbommen gegooid naar een autobedrijf. Daarbij zijn auto’s verbrand en ook mensen gewond geraakt. De minister heeft deze gedragingen van eiser gekwalificeerd als poging tot doodslag, zware mishandeling en brandstichting.
6.1.1.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen die eiser worden tegengeworpen in het kader van deze eerste operatie, kunnen worden gekwalificeerd als poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling en brandstichting, gelet op de omschrijving van de gedragingen zoals eiser die heeft gegeven in het nader gehoor. Uit het feit dat er mensen gewond zijn geraakt, kan immers worden afgeleid dat zij in de buurt stonden van de plek waar de brandbom is afgegaan. Daarmee bestond aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat zij zouden komen te overlijden. Voor een kwalificatie tot zware mishandeling is echter onvoldoende bewijs, omdat eiser alleen verklaart dat er gewonden zijn gevallen en niets zegt over enig zwaar lichamelijk letsel.
6.1.2.
Verder is niet is in geschil dat in ieder geval de poging tot doodslag en de poging tot zware mishandeling zijn aan te merken als zogenaamde absolute niet-politieke misdrijven, met andere woorden misdrijven die onder geen beding als politiek kunnen worden aangemerkt en die dus in het kader van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan een vreemdeling kunnen worden tegengeworpen. Dat volgt ook met zoveel woorden uit paragraaf C2/7.10.7.2.2 van de Vc 2000 en het Statuut van Rome [9] .
6.1.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ook de brandstichting in dit geval kunnen aanmerken als ernstig en niet-politiek van karakter. Brandstichting is op zichzelf een misdrijf dat een politiek karakter kan hebben. Om een misdrijf als politiek misdrijf aan te merken dat niet kan worden tegengeworpen in het kader van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Dit wordt ook wel de predominantietest genoemd. Het gaat om de volgende cumulatieve voorwaarden [10] :
- er is een direct verband tussen het door de vreemdeling gepleegde misdrijf en de door hem aangehaalde politieke doelstelling;
- het door de vreemdeling gepleegde misdrijf is een effectief middel om de door hem aangehaalde politieke doelstelling te realiseren;
- de vreemdeling staat niet een meer vreedzaam alternatief ter beschikking; en
- het door de vreemdeling gepleegde misdrijf staat in een redelijke verhouding tot het door hem nagestreefde doel.
In dit geval wordt in ieder niet voldaan aan de derde en de vierde voorwaarde. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij zich realiseerde dat er slachtoffers konden vallen maar dat hij dit voor lief heeft genomen. Niet valt in te zien waarom er in dit geval geen vreedzamere alternatieven voor handen waren, waar het risico op slachtoffers kleiner zou zijn. Het grote risico op gewonden en zelfs doden, maakt bovendien dat het misdrijf niet in redelijke verhouding staat tot het nagestreefde doel.
6.2.
Bij de tweede operatie van de SISF waarbij eiser betrokken was, moest eiser een rode Volkswagen Polo van een agent die tijdens de eerdere demonstraties had geschoten op demonstranten in de gaten houden op het kazerneterrein van de politie. Hij vond een gat in de omheining, identificeerde de woning van deze agent en koppelde deze informatie terug aan de SISF. Vervolgens is deze auto opgeblazen. De minister heeft dit gekwalificeerd als brandstichting en poging tot doodslag.
6.2.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen niet zonder meer kunnen worden aangemerkt als poging tot doodslag. Er zijn namelijk onvoldoende feiten bekend om tot deze vaststelling te komen. Zo is niet bekend of de betreffende politieagent of anderen in de buurt van de auto waren toen deze is opgeblazen. Volgens eisers verklaringen is de agent in ieder geval niet gedood en ook niet gewond geraakt. De minister heeft ook niet verder doorgevraagd naar verdere details over deze operatie. De minister heeft dus niet zonder meer kunnen concluderen dat sprake was van een poging tot doodslag. Op dat onderdeel is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.
6.2.2.
Wel kan uit de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor worden opgemaakt dat sprake is geweest van brandstichting. Zoals al eerder is overwogen is brandstichting echter geen absoluut niet-politiek misdrijf. Brandstichting kan een politiek karakter hebben en om die reden buiten de werkingssfeer van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen. In dit geval zijn er naar het oordeel van de rechtbank te weinig feiten bekend rondom deze operatie om te kunnen vaststellen tot welke uitkomst de predominantietest moet leiden. De minister heeft op grond van de wel bekende feiten ten onrechte vastgesteld dat deze brandstichting kan worden aangemerkt als een ernstig niet-politiek misdrijf. Het besluit is ook op dit onderdeel onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.
6.3.
Bij de derde operatie van de SISF waar eiser aan heeft meegedaan, moest hij opnieuw op een kazerneterrein de auto van een agent traceren. Ook deze agent had geschoten op demonstranten. Hij ontdekte dat hij in een Alteza reed. Deze agent is later in een bar aangevallen. Ook zijn auto is in brand gestoken. De minister heeft deze gedragingen gekwalificeerd als poging tot doodslag, zware mishandeling en brandstichting.
6.3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het in brand steken van de auto wederom niet zonder meer kan worden aangemerkt als poging tot doodslag. Voor die conclusie is gewoonweg onvoldoende feitelijke informatie voorhanden, onder meer over de aanwezigheid van de betreffende agent of anderen ten tijde van de brandstichting. Ook kan niet worden vastgesteld dat eiser betrokken is geweest bij zware mishandeling. Eiser heeft namelijk alleen verklaard dat de betreffende agent in elkaar is geslagen. Voor de conclusie dat sprake is van zware mishandeling zijn echter onvoldoende feitelijke aanknopingspunten. Hiervoor moet immers sprake zijn van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, bijvoorbeeld in de vorm van blijvend letsel of langdurige invaliditeit. Daar heeft eiser niet over verklaard en de minister ook niet over doorgevraagd. Dat betekent dat hoogstens kan worden vastgesteld dat sprake is van mishandeling en dat is een misdrijf dat wel degelijk een politiek karakter kan hebben. De minister kon de mishandeling dan ook niet zonder een predominantietest aan artikel 1F ten grondslag leggen. Ook op dit onderdeel is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.
6.3.2.
Ook bij deze derde operatie is wel sprake geweest van brandstichting. Maar ook hier geldt dat er te weinig feiten bekend zijn rondom de operatie om te kunnen vaststellen tot welke uitkomst de predominantietest zou moeten leiden. De minister heeft op grond van de welbekende feiten ook ten aanzien van deze brandstichting ten onrechte vastgesteld dat deze kan worden aangemerkt als een ernstig niet-politiek misdrijf. Het besluit is op dit onderdeel onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.
6.4.
Gelet op het voorgaande zijn alleen eisers gedragingen bij de eerste operatie relevant in het kader van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Van de overige gedragingen heeft de minister onvoldoende zorgvuldig onderzocht en gemotiveerd dat ze aan te merken zijn als ernstige niet-politieke misdrijven als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag.
Is artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag terecht tegengeworpen aan eiser?
7. Vervolgens is de vraag of eiser ook persoonlijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn gedragingen, de zogenaamde ‘personal and knowing participation’-test. De minister heeft terecht geconcludeerd dat dit het geval is. Eiser heeft de misdrijven zelf gepleegd. Hij heeft de brandbommen zelf gegooid. Daarmee is sprake van ‘personal participation’. Bovendien wist hij ook dat het hier om misdrijven ging als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft in het nader gehoor duidelijk verklaard dat hij zich realiseerde wat de gevolgen van zijn handelen waren. Hij wist dat er mensen in de nabije omgeving waren toen hij de brandbommen gooide en heeft het risico op gewonden voor lief genomen. Daarmee is ook sprake van ‘knowing participation’.
7.1.
Eiser heeft in dit kader nog aangevoerd dat hij zich relatief snel aan de SISF heeft onttrokken ondanks de gevaren die dit met zich bracht. Hij heeft ook spijt betuigt. Eiser meent dat daar ten onrechte geen betekenis aan is toegekend. Deze beroepsgrond faalt. Zoals ook door de minister is aangevoerd, heeft eiser vanuit overtuiging deelgenomen aan de operaties van de SISF en was er van dwang geen sprake. Eiser heeft dan ook een eigen verantwoordelijkheid voor zijn deelname aan deze operaties. Dat hij op een gegeven moment heeft besloten de SISF de rug toe te keren en inmiddels spijt heeft van zijn handelen doet aan die verantwoordelijkheid niet af. De voorlopige conclusie is dan ook dat de minister in beginsel niet ten onrechte artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft tegengeworpen ondanks meerdere zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken.
Heeft eiser te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM?
8. Eiser heeft tot slot nog een beroep gedaan op artikel 3 van Pro het EVRM. Hij stelt zowel van de politie als van de SISF te vrezen te hebben.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op standpunt gesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling van de kant de politie. Hoewel hij in 2022 een keer is mishandeld door de politie, maakt dat nog niet dat hij ook in de toekomst een nieuwe schending van artikel 3 van Pro het EVRM heeft te vrezen. Daarbij is van belang dat eiser – blijkens een door hemzelf overgelegd document – niet strafrechtelijk wordt vervolgd. Hij is na zijn eerdere detentie en mishandeling ook veelvuldig met de politie in aanraking geweest zonder slecht te zijn behandeld en hij is meerdere malen legaal en zonder problemen het land in- en uitgereisd. Ook heeft de Eswatinische politie zijn aangifte in behandeling genomen en doen ze onderzoek naar de gestelde bedreigingen aan zijn adres.
8.2.
Met betrekking tot de vrees voor de SISF oordeelt de rechtbank als volgt. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrees voor de SISF met name is gebaseerd op vermoedens en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de autoriteiten eiser niet zouden kunnen of willen beschermen. De rechtbank volgt dit niet. De rechtbank stelt vast dat de minister de geloofwaardigheid van eisers relaas niet heeft betwist. Gelet op wat eiser heeft verklaard over zijn contacten met de politie over de SISF en zijn aangifte, heeft eiser op zijn minst een begin van bewijs geleverd dat de SISF achter hem aan zit. Dan is het vervolgens aan de minister om te onderzoeken of de autoriteiten in het algemeen bescherming kunnen bieden tegen de SISF, gebaseerd op algemene informatie uit objectieve bronnen. Daarbij zal aandacht moeten worden besteed aan de mededeling van eiser dat de SISF geïnfiltreerd is in alle lagen van de politie. Dat kan immers van invloed zijn op de mogelijkheden om daadwerkelijk de bescherming van de politie te kunnen inroepen in het geval de vrees van de kant van de SISF komt. De minister heeft een dergelijke beoordeling niet verricht. Daarmee is het besluit op dit onderdeel onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. De minister zal een nieuwe beoordeling in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM moeten verrichten en daarbij in het bijzonder moeten betrekken of, en zo ja in hoeverre, de Eswatinische autoriteiten bescherming kunnen bieden tegen de SISF.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
9.2.
Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe om de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In dit geval is er geen aanleiding om de voorziening toe wijzen, nu bij uitspraak van heden wordt beslist op het beroep.
9.3.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.802,- (1 punt voor het indien van een beroepschrift, 1 punt voor het indien van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL25.4815:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 28 januari 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.4816:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzitter/voorzieningenrechter, en
mr. N. Boonstra en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van L. Fernandez Ferreiro, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, 28 juli 1951.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Swaziland International Solidarity Forces.
5.Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Immigratie- en Naturalisatiedienst.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3833.
9.Artikel 8, aanhef en tweede lid, onder a, aanhef en sub iii, van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998.
10.Zie paragraaf C2/7.10.7.2.1 van de Vc 2000.