ECLI:NL:RBDHA:2026:15605
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkheid beroep asielaanvraag wegens prematuur ingebrekestelling
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het verzet van een opposant tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 november 2025, waarin het beroep op de asielaanvraag niet-ontvankelijk werd verklaard wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling.
De opposant had de minister op 2 september 2025 in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 16 oktober 2023. De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling prematuur was en verklaarde het beroep zonder zitting niet-ontvankelijk. De opposant betwistte dit en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte jurisprudentie toepaste die niet op asielprocedures ziet en dat het Unierecht, met name artikel 31 lid 5 van Pro Richtlijn 2013/32/EU, voorgaat op nationaal recht.
De rechtbank concludeert dat het eerdere oordeel niet buiten redelijke twijfel stond, omdat onvoldoende rekening is gehouden met het Unierechtelijke kader en relevante jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. Het verzet wordt daarom gegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze procedure inhoudelijk op het beroep te beslissen, omdat een nieuw besluit is genomen waartegen een inhoudelijk beroep loopt.
De uitspraak is gedaan door rechter F. Sijens en griffier A.W. Landman en is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzet gegrond en herroept de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op de asielaanvraag.