ECLI:NL:RBDHA:2026:15683

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/09/701192 / KG ZA 26-259
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:393 BWArt. 2.91 Aw 2012Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet voldoen aan geschiktheidseis accountantsverklaring bij aanbesteding

Babbage Company B.V. heeft deelgenomen aan een Europese aanbestedingsprocedure van de Staat voor communicatiecapaciteit 2026, verdeeld in drie percelen. Voor Perceel 1 en 2 werd Babbage als beste inschrijver aangewezen, maar de Staat verklaarde de inschrijvingen ongeldig vanwege het ontbreken van een accountantsverklaring met goedkeurende strekking, zoals vereist in de aanbestedingsstukken.

Babbage had een accountantsverklaring met oordeelonthouding ingediend en voerde aan dat deze verklaring, samen met een toelichting van de accountant, voldeed aan de geschiktheidseis. Tevens stelde Babbage dat de Staat onterecht een strengere eis stelde dan in de aanbestedingsstukken was vermeld en dat de verklaring als alternatief bewijs had moeten worden geaccepteerd.

De rechtbank oordeelde dat de geschiktheidseis ondubbelzinnig voorschreef dat een accountantsverklaring met goedkeurende strekking moest worden ingediend. De door Babbage ingediende verklaring met oordeelonthouding voldeed hier niet aan. Ook was niet aannemelijk dat het voor Babbage objectief onmogelijk was een goedkeurende verklaring te verkrijgen, zodat de Staat niet verplicht was de verklaring als alternatief bewijs te accepteren.

De vorderingen van Babbage werden afgewezen. OnlyHuman, die was toegelaten als tussenkomende partij, had geen belang meer bij haar vorderingen en deze werden eveneens afgewezen. Babbage werd veroordeeld in de proceskosten van zowel de Staat als OnlyHuman.

Uitkomst: De vorderingen van Babbage worden afgewezen wegens het niet voldoen aan de geschiktheidseis van een accountantsverklaring met goedkeurende strekking.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/701192 / KG ZA 26-259
Vonnis in kort geding van 3 juni 2026
in de zaak van
BABBAGE COMPANY B.V.te Utrecht,
eiseres,
advocaten mr. C.R.V. Lagendijk en mr. A.F. de Jong, beiden te Rotterdam,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN ALGEMENE ZAKEN, AGENTSCHAP DIENST PUBLIEK EN COMMUNICATIE (DPC))te Den Haag,
gedaagd,
advocaten mr. D. Wolters Rückert en mr. A.P.M. Waaijer, beiden te Den Haag,
waarin is tussengekomen:
ONLYHUMAN B.V.te Den Haag,
advocaat mr. C.A.M. Lombert-Buisman te Rijswijk.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Babbage’, ‘de Staat ’ en ‘OnlyHuman’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 maart 2026, met producties 1 tot en met 10;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst, althans voeging, met productie 1;
- de conclusie van antwoord, met productie 1.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 13 mei 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van Babbage en OnlyHuman het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.
1.3.
Tijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.

2.Het incident tot tussenkomst (althans voeging)

2.1.
OnlyHuman heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Babbage en de Staat, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Staat. Ter zitting hebben Babbage en de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. OnlyHuman is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
Op 1 oktober 2025 heeft de Staat (het Agentschap Dienst Publiek en Communicatie (DPC)) een Europese openbare aanbestedingsprocedure aangekondigd voor de opdracht
“Inhuur communicatiecapaciteit 2026”, hierna ‘de opdracht’. De opdracht is onderverdeeld in drie percelen: Perceel 1 Communicatieprofessionals, Perceel 2 (Web)redactieprofessionals en Perceel 3 Woordvoerders en persvoorlichters. Per perceel zal een raamovereenkomst worden gesloten.
3.2.
De aanbestedingsprocedure is nader omschreven in het Beschrijvend document van 13 november 2025, hierna ‘het Beschrijvend document’. Verder is in een tweetal Nota’s van Inlichtingen antwoord gegeven op vragen van potentiële inschrijvers.
3.3.
In paragraaf 3.2. van het Beschrijvend document is vermeld dat geschiktheidseisen worden gesteld om te bepalen of de inschrijver geschikt is om de opdracht uit te voeren. Daarbij is toegelicht dat een inschrijving ongeldig is als niet aan de geschiktheidseisen wordt voldaan en dat de inschrijver bij ongeldigheid wordt uitgesloten van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure. Met betrekking tot de geschiktheidseis met betrekking tot financiële en economische draagkracht is in paragraaf 3.2. van het Beschrijvend document opgenomen:
3.4.
Bij hun inschrijving konden de inschrijvers volstaan met het indienen van de in het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) opgenomen verklaring dat aan de geschiktheidseisen wordt voldaan. Vervolgens moesten de winnende inschrijvers op grond van paragraaf 6.11. van het Beschrijvend document
“Verificatie gegevens Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA)”) voor zover in deze procedure van belang binnen vijf werkdagen
“Een kopie van de laatst afgegeven accountantsverklaring, beoordelingsverklaring of samenstellingsverklaring waaruit blijkt dat deze geen zogenoemde ‘continuïteitsparagraaf’ bevat.”indienen. Verder is in paragraaf 6.11. van het Beschrijvend document onder meer vermeld:
3.5.
Met betrekking tot de in te dienen bewijsstukken heeft een van de inschrijvers (niet Babbage) een vraag gesteld (vraag 9 in de tweede Nota van Inlichtingen), waarbij is verwezen naar Bijlage K, die moest worden ingediend als een inschrijver voor wat betreft de geschiktheidseisen een beroep wilde doen op een derde. Het antwoord op die vraag luidt als volgt:
3.6.
Op 22 december 2026 heeft Babbage voor de drie percelen van de opdracht een inschrijving ingediend.
3.7.
Bij brieven van 6 februari 2026 heeft de Staat voor wat betreft Perceel 1 en Perceel 2 van de opdracht aan Babbage meegedeeld dat haar inschrijving de beste prijs-kwaliteitverhouding heeft en op de eerste plaats is geëindigd, zodat de Staat voornemens is de raamovereenkomsten aan Babbage te gunnen. Daarbij is Babbage verzocht om uiterlijk op 13 februari 2026 onder meer het volgende bewijsstuk aan te leveren:
3.8.
Babbage heeft op 12 februari 2026 onder meer een kopie van de accountantsverklaring met betrekking tot de controle van de jaarrekening over 2024 aan de Staat toegestuurd. Die verklaring luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
(…)
3.9.
Bij brief van 17 februari 2026 heeft de Staat aan Babbage meegedeeld dat de door Babbage overgelegde accountantsverklaring met oordeelonthouding niet kwalificeert als een accountantsverklaring met goedkeurende strekking, zoals is voorgeschreven in de gestelde geschiktheidseis. De Staat heeft daarbij vermeld voornemens te zijn om de inschrijvingen van Babbage voor Perceel 1 en Perceel 2 ongeldig te verklaren. In de brief is verder opgenomen:
3.10.
Op 20 februari 2026 heeft Babbage schriftelijk gereageerd op de in 3.9. genoemde brief van de Staat. Daarbij heeft Babbage (samengevat) meegedeeld dat zij wel voldoet aan de geschiktheidseis met betrekking tot de financiële en economische draagkracht. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft Babbage een schriftelijke toelichting van haar accountant overgelegd, waarin voor zover hier van belang het volgende is opgenomen:
(…)
(…)
Aan het slot van die toelichting geeft de accountant een samenvatting, waarin voor zover hier van belang is vermeld
“Er is geen sprake van een afkeurende controleverklaring;.
3.11.
Bij brieven van 23 februari 2026 heeft de Staat aan Babbage meegedeeld dat naar aanleiding van de verificatie van de door Babbage aangeleverde bewijsstukken is vastgesteld dat de inschrijvingen van Babbage voor Perceel 1 en Perceel 2 niet voldoen aan de geschiktheidseis inzake financiële en economische draagkracht, dat deze ongeldig worden verklaard en dat Babbage van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure wordt uitgesloten. In Bijlage 1 bij die brief heeft de Staat zijn oordeel gemotiveerd. Daarbij is onder meer opgenomen:
De brieven van 23 februari 2026 worden hierna aangeduid als ‘de herziene gunningsbeslissingen’.

4.Het geschil

4.1.
Babbage vordert – zakelijk weergegeven –
primairde Staat te verbieden de opdrachten op basis van de herziene gunningsbeslissingen te gunnen en de Staat te gebieden om de herziene gunningsbeslissingen in te trekken, om de door Babbage aangeleverde accountantsverklaring en de toelichting daarop te beoordelen met inachtneming van dit vonnis en om ter zake van de opdrachten nieuwe, adequaat gemotiveerde gunningsbeslissingen te nemen, waarbij andermaal een voornemen tot gunning van de opdrachten ten gunste van Babbage wordt uitgesproken en waarbij een termijn voor effectieve rechtsbescherming wordt geboden.
Subsidiairvordert Babbage, voor zover zou blijken dat de aanbestedingsprocedure niet tot een rechtmatige gunning van de opdrachten kan leiden, de Staat te verbieden om de opdrachten op basis van de herziene gunningsbeslissingen te gunnen en de Staat te gebieden om de herziene gunningsbeslissingen in te trekken en om, voor zover de Staat de opdrachten nog wenst te gunnen, de Staat te gebieden om de opdrachten opnieuw aan te besteden.
Primair en subsidiairvordert Babbage om dwangsommen aan de op te leggen verboden en geboden te verbinden en om de Staat te veroordelen in de proceskosten en de nakosten,
4.2.
Daartoe stelt Babbage – samengevat – het volgende. De Staat heeft de inschrijvingen van Babbage ten onrechte terzijde gelegd. Het standpunt van de Staat dat Babbage met de ingediende accountantsverklaring en de toelichting daarop niet heeft aangetoond dat zij voldoet aan de gestelde geschiktheidseis met betrekking tot de financiële en economische draagkracht is feitelijk en juridisch onjuist. De Staat heeft als bewijs dat wordt voldaan aan die geschiktheidseis gevraagd om een kopie van de laatst afgegeven accountantsverklaring waaruit blijkt dat deze geen continuïteitsparagraaf bevat en die heeft Babbage ingediend. In de herziene gunningsbeslissingen heeft de Staat opeens vermeld dat een controleverklaring met goedkeurende strekking, zonder zogenoemde continuïteitsparagraaf, moet worden overgelegd. Daarmee stelt de Staat een strengere eis dan in de aanbestedingsstukken bekend is gemaakt. De Staat handelt dan ook in strijd met de aanbestedingsrechtelijke beginselen van gelijkheid, transparantie en proportionaliteit, in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en onrechtmatig ten opzichte van Babbage. Bij het voorgaande komt nog dat de accountant van Babbage in de toelichting op de accountantsverklaring uitdrukkelijk heeft verklaard dat de oordeelsonthouding alleen ziet op de volledigheid van de opbrengstverantwoording en geen verband houdt met de continuïteit van Babbage en dat in die verklaring wordt bevestigd dat geen sprake is van een afkeurende controleverklaring. In materieel opzicht voldoet Babbage dan ook aan de geschiktheidseis. Op grond van het bepaalde in artikel 2.91 lid 3 Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012) had de Staat de op 12 februari 2026 aan de Staat toegezonden kopie van de accountantsverklaring en de daarop door de accountant gegeven toelichting als alternatief bewijs moeten accepteren, omdat het voor Babbage door de oordeelonthouding van haar accountant objectief onmogelijk was om het door de Staat gevraagde bewijsstuk over te leggen.
4.3.
De conclusie van de Staat strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Babbage in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van de Staat tegen de vorderingen van Babbage zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.
4.4.
Ook de conclusie van OnlyHuman strekt tot afwijzing van de vorderingen van Babbage, met veroordeling van Babbage in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verkort weergegeven stelt zij daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van Babbage, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.
4.5.
Voor zover nodig zullen de standpunten van Babbage en de Staat met betrekking tot de vorderingen van OnlyHuman hierna worden besproken.

5.De beoordeling van het geschil

5.1.
Tussen partijen is (samengevat) in geschil of de inschrijvingen van Babbage voldoen aan de geschiktheidseis met betrekking tot de financiële en economische draagkracht en of het de Staat moet worden verboden om Perceel 1 en 2 van de opdracht op basis van de herziene gunningsbeslissingen te gunnen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Staat de inschrijvingen van Babbage terecht ongeldig heeft verklaard. Daarvoor is het volgende redengevend.
5.2.
In paragraaf 3.2. van het Beschrijvend document is met betrekking tot de geschiktheidseis
“financiële en economische draagkracht”bepaald dat de inschrijver zijn financiële- en economische draagkracht moet aantonen door middel van een controleverklaring met goedkeurende strekking van een accountant betreffende de jaarrekening over het meest recente afgesloten boekjaar, waarbij die controleverklaring géén continuïteitsparagraaf mag bevatten. De winnende inschrijvers moesten vervolgens op grond van paragraaf 6.11. van het Beschrijvend document een kopie van de laatst afgegeven accountantsverklaring, beoordelingsverklaring of samenstellingsverklaring aanleveren, waaruit blijkt dat deze geen continuïteitsparagraaf bevat.
5.3.
Anders dan Babbage heeft gesteld mocht zij gelet op de wijze waarop de geschiktheidseis is beschreven niet volstaan met het aanleveren een accountantsverklaring zonder goedkeurende strekking, ook al heeft de controlerend accountant verklaard dat er geen reden is voor het opnemen van een continuïteitsparagraaf. Babbage heeft betoogd dat in die stukken nergens is opgenomen dat een accountantsverklaring met goedkeurende strekking moest worden ingediend. Daarmee miskent Babbage dat in paragraaf 3.2. van het Beschrijvend document op ondubbelzinnige wijze is voorgeschreven met welk bewijsmiddel moet worden aangetoond dat aan de geschiktheidseis met betrekking tot financiële en economische draagkracht wordt voldaan, namelijk met een
accountantsverklaring met goedkeurende strekking. De Staat heeft er in dit verband op gewezen dat hiermee vanzelfsprekend een goedkeurende verklaring in de zin van artikel 2:393 lid 6 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bedoeld, en de voorzieningenrechter volgt de Staat daarin. In artikel 2:393 lid 6 BW Pro is bepaald dat de accountantsverklaring, waarmee de accountant een verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening geeft (artikel 2:393 lid 5 BW Pro), slechts vier vormen kent: een goedkleurende verklaring (lid 6 sub a), een verklaring met beperking (lid 6 sub b), een afkeurende verklaring (lid 6 sub c) of een verklaring van oordeelonthouding (lid 6 sub d). Aan het betoog van Babbage dat in de aanbestedingsstukken of de wet geen definitie wordt gegeven van
“controleverklaring met goedkeurende strekking”wordt tegen die achtergrond voorbijgegaan.
5.4.
Dat in paragraaf 6.11. van het Beschrijvend document is beschreven dat
“Een kopie van de laatst afgegeven accountantsverklaring, beoordelingsverklaring of samenstellingsverklaring waaruit blijkt dat deze geen zogenoemde ‘continuïteitsparagraaf’ bevat”moet worden overgelegd. Ter plekke is niet nog eens uitdrukkelijk toegevoegd dat het moet gaan om een accountantsverklaring met goedkeurende strekking. Anders dan Babbage lijkt te suggereren kon hieruit niet worden afgeleid dat het bewijsmiddel waarmee kan worden aangetoond dat is voldaan aan de geschiktheidseis, is versoepeld. Paragraaf 6.11. kan niet los worden gezien van het bepaalde in paragraaf 3.2. van het Beschrijvend document. Er is geen enkel aanknopingspunt in paragraaf 6.11. voor de stelling dat de duidelijk geformuleerde eis in paragraaf 3.2. door de Staat zou zijn losgelaten.
5.5.
Als voor Babbage – ondanks het voorgaande – toch onduidelijk was met welk bewijsstuk zij haar financiële en economische draagkracht moest aantonen, dan had zij daarover voorafgaand aan haar inschrijving vragen kunnen en moeten stellen. Vast staat dat zij dat niet heeft gedaan.
5.6.
Als antwoord op een vraag van een van de overige inschrijvers heeft de Staat in de tweede Nota van Inlichtingen nogmaals benadrukt dat de geschiktheidseis inzake financiële en economische draagkracht moet worden aangetoond conform de beschrijving van de geschiktheidseis in paragraaf 3.2. van het Beschrijvend document. Ook hiermee had voor Babbage als normaal oplettende en behoorlijk geïnformeerde inschrijver duidelijk moeten zijn dat zij een accountantsverklaring met goedkeurende strekking moest indienen. Dat de vraag in de tweede Nota van Inlichtingen betrekking had op een inschrijving waarbij een beroep werd gedaan op een derde, maakt dat niet anders.
5.7.
Vast staat dat Babbage een accountantsverklaring met oordeelonthouding heeft aangeleverd als bedoeld in artikel 2:393 lid 6 sub d BW Pro. Nu in artikel 2:393 BW Pro is bepaald dat een accountantsverklaring slechts vier vormen kent, kan de door Babbage ingediende accountantsverklaring alleen al daarom niet gelijk worden gesteld met de in artikel 2:393 lid 6 sub a genoemde Pro goedkeurende verklaring. Deze vier verklaringen sluiten elkaar immers uit. Bovendien heeft de Staat terecht uiteengezet dat de accountant door een verklaring met oordeelonthouding af te geven, heeft uitgesproken dat het onmogelijk was om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen, terwijl die informatie van materieel belang en van diepgaande invloed was, zodat daarmee de betrouwbaarheid van de jaarrekening als geheel wordt aangetast.
5.8.
Babbage heeft gesteld dat de Staat de kopie van de accountantsverklaring en de daarop door de accountant gegeven toelichting als alternatief bewijs had moeten accepteren. Volgens Babbage blijkt uit die toelichting dat de oordeelonthouding geen verband houdt met de continuïteit van Babbage en heeft de accountant de goedkeurende strekking van de verklaring in de toelichting beklemtoond. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit betoog niet worden gevolgd. Nog daargelaten dat de accountant in de gegeven toelichting (slechts) heeft vermeld dat geen sprake is van een afkeurende controleverklaring, geldt het bepaalde in artikel 2.91 lid 3 Aw 2012, waarop Babbage zich in dit verband beroept, alleen als de inschrijver om gegronde redenen niet in staat is de door de aanbestedende dienst gevraagde bewijsstukken over te leggen. Beide partijen hebben op dit punt verwezen naar uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland en van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland- West-Brabant [1] . Anders dan in die uitspraken is in de onderhavige kortgedingprocedure niet aannemelijk geworden dat het voor Babbage in objectieve zin onmogelijk was om een accountantsverklaring met goedkeurende strekking te verkrijgen. Van een gegronde reden is dan ook geen sprake. Daar komt nog bij dat de Staat voldoende heeft onderbouwd dat de door Babbage ingediende accountantsverklaring met oordeelonthouding niet geschikt is om haar financiële en economische draagkracht aan te tonen. De accountant beschikte immers over onvoldoende controle-informatie met betrekking tot de volledigheid van de omzet van Babbage, zodat het financiële resultaat en daarmee de continuïteit van Babbage niet in voldoende mate zeker zijn.
Slotsom en proceskosten
5.9.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van Babbage worden afgewezen.
5.10.
Nu de Staat voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan OnlyHuman, brengt voormelde beslissing mee dat OnlyHuman geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. OnlyHuman zal worden veroordeeld in de kosten van de Staat, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Staat als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet Babbage in haar verhouding tot OnlyHuman worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van OnlyHuman was immers te voorkomen dat de opdracht aan Babbage zou worden gegund, welk doel is bereikt. Babbage zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van OnlyHuman. Voorts zal Babbage, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat.
5.11.
De proceskosten van zowel de Staat als OnlyHuman worden begroot op:
- griffierecht
735,--
- salaris advocaat
1.177,--
- nakosten
€ 189,--
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,--
5.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst het gevorderde af;
6.2.
veroordeelt OnlyHuman voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens de Staat in de kosten van de Staat, tot dusver begroot op nihil;
6.3.
veroordeelt Babbage in de overige proceskosten van zowel de Staat als OnlyHuman, ten behoeve van ieder van hen begroot op € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Babbage niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Babbage € 98,-- extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;
6.4.
veroordeelt Babbage in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.5.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
mvt

Voetnoten

1.Voorzieningenrechter rechtbank Midden-Nederland 8 februari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023-552 en voorzieningenrechter rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6650