Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.Het incident tot tussenkomst (althans voeging)
3.De feiten
“Inhuur communicatiecapaciteit 2026”, hierna ‘de opdracht’. De opdracht is onderverdeeld in drie percelen: Perceel 1 Communicatieprofessionals, Perceel 2 (Web)redactieprofessionals en Perceel 3 Woordvoerders en persvoorlichters. Per perceel zal een raamovereenkomst worden gesloten.
“Verificatie gegevens Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA)”) voor zover in deze procedure van belang binnen vijf werkdagen
“Een kopie van de laatst afgegeven accountantsverklaring, beoordelingsverklaring of samenstellingsverklaring waaruit blijkt dat deze geen zogenoemde ‘continuïteitsparagraaf’ bevat.”indienen. Verder is in paragraaf 6.11. van het Beschrijvend document onder meer vermeld:
“Er is geen sprake van een afkeurende controleverklaring;.
4.Het geschil
primairde Staat te verbieden de opdrachten op basis van de herziene gunningsbeslissingen te gunnen en de Staat te gebieden om de herziene gunningsbeslissingen in te trekken, om de door Babbage aangeleverde accountantsverklaring en de toelichting daarop te beoordelen met inachtneming van dit vonnis en om ter zake van de opdrachten nieuwe, adequaat gemotiveerde gunningsbeslissingen te nemen, waarbij andermaal een voornemen tot gunning van de opdrachten ten gunste van Babbage wordt uitgesproken en waarbij een termijn voor effectieve rechtsbescherming wordt geboden.
Subsidiairvordert Babbage, voor zover zou blijken dat de aanbestedingsprocedure niet tot een rechtmatige gunning van de opdrachten kan leiden, de Staat te verbieden om de opdrachten op basis van de herziene gunningsbeslissingen te gunnen en de Staat te gebieden om de herziene gunningsbeslissingen in te trekken en om, voor zover de Staat de opdrachten nog wenst te gunnen, de Staat te gebieden om de opdrachten opnieuw aan te besteden.
Primair en subsidiairvordert Babbage om dwangsommen aan de op te leggen verboden en geboden te verbinden en om de Staat te veroordelen in de proceskosten en de nakosten,
5.De beoordeling van het geschil
“financiële en economische draagkracht”bepaald dat de inschrijver zijn financiële- en economische draagkracht moet aantonen door middel van een controleverklaring met goedkeurende strekking van een accountant betreffende de jaarrekening over het meest recente afgesloten boekjaar, waarbij die controleverklaring géén continuïteitsparagraaf mag bevatten. De winnende inschrijvers moesten vervolgens op grond van paragraaf 6.11. van het Beschrijvend document een kopie van de laatst afgegeven accountantsverklaring, beoordelingsverklaring of samenstellingsverklaring aanleveren, waaruit blijkt dat deze geen continuïteitsparagraaf bevat.
accountantsverklaring met goedkeurende strekking. De Staat heeft er in dit verband op gewezen dat hiermee vanzelfsprekend een goedkeurende verklaring in de zin van artikel 2:393 lid 6 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bedoeld, en de voorzieningenrechter volgt de Staat daarin. In artikel 2:393 lid 6 BW Pro is bepaald dat de accountantsverklaring, waarmee de accountant een verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening geeft (artikel 2:393 lid 5 BW Pro), slechts vier vormen kent: een goedkleurende verklaring (lid 6 sub a), een verklaring met beperking (lid 6 sub b), een afkeurende verklaring (lid 6 sub c) of een verklaring van oordeelonthouding (lid 6 sub d). Aan het betoog van Babbage dat in de aanbestedingsstukken of de wet geen definitie wordt gegeven van
“controleverklaring met goedkeurende strekking”wordt tegen die achtergrond voorbijgegaan.
“Een kopie van de laatst afgegeven accountantsverklaring, beoordelingsverklaring of samenstellingsverklaring waaruit blijkt dat deze geen zogenoemde ‘continuïteitsparagraaf’ bevat”moet worden overgelegd. Ter plekke is niet nog eens uitdrukkelijk toegevoegd dat het moet gaan om een accountantsverklaring met goedkeurende strekking. Anders dan Babbage lijkt te suggereren kon hieruit niet worden afgeleid dat het bewijsmiddel waarmee kan worden aangetoond dat is voldaan aan de geschiktheidseis, is versoepeld. Paragraaf 6.11. kan niet los worden gezien van het bepaalde in paragraaf 3.2. van het Beschrijvend document. Er is geen enkel aanknopingspunt in paragraaf 6.11. voor de stelling dat de duidelijk geformuleerde eis in paragraaf 3.2. door de Staat zou zijn losgelaten.