Mevrouw, een van de erfgenamen van een in Nederland overleden erflaatster, ontving een belaste verkrijging maar beschikte niet over een burgerservicenummer (BSN) ten tijde van de aangifte erfbelasting. De Belastingdienst bracht belastingrente in rekening over de periode dat de aangifte te laat werd ingediend, mede veroorzaakt door de lange procedure om een BSN te verkrijgen via de Nederlandse ambassade in Nieuw-Zeeland.
De erfgenaam maakte bezwaar tegen de belastingrente, stellende dat de BSN-eis onredelijk was en dat de Belastingdienst geen alternatief bood ondanks herhaalde verzoeken. De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst onzorgvuldig had gehandeld door de BSN-eis strikt toe te passen en de erfgenaam niet tijdig te informeren over de mogelijkheid van een voorlopige aanslag zonder BSN.
De rechtbank stelde vast dat de erfgenaam voortvarend had gehandeld en dat het in rekening brengen van belastingrente in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de belastingrentebeschikking vernietigd en de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.