Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15688

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 8662
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30g AWRArt. 9 Invorderingswet 1990Art. 1 EVRMArt. 6 EVRMArt. 7 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingrente erfbelasting buitenlandse erfgenaam onterecht in rekening gebracht wegens BSN-probleem

Mevrouw, een van de erfgenamen van een in Nederland overleden erflaatster, ontving een belaste verkrijging maar beschikte niet over een burgerservicenummer (BSN) ten tijde van de aangifte erfbelasting. De Belastingdienst bracht belastingrente in rekening over de periode dat de aangifte te laat werd ingediend, mede veroorzaakt door de lange procedure om een BSN te verkrijgen via de Nederlandse ambassade in Nieuw-Zeeland.

De erfgenaam maakte bezwaar tegen de belastingrente, stellende dat de BSN-eis onredelijk was en dat de Belastingdienst geen alternatief bood ondanks herhaalde verzoeken. De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst onzorgvuldig had gehandeld door de BSN-eis strikt toe te passen en de erfgenaam niet tijdig te informeren over de mogelijkheid van een voorlopige aanslag zonder BSN.

De rechtbank stelde vast dat de erfgenaam voortvarend had gehandeld en dat het in rekening brengen van belastingrente in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de belastingrentebeschikking vernietigd en de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de belastingrentebeschikking en veroordeelt de Belastingdienst in de proceskosten wegens onzorgvuldig handelen omtrent de BSN-eis.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/8662

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] (Nieuw-Zeeland), eiseres

(gemachtigde: drs. G.M. Kamps),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een aanslag erfbelasting opgelegd (de aanslag). Daarbij is belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).
Eiseres heeft tegen de rentebeschikking bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 september 2024 de rentebeschikking gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting een pleitnota ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026.
Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door mr. W. van Dam, kantoorgenoot van gemachtigde en de heer [naam 1] , executeur-testamentair. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Op 27 december 2022 is mevrouw [erflaatster] (de erflaatster) overleden. Eiseres is een van de 30 erfgenamen. Uit de nalatenschap heeft eiseres een belaste verkrijging van € 602.821 ontvangen. Zij is, net als een deel van de andere erfgenamen, woonachtig in Nieuw-Zeeland en beschikte ten tijde van de verkrijging niet over een burgerservicenummer (bsn).
2. Bij brief van 18 april 2023 heeft verweerder [naam 1] als executeur uitgenodigd tot het doen van de aangifte erfbelasting en verzocht de erfgenamen op de hoogte te brengen. De aangifte moest voor 27 augustus 2023 ontvangen zijn.
3. De executeur heeft in april 2023 contact opgenomen met verweerder met de vraag hoe een bsn kon worden verkregen. Hiervoor bleek een zogenaamde woonplaatsverklaring nodig te zijn, waarvoor men zich eerst bij de Nederlandse ambassade in Nieuw-Zeeland moest wenden. Met dagtekening 20 juni 2023 is de woonplaatsverklaring afgegeven door de ambassade en aan verweerder verstuurd. Op 7 augustus 2023 is aan eiseres een bsn toegekend en aan haar verzonden. Eind augustus 2023 heeft eiseres deze ontvangen en doorgestuurd naar de executeur.
4. Op 8 juni 2023 heeft de executeur uitstel voor het doen van de aangifte erfbelasting aangevraagd tot 1 november 2023. Dat uitstel is verleend.
5. Op 10 oktober 2023 zijn de aangiften erfbelasting van alle erfgenamen ingediend.
6. Met dagtekening 20 juni 2024 is de aanslag conform de ingediende aangifte opgelegd. Tevens heeft verweerder over de periode van 27 augustus 2023 tot en met 20 februari 2024 op grond van artikel 30g, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) bij beschikking € 7.089 belastingrente in rekening gebracht.
7. In een bericht op de website van verweerder van 12 september 2023 met als titel ‘Aangiften schenk- en erfbelasting: gebruik correct bsn’ staat voor zover hier van belang (cursief: RB):

De Belastingdienst ontvangt regelmatig aangiften schenk- en erfbelasting zonder burgerservicenummer (bsn) of met een foutief bsn. Deze aangiften kunnen niet verwerkt worden.(…)
In toenemende mate is in de maatschappij sprake van de verkrijging van een in Nederland belastbare nalatenschap of een belastbare schenking voor een niet in Nederland wonende verkrijger zonder bsn.
Om voor die situaties aangifte schenk- of erfbelasting te kunnen doen, moet de verkrijger eerst een bsn aanvragen. (…)

Gebruik geen fictief (foutief) bsn in commerciële software

De belastingdienst heeft (te) vaak te maken met de gevolgen van de invoer van een ogenschijnlijk fictief bsn bij gebruik van commerciële software door fiscaal dienstverleners- en notariskantoren. Daarmee doen deze kantoren fiscaal onjuiste aangifte.
(…)

Aangifte schenk- en erfbelasting op papier

Fiscaal dienstverleners- en notariskantoren doen ook geregeld aangifte schenk- en erfbelasting op papier, waarbij het veld bsn leeg wordt gelaten. Ook dat levert de Belastingdienst veel handmatig werk op en vertraagt onnodig het proces van het opleggen van een aanslag. Wij verzoeken u voorafgaand aan het doen van aangifte altijd eerst een bsn aan te vragen conform de procedure zoals hierboven vermeld en geen aangifte op papier te doen, waarbij het bsn-veld wordt leeg gelaten.”
8. Namens eiseres is bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Daartoe is door de executeur aangevoerd dat het verstrijken van de aangiftetermijn is te wijten aan de lange duur die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een bsn voor alle buitenlandse erfgenamen. De executeur wijst erop dat hij meerdere keren contact heeft gezocht met de Belastingdienst en heeft gevraagd naar een alternatief vanwege problemen met de woonplaatsverklaring, maar dat er geen alternatief werd geboden en dat hij pas in de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar erop is gewezen dat hij zonder bsn een voorlopige aanslag kon aanvragen. Verweerder heeft het bezwaar afgewezen.
Geschil9. In geschil is of de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening is gebracht.
10. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat de nadelige gevolgen die zijn ontstaan door de bsn-eis niet in verhouding staan tot het doel voor de Belastingdienst om haar administratieve processen te vereenvoudigen en beroept zich daarmee op het evenredigheidsbeginsel. De aangifte was in mei 2023 in concept gereed; zonder bsn-eis was de aangifte in mei 2023 ingediend en was geen belastingrente verschuldigd geweest. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat de belastingrente op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP Pro, artikel 6 en Pro 7 EVRM, artikel 49 Handvest Pro en is strijd met diverse materiele rechtsbeginselen. Eiseres heeft gewezen op een uitspraak van rechtbank Noord-Nederland. [1] Meer subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat, nu uitstel voor het doen van aangifte is verleend, het redelijk zou geweest dat ook de aanvang van de belastingrentetermijn daarmee in lijn was gebracht. Hierbij verwijst eiseres naar de per 1 januari 2026 in werking getreden verlengde indieningstermijn voor de aangifte erfbelasting.
11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de belastingrente terecht en naar het juiste bedrag in rekening is gebracht. Hij wijst erop dat de aangifte na de termijn is ingediend. Voorts wijst hij erop dat er geen eis is die bepaalt dat alleen met een bsn aangifte kan worden gedaan, zodat er ook geen strijd kan zijn met het evenredigheidsbeginsel, en acht hij ook overigens geen sprake van strijd met de door eiseres genoemde wetsartikelen en beginselen.
Beoordeling van het geschil
12. Op grond van artikel 30g van de Awr wordt bij een aanslag erfbelasting die leidt tot een te betalen bedrag belastingrente in rekening gebracht. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt acht maanden na het overlijden en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de belastingaanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van Pro de Invorderingswet 1990 (zijnde zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet). De renteberekening heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting. [2] Indien de belastingaanslag is vastgesteld overeenkomstig de aangifte, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte. [3] Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de belastingaanslag ter zake van een overlijden is vastgesteld overeenkomstig een ingediende aangifte indien de aangifte is ontvangen voor de eerste dag van de negende maand na het overlijden. [4]
13. De aangifte is ontvangen op 10 oktober 2023. Dat is meer dan acht maanden na de dag van overlijden van erflaatster. De aanslag is opgelegd conform de aangifte waardoor de renteperiode is berekend op 19 weken na ontvangst van de aangifte. Gelet hierop is in beginsel terecht en tot het juiste bedrag belastingrente in rekening gebracht.
14. Onder bijzondere omstandigheden kunnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur echter meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de belastingrente dient te worden gematigd. [5] De rechtbank ziet in dit geval aanleiding te oordelen dat het in rekening brengen van belastingrente in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres er door toedoen van verweerder steeds vanuit is gegaan dat pas aangifte gedaan kon worden nadat zij in het bezit was van een bsn. Namens haar is immers contact gezocht met de Belastingdienst (Belastingtelefoon), met de vraag of er een alternatief mogelijk was nu het verkrijgen van een bsn lang op zich liet wachten, hetgeen haar – zoals zij onweersproken heeft gesteld – niet werd geboden. Zij werd alleen verwezen naar de informatie op de website. Die informatie op de website (zie hiervoor onder 7) wijst erop dat in de situatie van eiseres eerst een bsn moet worden verkregen alvorens aangifte kan worden gedaan. Pas nadat bezwaar werd gemaakt, is in de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar aangegeven dat het wél mogelijk is om zonder bsn een voorlopige aanslag aan te vragen om rente te voorkomen. Vervolgens heeft verweerder pas in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat het bezit van een bsn geen wettelijk vereiste is voor het doen van aangifte en een aangifte op papier zonder bsn wél mogelijk is (digitaal geeft het aangiftesysteem evenwel een error en kan geen aangifte worden ingediend zonder een geldige bsn in te vullen). Zo’n papieren aangifte wordt volgens verweerder evenwel ontmoedigd omdat het veel handmatig werk voor hem oplevert, het opleggen van de aanslag wordt vertraagd en er mogelijk fouten ontstaan. Ter zitting heeft hij verklaard dat als eiseres binnen 8 maanden na overlijden op papier aangifte had gedaan zonder vermelding van een bsn, er geen belastingrente in rekening zou zijn gebracht. De vertraging in de processen zou dan voor rekening van verweerder zijn. Eiseres is naar het oordeel van de rechtbank voortvarend geweest bij het verkrijgen van een bsn en met het daarna indienen van de aangifte met dat bsn; die aangifte was bovendien -naar eiseres onweersproken heeft gesteld- in mei al gereed. Naar het oordeel van de rechtbank dient eiseres geen financieel nadeel te leiden van het feit dat zij zich heeft gehouden aan het door de Belastingdienst gewenste gedrag door eerst een bsn aan te vragen alvorens digitaal aangifte te doen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het in rekening brengen van belastingrente achterwege had moeten blijven.
15. Het beroep moet daarom gegrond worden verklaard. De overige stellingen van eiseres behoeven dan geen behandeling meer.
Proceskosten
16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de belastingrentebeschikking;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.M. Schillings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Rechtbank Noord-Nederland 7 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4361.
2.Artikel 30g, tweede lid, van de AWR.
3.Artikel 30g, derde lid, van de AWR.
4.Artikel 30g, vierde lid, van de AWR.
5.Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126 en Hoge Raad 28 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0764.