Uitspraak
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
[geboortedatum 2] 2009. Eiser heeft tot slot summier en vaag verklaard over zijn gestelde herkomst uit [plaats]. Dit terwijl hem volgens verweerder vragen zijn gesteld die elke inwoner van Libië redelijkerwijs moet kunnen beantwoorden en hij stelt tot 15-jarige leeftijd in Libië te hebben verbleven. Zo heeft eiser verklaard niet te weten van de wijziging van de Libische vlag in 2011 en heeft eiser geen nabijgelegen dorpen, belangrijke straatnamen of de naam van het busstation kunnen noemen. In samenhang met het feit dat eiser tijdens zijn eerdere procedure met onbekende bestemming was vertrokken en dat eiser door meerdere Europese landen heeft gereisd alvorens asiel aan te vragen, leidt dit alles er voor verweerder op grond van paragraaf C1/4.3.2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) toe dat eiser ook in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.
11 mei 2026 aan het beroepsdossier is toegevoegd. Hierbij heeft verweerder ter zitting bevestigd dat eiser dit niet eerder ter inzage heeft gehad en dat dit evenwel eerder had gekund maar door intern handelen van de kant van verweerder niet is gebeurd. Omdat verweerder onder verwijzing naar dit proces-verbaal heeft tegengeworpen dat eiser zou hebben verklaard de Tunesische nationaliteit te hebben, maar het proces-verbaal niet eerder ter beschikking heeft gesteld, ziet de rechtbank hierin een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. De rechtbank stelt namelijk voorop dat uit het proces-verbaal, dat op ambtseed is opgesteld, blijkt dat eiser tot drie keer toe heeft verklaard alleen de Tunesische nationaliteit te bezitten [8] . Dit komt overeen met de tegenwerping van verweerder daarover in het bestreden besluit. Daarbij is eiser bevraagd over waarom hij eerder de tolk Arabisch (Tunesisch) niet goed kon begrijpen, wat eiser niet kon verklaren. Ook heeft eiser in zijn laatste bericht op 12 mei 2026 aan de rechtbank – nadat het proces-verbaal aan het dossier was toegevoegd en eiser dan wel zijn gemachtigde hier redelijkerwijs kennis van had kunnen nemen – geen aanvulling op zijn gronden gegeven of de rechtbank verzocht om aanhouding. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is gebleken dat eiser door voorgenoemde in zijn belangen is geschaad en dat verweerder het gebrek reeds heeft hersteld door het proces-verbaal alsnog ter inzage aan het beroepsdossier toe te voegen.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.