ECLI:NL:RBDHA:2026:15770
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid
Eiseres, een vrouw van Ghanese nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd om bij haar meerderjarige dochter in Nederland te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiseres niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en geen vrijstelling kon worden toegepast. De rechtbank toetste of er sprake was van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank stelde vast dat hoewel eiseres feitelijk heeft samengewoond met haar dochter en een andere dochter, dit niet officieel in de BRP was geregistreerd. Eiseres voerde aan dat zij haar dochter financieel, emotioneel en praktisch ondersteunt, mede vanwege psychische problematiek van de dochter. De rechtbank oordeelde echter dat deze afhankelijkheid niet verder ging dan de gebruikelijke ouder-kindrelatie en onvoldoende was onderbouwd, mede omdat de dochter eigen inkomsten had en de psycholoog geen afhankelijkheid bevestigde.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiseres sterke banden met Ghana heeft en dat terugkeer naar Ghana mogelijk is. De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het Nederlands algemeen belang zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiseres. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid.