ECLI:NL:RBDHA:2026:15770

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
AWB 24 / 19718 en AWB 24 / 57
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbAlgemene wet bestuursrechtVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid

Eiseres, een vrouw van Ghanese nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd om bij haar meerderjarige dochter in Nederland te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiseres niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en geen vrijstelling kon worden toegepast. De rechtbank toetste of er sprake was van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank stelde vast dat hoewel eiseres feitelijk heeft samengewoond met haar dochter en een andere dochter, dit niet officieel in de BRP was geregistreerd. Eiseres voerde aan dat zij haar dochter financieel, emotioneel en praktisch ondersteunt, mede vanwege psychische problematiek van de dochter. De rechtbank oordeelde echter dat deze afhankelijkheid niet verder ging dan de gebruikelijke ouder-kindrelatie en onvoldoende was onderbouwd, mede omdat de dochter eigen inkomsten had en de psycholoog geen afhankelijkheid bevestigde.

Verder concludeerde de rechtbank dat eiseres sterke banden met Ghana heeft en dat terugkeer naar Ghana mogelijk is. De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het Nederlands algemeen belang zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiseres. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 24/19718 (beroep) en AWB 24/57 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 5 juni 2026 in de zaken tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedag 1] 1975, van Ghanese nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna: eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).

Procesverloop

1. Eiseres heeft op 28 september 2023 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel 'verblijf als familie- of gezinslid bij mevrouw [naam 1]'.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van 6 december 2023 afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Met het bestreden besluit van 29 oktober 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb [1] gelijkgesteld met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en [de persoon] als waarnemer van de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseres is op 25 december 2022 naar Nederland gekomen om zich te vestigen bij haar meerderjarige dochter [naam 1]. [naam 1] is op [geboortedag 2] 2003 geboren en heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiseres heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd omdat zij met [naam 1] het familielieven in Nederland wil voortzetten.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Eiseres beschikt namelijk niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en zij komt ook niet in aanmerking voor vrijstelling van dit vereiste. De afwijzing van de aanvraag is volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM [2] .
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Volgens verweerder is er geen sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Het jongvolwassenenbeleid is niet van toepassing op de situatie van eiseres en er is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en [naam 1]. Uit de BRP [3] blijkt dat [naam 1], in tegenstelling tot wat eiseres aanvoert, niet met eiseres samenwoont maar op een ander adres verblijft. Ook neemt verweerder niet aan dat het noodzakelijk is dat eiseres in Nederland bij [naam 1] blijft voor de financiële ondersteuning of het onderhouden van contact. Verder is er geen andere wijze van afhankelijkheid tussen eiseres en [naam 1] aangetoond, zijn er nog andere familieleden waar eiseres een beroep op kan doen, en heeft zij nog zeer sterke banden met haar land van herkomst. Tijdens het gehoor is naar voren gekomen dat eiseres nog een dochter heeft in Nederland, [naam 2]. Uit de BRP blijkt niet dat [naam 2] op hetzelfde adres woont als eiseres (of [naam 1]). Verweerder heeft geen belangenafweging gemaakt omdat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De belangenafweging met betrekking tot het privéleven is in het nadeel van eiseres uitgevallen. De door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden leiden niet tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
6. Op de zitting heeft eiseres verduidelijkt dat de beroepsgronden die zien op de situatie van [naam 2] zijn bedoeld om de band tussen [naam 1] en haar zus te onderbouwen, niet om aan te voeren dat eiseres en [naam 2] van elkaar afhankelijk zijn. Eiseres richt ook geen gronden tegen het standpunt van verweerder dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is. De rechtbank toetst voor het gestelde familieleven dan ook enkel of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen eiseres en haar dochter [naam 1].
Familie- en gezinsleven met [naam 1]
7. Uit rechtspraak van het EHRM [4] volgt dat bij relaties tussen meerderjarige familieleden voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM sprake moet zijn van emotionele banden die het gangbare overstijgen (‘more than the normal emotional ties’). [5] Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt het EHRM naar de bijkomende elementen van afhankelijkheid (‘additional elements of dependancy’). [6] Het al dan niet bestaan van een dergelijk familie- of gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. [7] Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn eventuele samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen, de banden met andere gezinsleden en de banden met het land van herkomst.
8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er sprake is van familieleven tussen haar en [naam 1] omdat er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. Eiseres voert daartoe het volgende aan.
Samenwoning
9. Eiseres stelt dat zij heeft samengewoond met [naam 1] in een kamer die ter beschikking is gesteld door een kerkgenootschap. Door het ontbreken van een verblijfsvergunning is eiseres echter niet in staat om zich formeel in te schrijven in de BRP. Verklaringen van leden van het kerkgenootschap en andere betrokkenen bevestigen de feitelijke situatie van samenwoning.
9.1.
De rechtbank constateert dat er, sinds eiseres in Nederland is, geen officiële samenwoning is geregistreerd in de BRP. De rechtbank acht het, gelet op hetgeen is toegelicht op de zitting en de documenten en verklaringen in het dossier, echter wel aannemelijk dat eiseres heeft samengewoond met [naam 1] en [naam 2], ook al blijkt dit niet uit inschrijvingen in de BRP.
Financiële, emotionele en praktische afhankelijkheid
10. Eiseres voert aan dat zij [naam 1] in financiële, emotionele en praktische zin van zorg voorziet, die verder gaat dan gebruikelijk is bij een ouder en een jongvolwassen kind. Dit is te verklaren doordat [naam 1] niet volledig zelfredzaam is en de dagelijkse aanwezigheid van haar moeder nodig heeft om haar opleiding voort te zetten en haar persoonlijke ontwikkeling te waarborgen. Het enkele feit dat sprake was van een tijdelijke gezinsonderbreking toen [naam 1] naar Nederland vertrok doet niets af aan de huidige afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar dochter. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat de praktische afhankelijkheid eruit bestaat dat eiseres kookt voor [naam 1], haar helpt met huiswerk en ze samen kleren kopen en schoonmaken. Daarnaast voert eiseres veel gesprekken met [naam 1] omdat zij depressief is geweest.
10.1.
Met betrekking tot de financiële, emotionele en praktische afhankelijkheid is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van meer dan gangbare afhankelijkheid tussen eiseres en [naam 1]. Op de zitting heeft eiseres aangevoerd dat zij haar dochters financieel steunt door contant geld of haar pinpas mee te geven. Deze bedragen verschillen per maand, afhankelijk van wat haar dochters die maand nodig hebben. Deze gestelde financiële steun is echter niet onderbouwd en blijkt niet uit de overgelegde bankafschriften. Daarnaast heeft [naam 1] ook eigen inkomsten uit een bijbaantje bij McDonalds en uit studiefinanciering. Ook uit de gestelde emotionele en praktische steun die eiseres [naam 1] geeft, blijkt niet dat sprake is van een afhankelijkheid die de gangbare band tussen ouders en hun studerende kind overstijgt.
Medische situatie van [naam 1]
11. Eiseres stelt dat [naam 1] te kampen heeft met ernstige psychische problematiek. De aanwezigheid van eiseres in Nederland heeft geleid tot aanzienlijke verbetering in haar mentale welzijn en stabiliteit. Deze verbeteringen zijn bevestigd door verklaringen van het netwerk van [naam 1] en haar therapeut.
11.1.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat op grond van de overgelegde verklaring van de psycholoog niet kan worden vastgesteld dat [naam 1] wegens haar psychische problemen afhankelijk is van eiseres. Uit de verklaring van de psycholoog blijkt weliswaar dat de steun van moeder helpend is bij het herstel van [naam 1] maar daaruit blijkt niet dat [naam 1] voor haar herstel afhankelijk is van eiseres.
Banden met land van herkomst
12. Terugkeer naar Ghana is volgens eiseres geen optie. Hoewel eiseres nog familie heeft in Ghana, zijn deze banden niet voldoende sterk om eiseres in staat te stellen zonder [naam 1] terug te keren. Terugkeer samen met [naam 1] is evenmin een haalbare optie. [naam 1] heeft inmiddels namelijk diepe wortels ontwikkeld in Nederland.
12.1.
De rechtbank volgt de motivering van verweerder dat eiseres sterke banden heeft met Ghana omdat zij daar is geboren, een groot deel van haar leven heeft gewoond, de taal spreekt en bekend is met de gebruiken en cultuur. Ook heeft eiseres een opleiding gevolgd en een baan gehad in Ghana en woont haar moeder daar nog. Verder is gebleken dat eiseres in 2025 nog een keer tijdelijk terug is gegaan naar Ghana in verband met een noodgeval. Daarna is eiseres weer naar Nederland gekomen. Uit deze elementen volgt dat eiseres nog steeds sterke banden heeft met Ghana.
Banden met [naam 2]
13. De rechtbank ziet in wat eiseres op de zitting heeft aangevoerd met betrekking tot de banden die [naam 2] met eiseres en [naam 1] heeft ook geen aanleiding om te concluderen dat deze emotionele banden het gangbare overstijgen. Niet is gesteld en gebleken dat [naam 2] en [naam 1] afhankelijk van elkaar zijn.
Conclusie
14. Alle feiten en omstandigheden in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat tussen eiseres en [naam 1] geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Er is dus geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiseres en [naam 1] hebben weliswaar met elkaar samengewoond, maar omdat alle elementen in samenhang worden bezien, is dat onvoldoende.
Privéleven
15. Eiseres stelt dat zij in korte tijd op een positieve manier is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving. Ze heeft sterke banden opgebouwd met de lokale gemeenschap, wat blijkt uit haar actieve deelname aan vrijwilligerswerk en haar betrokkenheid bij een lokale kerkgemeente. Ook heeft zij zich ingezet om de Nederlandse taal te leren. Deze sociale en maatschappelijke betrokkenheid toont aan dat eiseres zich niet alleen als inwoner van Nederland heeft gevestigd, maar ook de intentie heeft om een waardevolle bijdrage te leveren aan de samenleving.
16. Volgens vaste rechtspraak [8] van het EHRM en de Afdeling [9] moet bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM een ‘fair balance’ worden gemaakt tussen enerzijds het belang van eiseres bij een gecontinueerd verblijf en anderzijds het belang van de Nederlandse staat. Alle feiten en omstandigheden die voor de belangenafweging van betekenis zijn, moeten daarbij kenbaar worden betrokken. De rechtbank moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitkomst van die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen de belangen van eiseres en het Nederlands algemeen belang. Deze maatstaf impliceert een enigszins terughoudende toets.
17. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiseres in Nederland haar privéleven grotendeels heeft opgebouwd tijdens onrechtmatig verblijf en dat het blijven uitoefenen van het privéleven tijdens illegaal verblijf van eiseres in overwegende mate voor haar rekening en risico komt. Dit standpunt van verweerder is in overeenstemming met vaste rechtspraak van het EHRM, waaronder het arrest in de zaak Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014 [10] . Uit deze rechtspraak volgt dat als het privéleven is ontstaan en geïntensiveerd in een gastland waar de vreemdeling geen dan wel een precair verblijfsrecht had, uitzetting van die vreemdeling slechts in ‘uitzonderlijke omstandigheden’ (exceptional circumstances) in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en zich niet onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het Nederlands algemeen belang in dit geval zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiseres.
Hardheidsclausule
18. Eiseres stelt dat sprake is van een bijzondere en individuele situatie die een vrijstelling van het mvv-vereiste rechtvaardigt. De omstandigheden waarin [naam 1] verkeert zijn uitzonderlijk. Zij bevindt zich in een kwetsbare positie vanwege haar psychische klachten en haar specifieke behoefte aan de dagelijkse aanwezigheid van haar moeder. Indien eiseres naar Ghana zou moeten terugkeren zou dit leiden tot ernstige ontwrichting van het welzijn van [naam 1] en haar opleidingsproces.
18.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres niet heeft hoeven vrijstellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule omdat eiseres, zoals blijkt uit het voorgaande in deze uitspraak, niet heeft onderbouwd dat sprake is van dusdanige kwetsbaarheid van [naam 1] en van bijzondere omstandigheden. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres graag in Nederland wil blijven en haar dochter emotioneel en praktisch wil steunen, geldt deze wens voor velen en is dit onvoldoende om als bijzondere omstandigheden aan te merken.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
20. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiseres, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
21. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer: AWB 24/19718:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer: AWB 24/57:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Basisregistratie Personen.
4.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
5.Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 12 juni 2010, Khan tegen het VK, app.no. 47486/06.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
7.Zie onder meer het arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
8.Zie bijvoorbeeld het arrest Rodriques da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, en de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2047.
9.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810.