Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15833

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/09/681915 / FA RK 25-1944
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 815 RvArt. 1:165 BWArt. 1:402 BWArt. 3 Protocol onderhoudsverplichtingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en zorgregeling voor minderjarige kinderen

De rechtbank Den Haag heeft op 12 mei 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man en een vrouw, gehuwd sinds 2016, met drie minderjarige kinderen. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en bepaalde dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw komt te liggen. De zorgregeling voorziet in verblijven bij de man om het weekend en op dinsdagavond, ondanks bezwaren van de vrouw vanwege medische problematiek van twee kinderen.

De rechtbank kende de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toe voor zes maanden na inschrijving van de echtscheiding, ondanks het eigendom van de man. De man verblijft tijdelijk elders vanwege een gebrek aan verhuurvergunning. De rechtbank stelde de kinderalimentatie vast in twee periodes: een lage bijdrage tijdens het verblijf van de vrouw in de woning en een hogere bijdrage vanaf het moment dat de man terugkeert.

Verder werd de verdeling van vakanties, feestdagen en inboedel geregeld, en werd de vrouw veroordeeld tot betaling van de helft van de mediationkosten. De rechtbank verwees de ouders naar ouderschapsbemiddeling om communicatie en samenwerking te verbeteren.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met hoofdverblijfplaats bij vrouw, zorgregeling vastgesteld, voortgezet gebruik woning toegekend en kinderalimentatie vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1944 (echtscheiding), FA RK 25-5695 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/681915 (echtscheiding), C/09/689179 (verdeling)
Datum beschikking: 12 mei 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikkingop het op 18 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
verblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Peeters te Woerden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Burger te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het aanvullend verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens aanvullende verzoeken;
- het F9-bericht van 23 maart 2026 van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-bericht van 27 maart 2026 van de man, met bijlagen.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 7 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2016 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] ;
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2020 te [geboorteplaats 2] ;
- De ouders oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Japanse nationaliteit. De kinderen hebben zowel de Nederlandse als de Japanse nationaliteit.
- Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.
- Deze rechtbank heeft op 26 maart 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende:
­ toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres 1] aan de vrouw;
­ toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw;
­ vaststelling van een voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen, waarbij de kinderen bij de man zijn:
­ de ene week van vrijdag uit school, of 12.00 uur als er geen school is, tot dinsdag naar school, of 12.00 uur als er geen school is;
­ de andere week van maandag uit school, of 12.00 uur als er geen school is, tot dinsdag naar school, of 12.00 uur als er geen school is;
­ gedurende de helft van de vakanties en feestdagen;
­ vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 125,- per maand per kind en vanaf het moment dat de vrouw aanspraak kan maken op kindgebonden budget van een bedrag € 24,- per maand per kind.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man, zoals dat na aanvulling en wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- inschrijving van de kinderen op het adres van de man;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen bij de man verblijven:
­ eenmaal per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur (voor het eten) tot zondag 18.00 uur (na het eten);
­ iedere dinsdag van 16.30 uur tot woensdagochtend (naar school dan wel 08.30 uur);
waarbij de man – zolang de vrouw in [plaats] woont – zorg zal dragen voor het halen en brengen van de kinderen en wanneer de vrouw niet in [plaats] woont, het halen en brengen evenwichtig wordt verdeeld over beide ouders;
- vaststelling van een verdeling van de vakanties en feestdagen conform het door de man overgelegde schema;
- vaststelling van een informatieregeling in die zin dat:
­ de man en de vrouw zijn gehouden om elkaar tijdig en volledig te informeren en te betrekken bij alle niet-spoedeisende medische aangelegenheden met betrekking tot de kinderen, waaronder begrepen (maar niet beperkt tot) consulten bij de huisarts, specialistische zorg, onderzoeken en behandeltrajecten, en dat zij hierover voorafgaand aan de te nemen beslissingen in overleg zullen treden;
­ indien sprake is van een spoedeisende medische situatie, waarbij voorafgaand overleg redelijkerwijs niet mogelijk is, de ouder die de beslissing neemt de andere ouder zo spoedig mogelijk nadien informeert over de aard van de situatie, de genomen beslissing en het verdere behandeltraject;
­ partijen elkaar tijdig informeren over geplande medische afspraken, waaronder begrepen afspraken bij de huisarts, het ziekenhuis en overige zorgverleners, bij voorkeur per e-mail en in spoedeisende gevallen via Whatsapp;
­ de ouder die een medische afspraak met de minderjarigen bijwoont de andere ouder binnen een redelijke termijn informeert over het verloop van de afspraak, de bevindingen van de behandelaar en eventuele (voorgenomen) behandelkeuzes;
- bepaling dat de gemeenschappelijke bankrekening met rekeningnummer [bankrekening] binnen twee weken vanaf de datum van de echtscheidingsbeschikking wordt opgeheven en het saldo gelijkelijk tussen partijen wordt gedeeld;
- te bepalen dat de tot de eenvoudige gemeenschap van partijen behorende inboedelgoederen, die zich in de echtelijke woning bevinden tussen partijen gelijkelijk zullen worden verdeeld, met uitzondering van de inboedelgoederen die reeds op basis van de huwelijkse voorwaarden uitsluitend aan de man respectievelijk de vrouw toebehoren en te bepalen dat als partijen onderling niet uit de verdeling komen, zij gezamenlijk een inboedellijst zullen opstellen, waarbij door middel van het opgooien van een munt wordt bepaald wie begint met kiezen en vervolgens kiezen partijen om en om een inboedelgoed totdat alle goederen op de lijst zijn verdeeld, een en ander zonder nadere verrekening;
- de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 762,96 in verband met de kosten van mediation, te voldoen binnen twee weken vanaf de datum van de echtscheidingsbeschikking, op een door de man aan te wijzen bankrekening, bij gebreke waarvan de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de vrouw in verzuim is;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – met uitzondering van de echtscheiding en de verdeling van de gemeenschappelijke bankrekening – verweer tegen de verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen om het weekend van vrijdag uit school tot en met maandag 18.00 uur, alsmede iedere donderdag na school tot 19.30 uur bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen om de week op maandag en iedere donderdag begeleid bij hun sportactiviteiten;
- bepaling dat de zorg over de kinderen gedurende de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld;
- vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 308,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een door de rechtbank te bepalen bijdrage;
- voortgezet gebruik van de echtelijke woning gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
- vernietiging van de aanvullende huwelijkse voorwaarden van 3 mei 2021 en bepaling dat partijen over dienen te gaan tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden conform een nader in te brengen voorstel tot verrekening;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – met uitzondering van de echtscheiding – verweer tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
I.
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid (ouderschapsplan)
Op grond van artikel 815 tweede Pro lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldoende aannemelijk geworden dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 tweede Pro lid Rv. De rechtbank zal daarom de man en de vrouw ontvangen in de door hen beiden gedane verzoeken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
De kinderen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en het verzoek tot vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Hoofdverblijfplaats
De vrouw verzoekt om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man heeft ter zitting zijn verzoek de kinderen op zijn adres in te schrijven ingetrokken. Hij voert ook geen verweer meer tegen het verzoek van de vrouw de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. Volgens zowel het (gewijzigde) verzoek van de man als dat van de vrouw inzake de zorgregeling, verblijven de kinderen het merendeel van de tijd bij de vrouw. De vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw is daarom het meest voor de hand liggend. De rechtbank vindt dit ook in het belang van de kinderen, zodat zij het verzoek van de vrouw zal toewijzen en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij haar zal bepalen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beide partijen hebben verzocht om de vaststelling van een zorgregeling. De man had aanvankelijk verzocht om een co-ouderschapsregeling, maar door zijn nieuwe baan is dat niet langer haalbaar. Vanwege het lagere inkomen dat hij hiermee verdient, is hij genoodzaakt om nu 37 uur per week te werken in plaats van 32 uur. Hij verzoekt daarom om de vaststelling van een zorgregeling, waarbij de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdag tot zondag bij hem verblijven en daarnaast iedere week van dinsdag op woensdag. De vrouw kan zich in beginsel vinden in de verdeling van de weekenden, maar zij voert verweer tegen een doordeweekse overnachting. Partijen hebben de door de man verzochte zorgregeling in de afgelopen periode uitgevoerd en zij bemerkt dat een overnachting tijdens de schoolweek steeds veel onrust oplevert bij de kinderen. Dit is volgens de vrouw ook door de school geconstateerd. De vrouw vindt dit, in het bijzonder gelet op de medische problematiek van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 3] , die beiden doof zijn, onwenselijk.
De rechtbank zal – ondanks de bezwaren van de vrouw – de zorgregeling die partijen op dit moment in de praktijk uitvoeren, vaststellen. Zoals op de zitting door de Raad is benadrukt, is het belangrijk dat de man ook doordeweeks zorgtaken kan uitvoeren om betrokken te zijn bij de kinderen. Daarbij zal duidelijkheid over de zorgregeling mogelijk voor de kinderen voor meer rust zorgen. Op de zitting is daarbij met de man besproken dat het de voorkeur heeft wanneer hij op dinsdag de kinderen zelf uit school haalt, juist gelet op de onrust die het ophalen via de vrouw kan opleveren. De man heeft daarbij toegezegd dat hij dit zal proberen te regelen met zijn werkgever en dat hij verder de kinderen steeds kan halen en brengen, zolang beide partijen in [plaats] wonen.
Met partijen is gesproken over de problemen in de onderlinge communicatie. Indien de communicatie van partijen verbetert, zal dit de spanning bij de kinderen mogelijk verminderen. Onderwerpen als het meegeven van kleding en het delen van (medische) informatie kunnen in dit traject bij uitstek worden besproken. De beide ouders hebben in dit kader op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Jeugdteams Leidse Regio. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse Regio.
De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.
Verdeling van de vakanties en feestdagen
Zowel de man als de vrouw hebben verzocht om een verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte. De man heeft daarbij de verdeling van de vakanties en feestdagen uitgewerkt in zijn verzoek. De vrouw heeft ingestemd met deze verdeling, met uitzondering van de verdeling van de zomervakantie en de studiedagen. Een verdeling van de zomervakantie, waarin de kinderen drie weken aaneengesloten bij één ouder zijn, vindt zij te lang. Voor de man geldt echter dat hij op zijn werk juist alleen drie weken achter elkaar vrij kan opnemen. Partijen hebben daarom voor de komende zomervakantie afgesproken dat de kinderen na twee weken bij de ene ouder, steeds een weekend bij de andere ouder zijn. Op deze manier wordt voorkomen dat zij de andere ouder te lang niet zien. Voor de zomervakanties vanaf 2027 zullen partijen deze drie om drie of in onderling overleg op een andere manier verdelen.
Ten aanzien van de studiedagen heeft de vrouw aangegeven dat zij het prettig zou vinden als de kinderen op (een deel van) de studiedagen bij de vader kunnen zijn. Voor haar geldt immers ook dat zij een extra vrije dag voor de kinderen moet regelen met haar werk. De man heeft aangegeven dat hij niet kan toezeggen dat hij de kinderen de helft van de studiedagen opvangt in verband met zijn werk. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw met betrekking tot de studiedagen uitsluitend toewijzen voor zover een studiedag op een dinsdag valt, omdat de kinderen volgens de zorgregeling die de rechtbank vastlegt op dinsdag na school bij de man verblijven en de rechtbank het op dit moment het meest in het belang van de kinderen acht dat er een duidelijke zorgregeling geldt zonder veel uitzonderingen. Dit neemt niet weg dat de ouders in onderling overleg afspraken kunnen maken over de overige studiedagen.
De rechtbank zal de voorgaande verdeling van de vakanties, feestdagen en andere bijzondere dagen vastleggen.
Informatieregeling
De man verzoekt om een informatieregeling vast te stellen. Hij heeft het gevoel dat de vrouw niet alle informatie over de kinderen aan hem doorgeeft – of pas achteraf. Dat geldt in het bijzonder als het gaat om medische informatie met betrekking tot de gehoorbeperking van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 3] , bijvoorbeeld toen ineens bleek dat er een nieuw cochleair implantaat (CI) voor [de minderjarige 3] was aangevraagd.Volgens de vrouw was dit een gewone halfjaarscontrole waarbij dit zonder voorafgaande aankondiging door de arts aan de orde werd gesteld. Zij heeft de man niet bewust niet geïnformeerd. Op de zitting is besproken dat de informatieplicht naar de andere ouder in principe uit de wet volgt, zeker nu partijen gezamenlijk gezag hebben. Van een noodzaak tot het vaststellen van een informatieregeling is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Het door de man gegeven voorbeeld is, mede gelet op de uitleg van de vrouw, daarvoor in ieder geval onvoldoende. Voor zover nodig kunnen partijen over de invulling van deze informatieplicht, in het ouderschapsbemiddelingstraject aanvullende afspraken maken. De rechtbank zal het verzoek van de man om de vaststelling van een informatieregeling daarom afwijzen.
Voortgezet gebruik echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek over het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en wordt dit door Nederlands recht beheerst.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw verzoekt om aan haar het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toe te kennen voor de duur van zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, zoals opgenomen in artikel 1:165 BW Pro. De man heeft verweer gevoerd. De woning is volledig eigendom van de man, maar toch is hij gedwongen geweest de woning te verlaten en vervangende woonruimte te zoeken voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Hij had eerst via zijn broer een woonruimte gehuurd, maar dit is komen te vervallen, omdat door een melding van de vrouw de gemeente een adresonderzoek is gestart. De woning had (nog) geen verhuurvergunning, zodat de man er niet langer mocht wonen. Hij verblijft daardoor nu noodgedwongen voor € 2.000,- per maand op een camping en kan hier tot uiterlijk november 2026 blijven. Zijn schuldenlast neemt toe en de situatie is niet langer houdbaar. Het verzoek moet daarom worden afgewezen. Als het voortgezet gebruik wel aan de vrouw wordt toegekend, dan moet zij in ieder geval een gebruiksvergoeding betalen, aldus de man.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen. Gebleken is dat de vrouw actief op zoek is naar eigen woonruimte, maar dat dit tot nu toe niet is gelukt. Het afwijzen van het verzoek zal ertoe leiden dat de vrouw en de kinderen geen huis hebben, wat zeer onwenselijk is. Om vervangende woonruimte te vinden, acht de rechtbank een voortgezet gebruik voor de wettelijke termijn van zes maanden passend. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat uit het door de man overgelegde contract van zijn huidige woonplek blijkt, dat een langer verblijf in onderling overleg mogelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het vaststellen van een gebruiksvergoeding, nu met de kosten van de echtelijke woning rekening wordt gehouden bij de berekening van de kinderalimentatie, zoals hierna aan de orde komt.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW Pro een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van de beschikking, omdat tot op heden de in de voorlopige voorzieningen vastgestelde bijdrage van kracht is.
Behoefte
Voor de behoefte van de kinderen sluit de rechtbank aan bij hetgeen hierover is overwogen in de beschikking over de voorlopige voorzieningen van 4 juni 2025. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw is daarbij vastgesteld op € 1.571,- per maand en het NBI van de man op € 4.042,- per maand in 2024. Evenals in de voorlopige voorzieningen ziet de rechtbank geen aanleiding om rekening te houden met de belasting die de man moet voldoen over zijn box 3-vermogen, waarbij het in die beschikking overwogene als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Door de man is in deze procedure onvoldoende gesteld of onderbouwd waarom aanleiding bestaat om daarvan af te wijken.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) bedroeg in 2024 € 5.613,-, waarbij partijen vanwege hun vermogen geen recht hadden op een kindgebonden budget. De behoefte van de kinderen bedroeg daarmee € 1.379,- per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2026 is dit een bedrag van € 1.536,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld. Daarbij zal rekening gehouden worden met twee periodes: 1) de situatie waarin de vrouw nog in de echtelijke woning verblijft en 2) de situatie waarin de man is teruggekeerd in de echtelijke woning.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 2.363,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld, zoals blijkt uit de door haar overgelegde loonstroken van december 2025 t/m februari 2026. De vrouw heeft op dit moment geen inkomsten meer uit haar eigen onderneming.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. Nu gebleken is dat de vrouw het kindgebonden budget inmiddels ontvangt, zal de rechtbank hier rekening mee houden. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 63,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 3.418,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Periode 1
Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank – anders dan in de voorlopige voorzieningen – in de periode waarin de vrouw nog in de echtelijke woning verblijft, rekening houden met de werkelijke woonlasten die zij voldoet. Deze woonlast is aanmerkelijk lager dan de forfaitaire woonlast en bestaat uit de hypotheekrente van € 343,- per maand. De kosten die de vrouw bijdraagt aan gas/water/licht ad € 200,- per maand, wordt de vrouw geacht te voldoen uit de vaste kosten voor levensonderhoud, zodat de rechtbank hier geen rekening mee houdt bij de woonlasten.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (343+ € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [3.418 – (343 + 1.365)] = € 1.197,- per maand.
Periode 2
Vanaf het moment dat de vrouw de echtelijke woning moet verlaten, zal de rechtbank uitgaan van een forfaitaire woonlast van 30% van het NBI. Volgens dezelfde formule leidt dat tot een draagkracht van: 70% x [3.418 – (1.025 + 1.365)] = € 720,- per maand.
Draagkracht man
De man heeft vanwege spanningen binnen zijn familie zijn dienstverband in het familiebedrijf beëindigd. Met ingang van 26 januari 2026 is hij in dienst getreden bij Westdijk Stevedoring B.V. voor 37 uur per week. Zijn inkomen is lager dan zijn eerdere inkomen, zo blijkt uit de door hem overgelegde loonstroken. De (advocaat van de) vrouw heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat bij de berekening van de draagkracht van de man van dit lagere inkomen uitgegaan kan worden.
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank dan ook uit van een inkomen van € 3.700,- bruto per vier weken, exclusief vakantiegeld. De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de pensioenpremie van € 283,- per vier weken;
  • de premie WIA-hiaat van € 25,- per vier weken.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.177,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Evenals in de procedure inzake de voorlopige voorzieningen en bij de behoefte ziet de rechtbank ook bij de draagkracht van de man geen aanleiding om rekening te houden met de box 3-belasting die de man moet voldoen. Evenals in de voorlopige voorzieningen ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals door de man wordt gesteld, rekening te houden met de belasting in box 3. Vaststaat tussen partijen dat het gaat om belasting over box 3 vermogen dat enkel aan de man in eigendom toebehoort en dat de vrouw in verband met de huwelijkse voorwaarden geen aanspraak op een deel van de waarde kan maken. Daarnaast heeft het betalen van kinderalimentatie prioriteit. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dit standpunt van de man.
Periode 1
Voor de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank voor de periode waarin de vrouw nog in de echtelijke woning verblijft, rekening houden met de werkelijke woonlasten van de man. Uit de door de man overgelegde reserveringsbevestiging blijkt dat de huur € 2.000,- per maand bedraagt, inclusief gas/water/licht. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 200,- per maand in mindering brengen op de huurlast (een bedrag gelijk aan hetgeen de vrouw betaalt aan gas/water/licht), omdat ook van de man wordt verwacht dat hij dit vanuit de gecorrigeerde bijstandsnorm kan voldoen. De rechtbank gaat daarom uit van werkelijke woonlasten van € 1.800,- per maand.
Bij deze woonlasten, resteert aan de zijde van de man volgens de formule een draagkracht van: 70% x [3.177 – (1.800 + 1.365)] = € 8,- per maand. Er resteert dan een draagkracht van € 8,- per maand voor de periode waarin de vrouw nog met de kinderen in de woning verblijft. De rechtbank zal dit bedrag vaststellen.
Periode 2
Vanaf het moment dat de man terugkeert in de woning, rekent de rechtbank in eerste instantie met een forfaitaire woonlast aan de zijde van de man van 30% van zijn NBI, nu op de zitting namens de vrouw is aangegeven dat zij hiermee akkoord gaat. De draagkracht van de man in periode 2 bedraagt dan: 70% x [3.177 – (953 + 1.365)] = € 601,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
Omdat de draagkracht van de man in de eerste periode minimaal is, hoeft de rechtbank voor die periode geen draagkrachtvergelijking te maken. Ten aanzien van de tweede periode – aldus vanaf het moment dat de man weer in de echtelijke woning trekt – geldt het volgende.
De draagkracht van partijen in periode 2 bedraagt gezamenlijk € 1.320,- per maand (€ 719 + € 601). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen van € 1.536,- per maand te voorzien. Er is sprake van een tekort van € 216,- per maand.
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Echter, indien met de berekende draagkracht van partijen niet (geheel) in de behoefte van het de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait (
0,3 x NBI), zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.
Gelet op deze uitspraak van de Hoge Raad en de conclusie dat sprake is van een draagkrachttekort, zal de rechtbank hierna ambtshalve onderzoeken of toepassing van de werkelijke woonlasten van de man leidt tot een hogere bijdrage. In het voorgaande is al gebleken dat de hypotheekrente van de woning € 343,- per maand bedraagt. Er is daarbij niet gesteld of onderbouwd dat er op dit moment wordt afgelost op de hypotheek. Rekening houdend met enige overige eigenaarslasten, gaat de rechtbank uit van een woonlast van de zijde van de man van € 400,- per maand. Dit bedrag zal de rechtbank in de eerder gebruikte formule gebruiken, ter vervanging van het onderdeel 0,3 x NBI. De formule die de rechtbank zal hanteren is dus Dat leidt tot een draagkracht aan de zijde van de man van: 70% x [3.177 – (400 + 1.365) = € 988,- per maand.
Dat leidt tot een totale draagkracht van € 1.708,- per maand. Dit is voldoende om in de kosten van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 988 / 1.708 x 1.536 = € 889,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 720 / 1.708 x 1.536 =
€ 647,-
samen € 1.536,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] komt in de tweede periode een gedeelte van € 889,- per maand, wat neerkomt op € 296,- per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van € 647,- per maand, wat neerkomt op € 216,- per maand per kind komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 25. De zorgkorting bedraagt dan € 384,- per maand (25% van € 1.536). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage in periode 2 bedraagt dan € 505,- per maand (€ 889 -/- € 384).
Conclusie
De rechtbank zal voor periode 1, waarin de vrouw nog in de echtelijke woning verblijft, een door de man te betalen kinderalimentatie vaststellen van € 8,- per maand. Vanaf het moment dat de man weer in de echtelijke woning trekt, periode 2, stelt de rechtbank een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vast van € 505,- per maand. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot deze bedragen toewijzen en voor het overige afwijzen.
De rechtbank merkt ten aanzien van de kosten van de kinderen tot slot het volgende op. Tussen de ouders lijkt onduidelijkheid te bestaan over de aankoop van kleding en het meegeven van kleding van de kinderen als zij in het kader van de zorgregeling bij de man verblijven. De rechtbank merkt op dat de vrouw als ontvanger van de kinderalimentatie, kinderbijslag en het kindgebonden budget gehouden is de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen te voldoen. De kosten van kleding vallen hieronder. De vrouw moet daarom de kinderen voor elk verblijf bij de man voldoende kleding, die passend is bij het seizoen, meegeven.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
De echtgenoten hebben ten tijde van de huwelijkssluiting hun vermogensrechtelijke verhouding geregeld door aanwijzing van het Nederlands recht als het op hun vermogensrechtelijke verhouding van toepassing zijnde recht. Het huwelijksgoederenregime van de echtgenoten wordt daarom beheerst door Nederlands recht.
Huwelijkse voorwaarden
De man en de vrouw zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden daterend van 22 januari 2016, kort samengevat inhoudende een gemeenschap van inboedel en een finaal verrekenbeding. Nadien hebben zij deze huwelijkse voorwaarden gewijzigd op 3 mei 2021, In die zin dat de verrekening van inkomsten is komen te vervallen en de wettelijke pensioenverevening door partijen is uitgesloten. Verder hebben partijen ten aanzien de afwikkeling van de oude huwelijkse voorwaarden in de gewijzigde huwelijkse voorwaarden opgenomen dat zij blijkens de aangehechte aangiftes inkomstenbelasting geen verrekening over en weer hebben openstaan althans dat partijen alles als verrekend beschouwen.
Vernietiging gewijzigde huwelijkse voorwaarden
De vrouw had aanvankelijk verzocht om vernietiging van de huwelijkse voorwaarden op grond van artikel 3:44 lid 4 BW Pro (misbruik van omstandigheden). Zij heeft dit verzoek op de zitting echter ingetrokken, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen. De gewijzigde huwelijkse voorwaarden van 3 mei 2021 zijn daarmee onverkort van toepassing bij de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen, zoals hierna nader wordt besproken.
Peildatum
Als peildatum voor de omvang van het te verdelen dan wel af te wikkelen vermogen geldt de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, te weten 18 maart 2025. Voor de bij de verdeling c.q. de verrekening in aanmerking te nemen waarden geldt als peildatum de datum van de feitelijke verdeling, tenzij partijen in onderling overleg daarvan afwijken.
Omvang
De man en de vrouw hebben ter afwikkeling van hun huwelijksvermogensregime de volgende onderdelen naar voren gebracht:
de gemeenschappelijke bankrekening bij ING-bank, [bankrekening] ;
de gemeenschappelijke inboedel van de echtelijke woning;
de kosten van de mediation.
Ad a.Partijen zijn ten aanzien van de gemeenschappelijke bankrekening op de zitting het volgende overeengekomen. Op de bankrekening is een bedrag van in totaal € 3.204,- gereserveerd als spaargeld voor de kinderen. Dit bedrag zal gelijkelijk tussen partijen worden verdeeld, zodat zij elk zelf verder kunnen sparen voor de kinderen. Daarnaast is gebleken dat op de bankrekening een bedrag van om en nabij € 600,- is gestort door de vrouw als bijdrage in de kosten van gas, water en elektriciteit voor de echtelijke woning. Dit bedrag zal aan de man worden toebedeeld. Voor zover er hierna nog een restantbedrag is, zal dit tussen partijen worden gedeeld, waarna de bankrekening wordt opgeheven. De rechtbank zal deze overeenstemming vastleggen.
Ad b.Ten aanzien van de inboedel van de echtelijke woning zijn partijen overeengekomen dat zij deze in onderling overleg zullen verdelen. Op het moment dat ze hier niet uitkomen, zullen zij een lijst opstellen van de gezamenlijke inboedel, waarbij zij om de beurt een keuze van de lijst mogen maken. Door middel van het opwerpen van een muntje wordt bepaald wie als eerste mag kiezen.
Ad c.Partijen zijn er niet in geslaagd om tot een afspraak te komen over de kosten van de mediaton van € 1.526,- in totaal. De man stelt dat partijen zijn overeengekomen om de kosten van mediation bij helfte te delen. De man heeft de volledige rekening al voldaan en verzoekt om te bepalen dat de vrouw is gehouden om in het kader van een regresvordering de helft van dit bedrag aan hem te voldoen, te weten: afgerond € 763,-. De vrouw kan zich hierin niet vinden. Het is naar haar mening in strijd met de redelijkheid en billijkheid om de helft van de kosten op haar te verhalen, omdat de man haar op een verkeerd spoor heeft gezet wat betreft de haalbaarheid van de mediation.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft niet weersproken dat partijen zijn overeengekomen om de kosten van mediation bij helfte te delen en dat de man de kosten geheel heeft voldaan. Dat de vrouw thans vraagtekens stelt bij mate van haalbaarheid van de mediation ten tijde van het maken van deze afspraak doet er niet aan af dat deze afspraak is gemaakt en moet worden nagekomen. De rechtbank van oordeel dat de vrouw gehouden is om de helft van deze kosten aan de man te vergoeden. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man toewijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2016 te [plaats] ;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
­ [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats 1] ;
­ [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] ;
­ [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2020 te [geboorteplaats 2] ;
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij de man zullen zijn:
  • eenmaal per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur (voor het eten) tot zondag 18.00 uur (na het eten);
  • iedere dinsdag uit school of vanaf 16.30 uur tot woensdagochtend naar school, of (indien er geen school is) tot 08.30 uur;
waarbij de man zorg zal dragen voor het halen en brengen van de kinderen, zolang de vrouw in [plaats] woont en wanneer de vrouw buiten [plaats] gaat wonen, het halen en brengen evenwichtig tussen partijen wordt verdeeld;
*
bepaalt een verdeling van de vakanties, feestdagen en overige bijzondere dagen, waarbij de kinderen:
  • in de herfst- en voorjaarsvakantie: de eerste helft bij de ouder zijn bij wie ze volgens de reguliere regeling verblijven en de rest van de week bij de andere ouder, waarbij het wisselmoment is op woensdag om 14.00 uur;
  • in de kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man, alsmede tweede kerstdag 10.00 uur tot 10.00 uur de dag erna en van 31 december 14.00 uur tot 1 januari, 14.00 uur. In de oneven jaren is het andersom;
  • in de meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man, waarbij de vakantie start op vrijdag uit school, de wissel plaatsvindt op zaterdag om 12.00 uur en de vakantie eindigt op zondagavond om 18.00 uur. In de oneven jaren is het andersom.
  • in de zomervakantie 2026: drie weken bij elk van de ouders verblijven, met dien verstande dat zij na twee weken een weekend naar de andere ouder gaan;
  • in de zomervakantie vanaf 2027: drie weken bij elk van de ouders verblijven, althans in onderling overleg te bepalen;
  • tijdens Goede Vrijdag en Pasen: in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de man, van donderdagavond 18.00 uur tot maandag 18.00 uur;
  • tijdens Hemelvaart: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw van woensdag 18.00 uur tot donderdag 18.00 uur;
  • tijdens Pinksteren: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw van vrijdag 19.00 uur tot maandag 19.00 uur;
  • tijdens Koningsdag: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw, vanaf de dag ervoor 19.00 uur tot Koningsdag zelf 19.00 uur;
  • tijdens Sinterklaas (5 december): in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de man, van 12.00 uur tot 21.00 uur;
  • op de verjaardag van de kinderen: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bji de vrouw van 10.00 uur (of uit school) tot 19.00 uur;
  • op de verjaardagen van de ouders en grootouders: aanwezig mogen zijn op de dag van de viering van de verjaardag van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de ouder om wie (of wiens familie) het gaat brengt en haalt;
  • tijdens Vader-/Moederdag: bij de man respectievelijk de vrouw vanaf zaterdagavond 19.00 uur tot zondag 19.00 uur;
  • tijdens studiedagen: iedere studiedag die op de dinsdag valt bij de man en de overige studiedagen bij de vrouw;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de man] ,
de vader,
wonende te [adres 2] ,
en
[de vrouw] ,
de moeder,
wonende te [adres 3] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar: Jeugdteams Leidse Regio, Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 –, 2343 LA Oegstgeest;
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject.
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zal voldoen:
in de periode waarin de vrouw nog in de echtelijke woning verblijft: € 8,- per maand;
vanaf het moment dat de man is teruggekeerd in de echtelijke woning: € 505,- per maand;
telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te [adres 1] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
*
bepaalt en aanzien van de gemeenschappelijke bankrekening bij ING-bank, [bankrekening] dat een bedrag van € 3.204,- (gereserveerd als spaargeld voor de kinderen) tussen partijen bij helfte worden verdeeld, dat een bedrag van € 600,- toekomt aan de man en dat het eventuele restant bij helfte tussen partijen worden gedeeld, waarna partijen beiden op eerste verzoek zullen meewerken aan het opheffen van voornoemde bankrekening;
*
bepaalt dat de inboedel van de echtelijke woning tussen partijen in onderling overleg zal worden verdeeld en wanneer zij hierover geen overeenstemming bereiken, zullen ze een lijst opstellen van de gezamenlijke inboedel, waarna zij door middel van het werpen van een muntje tot een 50/50 verdeling van de inboedel komen;
*
veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 762,96 in verband met
de kosten van mediation, te voldoen binnen twee weken vanaf de datum van deze
beschikking, op een door de man aan te wijzen bankrekening, bij gebreke
waarvan de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de vrouw in verzuim is;
*
verklaart deze beslissing – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.D.A. Geleijns, M.F. Baaij en E.E. Kraan, (kinder)rechters, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.