ECLI:NL:RBDHA:2026:15865

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.21116
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 59 VwArt. 5.1b VbArt. 5 richtlijn 2008/115Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel van bewaring en ophoudingstermijn in vreemdelingenrechtelijke zaak

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde onder meer dat de ophoudingstermijn van zes uur was overschreden en dat er geen actueel en voldoende gemotiveerd besluit was genomen.

De rechtbank oordeelde dat de ophoudingstermijn niet was overschreden omdat uren tussen middernacht en 9:00 uur niet worden meegerekend. Daarnaast waren de gronden voor de maatregel van bewaring feitelijk juist en actueel beoordeeld, ondanks dat sommige feiten ook aan eerdere maatregelen ten grondslag lagen. Er was voldoende zicht op uitzetting, mede gelet op recente jurisprudentie en lopende laissez-passer aanvragen.

Verder werd geoordeeld dat het verlengingsbesluit terecht was opgenomen gezien cumulatieve inbewaringstellingen en dat geen lichter middel passend was vanwege het aanzienlijke onttrekkingsrisico. De rechtbank voerde ook een ambtshalve toetsing uit en vond geen strijd met het non-refoulementbeginsel of het belang van het familie- en gezinsleven. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21116

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. L. Soedamah),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Termijn bij de ophouding
1. Eiser heeft ter zitting betoogd dat de termijn overschreden is bij eisers ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. De ophouding van eiser ving namelijk aan op 28 maart 2026 om 8:00 uur, waarna de ophouding diezelfde dag om 14:27 uur is opgeheven. Eiser verbindt hieraan de conclusie dat er sprake is van een overschrijding van de termijn van zes uren die geldt bij de ophouding en dat de ophoudingstermijn met 27 minuten is overschreden.
2. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 50, derde lid, van de Vw blijkt dat de uren tussen middernacht en 9:00 uur niet worden meegerekend bij de ophoudingstermijn van zes uur. In het licht hiervan oordeelt de rechtbank dat er geen overschrijding is van de termijn voor de ophouding, nu de ophouding gerekend vanaf 9:00 uur tot het moment van inbewaringstelling niet langer dan zes uur heeft geduurd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Gronden voor de maatregel
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en vierde lid, van het Vb, vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert aan dat in de maatregel van bewaring gronden zijn opgenomen waarin feiten en omstandigheden zijn herhaald waar eerdere maatregelen van bewaring ook op waren gestoeld. Eiser betoogt dat door deze herhaling er geen actuele beoordeling is geweest van de gronden voor de maatregel van bewaring. Om deze reden is de bewaring onvoldoende gemotiveerd volgens eiser.
5. De rechtbank constateert in de eerste plaats dat eiser niet concreet één of meerdere gronden voor de maatregel heeft betwist. Wat eiser wel heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat de gronden voor oplegging van de maatregel feitelijk juist zijn (en dat de lichte gronden ook voldoende zijn toegelicht). Dat aan de huidige maatregel mede feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waarop ook eerdere maatregelen waren gebaseerd (zoals eisers illegale inreis in Nederland in 2016), maakt dit niet anders. Nu verweerder heeft geoordeeld dat die feiten en omstandigheden nog aanwezig zijn, is er bij de oplegging van de maatregel een actuele beoordeling gemaakt. Verweerder heeft overigens ook nieuwe feiten en omstandigheden opgenomen, onder verwijzing naar het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling (waaraan eiser niet wilde meewerken). De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
6. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Eiser stelt daarbij dat bij eerdere inbewaringstellingen voor hem ingediende laissez-passer aanvragen zijn mislukt. Verder stelt eiser dat het gebrek aan zicht op uitzetting reden is geweest zijn eerdere inbewaringstellingen op te heffen.
7. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722), is er in het algemeen zicht op uitzetting naar Algerije. Daarnaast blijkt uit de stukken dat, anders dan eiser stelt, eerder inbewaringstellingen van eiser om verschillende redenen zijn opgeheven (zoals een overdracht aan Duitsland, een overname van eiser in strafrechtelijk kader of een belangenafweging). In de M113 van 23 januari 2025 is weliswaar vermeld dat de bewaring is opgeheven omdat er ‘vooralsnog geen zicht op uitzetting’ was, maar verweerder heeft op de zitting verklaard dat de regievoerder heeft gezegd dat dit een fout is en dat de bewaring is opgeheven op grond van een belangenafweging. Bovendien betekent een eventuele opheffing wegens het ontbreken van zicht op uitzetting die op 9 januari 2025 – dus inmiddels ruim een jaar geleden - heeft plaatsgevonden volgens verweerder niet dat ook thans zicht op uitzetting ontbreekt. De rechtbank volgt verweerder hierin en is van oordeel dat dit laatste ook geldt voor het beëindigen van de eerdere twee laissez-passer trajecten. Deze trajecten (een bij de Marokkaanse autoriteiten en een bij de Algerijnse autoriteiten) zijn volgens verweerder gestopt omdat de bewaring werd opgeheven en niet omdat geen LP werd afgegeven. De rechtbank ziet geen reden aan deze informatie te twijfelen. De huidige laissez-passer aanvraag dateert van april 2026 en is in behandeling bij de Algerijnse autoriteiten en er is vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat deze aanvraag geen kans van slagen heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Verlengingsbesluit
8. Eiser voert aan dat het verlengingsbesluit op basis van artikel 59, zesde lid, van de Vw onterecht is opgenomen in de maatregel. Eiser meent dat een verlengingsbeslissing enkel van toepassing is bij een bewaring van zes maanden, en niet bij onderbroken inbewaringstellingen die cumulatief een bewaringsduur van zes maanden bewaring bereiken.
9. De rechtbank oordeelt dat gelet op de cumulatieve inbewaringstellingen van eiser, in samenhang bezien met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148, Aroja), terecht een verlengingsbesluit is opgenomen in de maatregel van bewaring.
Lichter middel
10. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat de maatregel niet proportioneel is.
11. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de niet bestreden feiten en omstandigheden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit de gronden voor de maatregel een aanzienlijk onttrekkingsrisico voortvloeit. Bovendien heeft eiser niet concreet gemaakt waarom een lichter middel passender zou zijn geweest of welke omstandigheden zwaarder zouden moeten wegen dan het belang van verweerder bij de inbewaringstelling. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
13. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
14. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.