ECLI:NL:RBDHA:2026:15870

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.22655
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was opgeheven voordat de zitting plaatsvond, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging onrechtmatig was en of schadevergoeding moest worden toegekend.

Verweerder stelde dat de bewaring noodzakelijk was vanwege zware en lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen, onttrekking aan toezicht, onvoldoende medewerking bij vaststelling identiteit en het verstrekken van onjuiste gegevens. De rechtbank stelde vast dat eiser deze gronden niet betwistte en dat deze samen de bewaring konden dragen.

Eiser voerde aan dat het beginsel van non-refoulement niet was getoetst en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank verwierp deze gronden, verwijzend naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en oordeelde dat bij asielbewaring geen toetsing aan non-refoulement vereist is. Ook was de bewaring proportioneel en noodzakelijk gezien het onttrekkingsrisico.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22655

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Patiatta).

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Op 21 april 2026 heeft verweerder de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer H. Barzizaoua. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de
Staat toekennen.
Gronden voor de maatregel
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is, ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank is gehouden, van oordeel dat deze gronden in onderlinge samenhang bezien de maatregel van bewaring hebben kunnen dragen.
Het beginsel van non-refoulement
4. Eiser betoogt dat er ten onrechte niet aan het beginsel van non-refoulement is getoetst in de maatregel. Door dit gebrek is de bewaringsmaatregel volgens eiser onrechtmatig opgelegd.
5. De rechtbank kan zich niet verenigen met eisers standpunt en wijst op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647, Adrar, uitgelegd door de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State in ECLI:NL:RVS:2026:329). Uit dit arrest is onder meer gebleken dat moet worden beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen verwijdering van een vreemdeling bij een bewaring ten behoeve van verwijdering ter uitvoering van een definitief terugkeerbesluit. In de voorliggende zaak gaat het om asielbewaring en dus niet om een inbewaringstelling waarmee verwijdering van een vreemdeling ter uitvoering van een definitief terugkeerbesluit wordt beoogd. Daarom is niet vereist dat het beginsel van non-refoulement werd getoetst in de maatregel van bewaring. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel.
7. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de onder 2. genoemde dragende zware en lichte gronden en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit de gronden vloeit namelijk een sterk onttrekkingsrisico voort. Onttrekking aan het toezicht heeft als gevolg dat de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning niet meer kunnen worden verkregen. Met toepassing van een lichter middel kan niet worden gewaarborgd dat deze gegevens uiteindelijk worden verkregen. Bovendien heeft eiser geen omstandigheid aangedragen die de rechtbank aanleiding geeft om een lichter middel op te leggen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
9. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.