ECLI:NL:RBDHA:2026:15881

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.5539
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 6 VwVreemdelingenwet 2000Art. 3.108d Vreemdelingenbesluit 2000Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Nigeriaanse IPOB-lid wegens onvoldoende vrees voor vervolging

Eiser, lid van de Indigenous People of Biafra (IPOB), vroeg asiel aan in Nederland vanwege zijn politieke activiteiten en vrees voor vervolging in Nigeria. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de verklaringen over zijn activiteiten en de risico's bij terugkeer.

De rechtbank oordeelt dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn zaak toe te lichten en dat het handelen van zijn gemachtigde voor zijn rekening komt. De rechtbank vindt dat de minister terecht tegenstrijdigheden en vaagheden in de verklaringen heeft meegewogen, waardoor het asielmotief onvoldoende aannemelijk is.

Hoewel eiser in Nederland actief is voor IPOB, is niet gebleken dat hij daardoor specifiek in de negatieve belangstelling van de Nigeriaanse autoriteiten staat. De rechtbank volgt de minister dat de vrees voor vervolging niet aannemelijk is gemaakt en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijke vrees voor vervolging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5539

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 23 mei 2023 een asielaanvraag ingediend. Uit een Eurodac treffer bleek dat eiser zich in 2021 al in Italië had gemeld. Om die reden is Italië verzocht eiser terug te nemen. Omdat eiser niet tijdig is overgedragen is hem op 21 februari 2024 bericht dat hij zal worden opgenomen in de nationale procedure.
2.1.
Met het bestreden besluit van 26 januari 2026 heeft de minister eisers aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Het asielrelaas
3. Eiser is in 2015, op [minderjarige] leeftijd, lid geworden van de Indigenous People of Biafra (IPOB). In september 2017 heeft hij deelgenomen aan twee protesten. Tijdens het tweede protest is de coördinator van IPOB, met wie eiser samenwerkte, doodgeschoten. Ook na dit incident is eiser actief gebleven binnen IPOB. IPOB wordt in Nigeria gezien als een terroristische organisatie. Daarom heeft eiser problemen met de Nigeriaanse autoriteiten. De Nigeriaanse overheid is namelijk op zoek naar alle leden van IPOB. Ook heeft eiser problemen gekregen met zijn oom, hij is ook tegen IPOB. Zijn oom wil eiser aangeven bij de overheid. In december 2018 heeft eisers oom de politie gebeld. Eiser heeft toen weten te ontsnappen en is diezelfde maand nog uit Nigeria vertrokken. In Nederland woont eiser nog steeds bijeenkomsten van IPOB bij. Bij terugkeer wil hij de activiteiten voor IPOB voortzetten en vreest hij dat hij wordt opgepakt of gedood door de regering wegens zijn lidmaatschap.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Politieke activiteiten voor IPOB en de daardoor ondervonden problemen met oom en autoriteiten; en
Politieke overtuiging en activiteiten in Nederland.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat motief 1. en 3. geloofwaardig zijn. De minister vindt asielmotief 2. niet geloofwaardig omdat eiser over bepaalde punten tegenstrijdig heeft verklaard en over andere punten vaag en wisselend heeft verklaard zodat niet is voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw [1] . De geloofwaardig geachte motieven maken niet dat eiser kan worden aangemerkt als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Ook een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer volgt hieruit niet. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.

Beoordeling door de rechtbank

Is het besluit onzorgvuldig voorbereid?
5. Allereerst benoemt eiser dan hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om met zijn advocaat te overleggen. Om die reden zijn er geen correcties en aanvullingen ingediend en is er ook geen zienswijze ingediend.
5.1.
De rechtbank begrijpt dat eiser meent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat hij geen correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor en nader gehoor, en geen zienswijze heeft kunnen indienen. De rechtbank stelt vast dat eiser gedurende de hele asielprocedure een gemachtigde heeft gehad en dat deze gemachtigde ook is aangeschreven door de minister. Op de zitting is toegelicht dat de vorige gemachtigde heeft laten weten dat eiser niet is verschenen op de gemaakte afspraken. Naar het oordeel van de rechtbank is het in zijn algemeenheid zo dat het de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling is om naar afspraken te gaan in het kader van de asielprocedure. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de gemachtigde, het niet indienen van correcties en aanvullingen of een zienswijze, voor rekening en risico van eiser komt. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn recht op rechtsbijstand te effectueren, aangezien aan eiser een gemachtigde is toegewezen. Eiser heeft deze advocaat na het eerste aanmeldgehoor gesproken en tijdens het tweede aanmeldgehoor heeft hij ook de gegevens van deze advocaat verstrekt. Hij was dus op de hoogte van de contactgegevens van de advocaat. Verder heeft eiser ook in beroep geen correcties en aanvullingen ingediend op de gehoren zodat niet is gebleken van aspecten uit de gehoren die onjuist zijn of niet zijn meegewogen. De rechtbank ziet dan ook geen grond om te oordelen dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de activiteiten voor IPOB in Nigeria en de daardoor ondervonden problemen ongeloofwaardig kunnen vinden?
6. Eiser meent dat de tegenstrijdigheden tussen zijn verklaringen over zijn lidmaatschap bij IPOB in de aanmeldgehoren en het nader gehoor ten onrechte aan hem zijn tegengeworpen. Het aanmeldgehoor is niet bedoeld om een vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn asielmotieven uiteen te zetten en te onderbouwen. Daarbij is de gestelde tegenstrijdigheid over zijn lidmaatschap uit te leggen. Ook het moment waarop eisers oom op de hoogte raakte van zijn lidmaatschap en het moment waarop zijn oom de politie belde lijkt tegenstrijdig, maar is uitlegbaar. Verder is de overgelegde IPOB-kaart onvoldoende meegewogen en is in beroep nog een aanvullende brief van IPOB ingediend die de verklaringen van eiser over zijn lidmaatschap en activiteiten bij IPOB bevestigen.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn aanvaring met zijn oom. De verklaring die eiser over zijn oom heeft afgelegd in het aanmeldgehoor, namelijk dat deze verwondingen aan hem heeft toegebracht, heeft hij afgelegd bij navraag van de minister naar zijn asielmotief. [2] De rechtbank overweegt dat de tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen over het asielrelaas geen gevolg mogen hebben voor de inwilligbaarheid van de asielaanvraag. [3] Andere verklaringen tijdens de aanmeldfase kunnen wel worden betrokken bij de beoordeling van de inwilligbaarheid. [4] De ten onrechte tegengeworpen verklaring leidt niet tot een gegrondverklaring van het beroep. De minister heeft namelijk het asielrelaas van eiser op dit punt niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht omdat de overige tegenwerpingen van de minister dit standpunt voldoende dragen.
6.1.1.
Zo heeft de minister mogen tegenwerpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn functie binnen IPOB. In het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij niets deed voor IPOB en ‘enkel lid’ is [5] , terwijl hij in het nader gehoor onder meer heeft verklaard dat hij een ‘sterk lid’ was [6] . Eiser is geconfronteerd met deze tegenstijdigheid in het nader gehoor. Hij heeft verklaard dat hij bij het aanmeldgehoor niet alles heeft verteld, omdat hij bang was dat de minister zijn verklaringen zou vertellen aan de Nigeriaanse autoriteiten. Pas bij het nader gehoor kwam eiser erachter dat zijn verhaal niet aan de Nigeriaanse overheid wordt verteld. De minister heeft dit een onvoldoende verschoonbare reden voor deze tegenstrijdigheid mogen vinden. Zo is eiser er tijdens de verschillende gehoren op gewezen dat zijn verklaringen vertrouwelijk worden behandeld en aan de Nigeriaanse autoriteiten niet wordt verteld dat hij hier asiel heeft aangevraagd. Gelet op deze gang van zaken heeft de minister deze tegenstrijdigheid uit het aanmeldgehoor mogen tegenwerpen.
6.1.2.
Verder heeft de minister mogen tegenwerpen dat eiser wisselend heeft verklaard over de reden van zijn vertrek. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat zijn oom de politie zou bellen omdat hij lid is van IPOB. [7] In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat zijn oom de politie heeft gebeld en dit de reden van zijn vertrek is geweest. [8] De rechtbank overweegt dat de minister eiser in het aanmeldgehoor vragen heeft gesteld over zijn reis. De minister heeft eiser daarom gevraagd hoe hij Nigeria heeft verlaten. Als antwoord op die vraag heeft eiser vervolgens uit zichzelf over zijn oom verklaard die de politie zou bellen vanwege zijn lidmaatschap van IPOB. Eiser wordt daarom niet gevolgd dat dit niet aan hem tegen te werpen is, omdat hij dit in het aanmeldgehoor heeft verklaard. [9]
6.1.3.
Daarnaast heeft de minister terecht tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over hoe zijn oom op de hoogte was van zijn IPOB lidmaatschap. De enkele stelling dat de weergave in het nader gehoor niet klopt is onvoldoende om de tegenstrijdigheid weg te nemen. Dit verklaart niet waarom eiser eerst verklaart dat hij zijn oom heeft verteld dat hij lid is van IPOB en later dat hij dit niet aan zijn oom heeft verteld, maar dat zijn oom er zelf achter is gekomen. Ook heeft de minister het ongerijmd mogen vinden dat de oom de politie pas belde op 30 december 2018. Dit was namelijk twee jaar na een eerder dreigement. Dat eiser stelt dat dit komt omdat hij zijn oom in die tussentijd niet heeft gezien, strookt niet met zijn verklaringen in het nader gehoor dat zijn oom hem af en toe in het dorp zag. [10] De minister heeft verder mogen tegenwerpen dat eiser vaag en wisselend heeft verklaard over de reden dat hij niet meer thuis verbleef. Aan de ene kant heeft eiser verklaard dat hij na het protest in september 2017 niet meer thuis sliep. [11] Aan de andere kant heeft eiser verklaard dat hij sinds 2016 niet meer thuis sliep, omdat hij door zijn oom werd bedreigd. [12] Van eiser mag verwacht worden dat hij over een dergelijk essentieel onderdeel helder kan verklaren.
6.1.4.
De minister heeft verder in het voordeel mogen wegen dat eiser tijdens het nader gehoor een online kaart heeft getoond waar zijn lidmaatschap van het IPOB uit zou blijken, maar dit weegt onvoldoende op tegen de hiervoor genoemde tegenwerpingen. Daar komt bij dat het gaat om een kopie en het document geen informatie geeft over de datum van lidmaatschap. De rechtbank kan de minister volgen dat eiser wisselend heeft verklaard over het in bezit zijn van een IPOB-kaart. In het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij nooit een ander document heeft gehad dan een geboorteakte. [13] Maar in het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij zich in Nigeria kon identificeren met zowel zijn kiezerspas als zijn IPOB-kaart. Het bevreemdt dat eiser in het aanmeldgehoor niet heeft verteld dat hij, zoals hij zelf in het nader gehoor stelt, sinds 2016 [14] in het bezit is van een IPOB-kaart waarmee hij zich identificeert.
6.2.
Over de in beroep ingediende brief van 2 april 2026 van de Zonal Coördinator overweegt de rechtbank het volgende. De minister heeft op de zitting terecht toegelicht dat de afkomst van de brief niet te verifiëren is en dat de inhoud op verschillende punten niet overeenkomt met de verklaringen van eiser. Zo stelt eiser dat hij al sinds 2015 lid is van IPOB, maar in de brief wordt 2016 genoemd. Ook wordt in de brief benoemd dat eiser meerdere keren ernstig is verwond en is gemarteld door de politie. Dit terwijl eiser heeft gezegd dat hij kon vluchten van de politie en niet gewond is geraakt door de politie. Aan de brief kan dan ook niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan graag gehecht wil zien.
6.3.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de minister het asielmotief dat ziet op de activiteiten voor IPOB in Nigeria en de daardoor ondervonden problemen naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig kunnen vinden.
Heeft de minister terecht in de politieke overtuiging en activiteiten in Nederland geen vrees voor vervolging gezien?
7. Eiser stelt dat hij, mede gelet op zijn postuur, opvalt bij bijeenkomsten van IPOB in Nederland. Hij verstopt zich niet. Daartoe heeft eiser enkele foto’s overgelegd waarop te zien is dat hij aanwezig is bij een IPOB bijeenkomst. Dit samen met zijn erkende lidmaatschap bij IPOB en activiteiten in Nigeria maakt dat hij wel degelijk in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat.
7.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de activiteiten die eiser voor IPOB in Nigeria zou hebben uitgevoerd niet geloofwaardig zijn geacht. De minister acht geloofwaardig dat eiser in Nederland activiteiten verricht, zoals het gaan naar enkele vergaderingen en het betalen van contributie. Ook wordt gevolgd dat eiser een politieke overtuiging heeft. Maar als eiser bij terugkeer deze activiteiten wil voortzetten volgt daar volgens de minister geen risico uit. Daarbij is niet gebleken dat eiser in de belangstelling staat van de Nigeriaanse autoriteiten zodat hij geen vrees voor vervolging heeft bij terugkeer.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat eiser in Nederland actief is voor de IPOB, dat hij contributie betaalt en dat hij met enige regelmaat aanwezig is bij activiteiten van IPOB. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of eiser daardoor een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Nigeria. Uit het arrest S en A [15] en de naar aanleiding van dit arrest aangepaste IB 2024/10, volgt dat aan de hand van de verklaringen van de vreemdeling en de algemene informatie over de situatie in het land van herkomst beoordeeld moet worden of de vreemdeling in de toekomst een risico loopt op vervolging door de autoriteiten vanwege een (toegedichte) politieke overtuiging.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de vrees voor vervolging bij terugkeer voor eiser vanwege zijn politieke overtuiging terecht niet aannemelijk heeft geacht. Eiser heeft niet onderbouwd dat specifiek hij, vanwege zijn aanwezigheid bij IPOB bijeenkomsten in Nederland en voortzetting daarvan bij terugkeer, in de negatieve belangstelling staat of komt te staan bij de Nigeriaanse autoriteiten. De enkele stelling dat eiser vooraan staat en opvalt vanwege zijn postuur, maakt dit niet anders. Niet is onderbouwd dat de Nigeriaanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers aanwezigheid bij IPOB bijeenkomsten in Nederland. Dat dit, zoals eiser stelt, in samenhang moet worden bezien met de activiteiten die eiser in Nigeria voor IPOB heeft uitgevoerd volgt de rechtbank niet. Deze activiteiten heeft de minister, zoals onder 6.1 en verder is toegelicht, niet geloofwaardig hoeven vinden. Op grond van IB 2024/10 [16] ligt de bewijslast voor de gegronde vrees bij terugkeer primair bij de vreemdeling. Eiser heeft niets aangevoerd waaruit zou moeten volgen dat hij bij terugkeer naar Nigeria heeft te vrezen voor de autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van
N. Walstra, griffier, en gepubliceerd door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Aanmeldgehoor, pagina 9.
3.Artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
4.Nota van toelichting, Stb. 2021,250, paragraaf 5.4.
5.Aanmeldgehoor, pagina 6.
6.Nader gehoor, pagina 15.
7.Aanmeldgehoor, pagina 7.
8.Nader gehoor, pagina 20/21.
9.Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 20 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2459.
10.Nader gehoor, pagina 23.
11.Nader gehoor, pagina 11.
12.Nader gehoor, pagina 21.
13.Aanmeldgehoor, pagina 4.
14.Nader gehoor, pagina 6.
15.ECLI:EU:C:2023:688.
16.Pagina 3.