Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15898

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
ROE 25.39393
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 richtlijn 2008/115Art. 9 richtlijn 2008/115Art. 3 richtlijn 2008/115Art. 30b Vreemdelingenwet 2000Art. 64 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit wegens non-refoulement en ernstige medische problematiek

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon met ernstige chronische schizofrenie, kreeg tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). Deze bescherming werd beëindigd, waarna verweerder een terugkeerbesluit oplegde dat eiser verplichtte Nederland en de EU te verlaten en terug te keren naar Marokko.

Verweerder erkende dat hij geen actuele beoordeling van de gezondheidssituatie van eiser had verricht, terwijl dit verplicht is volgens artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 en het beginsel van non-refoulement. Eiser voorzag het Bureau Medische Advisering (BMA) niet van actuele informatie en had geen contact meer met zijn gemachtigde, waardoor een geactualiseerd medisch advies ontbrak.

De rechtbank oordeelde dat ondanks het ontbreken van een actuele beoordeling, het beginsel van non-refoulement en de ernstige medische situatie van eiser verhinderen dat een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. De proceshouding van eiser doet niet af aan het absolute karakter van het refoulementverbod. De rechtbank vernietigde het terugkeerbesluit en veroordeelde verweerder in de proceskosten.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit wordt vernietigd vanwege het beginsel van non-refoulement en ernstige medische problematiek van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.39393

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] (V-nummer: [V-nummer]), eiser,

(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 17 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag heeft verweerder op 31 juli 2023 afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarbij is aan eiser voorlopig uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 Vw Pro.
Op 29 september 2023 is er een medisch advies uitgebracht door het Bureau Medische Advisering, welke verder is aangevuld op 17 november 2023.
Op 18 januari 2024 heeft verweerder de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw afgewezen en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, waaruit volgt dat eiser moet terugkeren naar Marokko.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar ingediend en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [1]
Bij besluit van 4 maart 2024 heeft verweerder het terugkeerbesluit van 18 januari 2024 ingetrokken, omdat eiser nog rechtmatig verblijf heeft op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (de Richtlijn 2001/55/EG, hierna: RTB).
Bij uitspraak van 30 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Bij besluit van 25 juli 2025 (het bestreden terugkeerbesluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd waaruit volgt dat eiser het grondgebied van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein binnen 4 weken na 4 september 2025 moet verlaten omdat hij anders kan worden uitgezet. Eiser moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft.
Eiser heeft op 19 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 25 juli 2025 en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen [2] .
Op 16 september 2025 heeft eiser zijn beroepsgronden ingediend.
Op 5 maart 2026 zijn partijen uitgenodigd voor de inhoudelijke behandeling van onderhavige zaak op de zitting van vrijdag 3 april 2026. Op 27 maart 2026 heeft verweerder verzocht om aanhouding omdat is gebleken dat het bestreden besluit ten onrechte geen acht heeft geslagen op de medische problematiek van eiser. De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van het beroep aangehouden.
Bij beschikking van 14 april 2026 heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiser. Omdat het terugkeerbesluit van 18 januari 2024 onterecht was, verklaart verweerder het bezwaar daartegen gegrond, met een vergoeding van de proceskosten ter hoogte van € 666,-. Het bezwaar tegen het uitstel van vertrek is niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser de benodigde stukken niet heeft overgelegd. Bovendien is gebleken dat eiser en zijn gemachtigde niet langer in contact staan met elkaar. Het terugkeerbesluit van 25 juli 2025 geldt volgens verweerder nog steeds.
Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek op 9 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1999. Hij heeft de Marokkaanse nationaliteit en beschikte over een tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne toen de oorlog uitbrak.
2. De rechtbank overweegt dat eiser tot de categorie personen behoort aan wie verweerder tijdelijke bescherming op grond van de RTB heeft verleend. Deze bescherming is door verweerder beëindigd, waardoor aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd. Eiser komt op tegen de vaststelling van het terugkeerbesluit.
3. Uit het terugkeerbesluit van 25 juli 2025 blijkt dat verweerder de tijdelijke bescherming van eiser heeft beëindigd op 4 maart 2024. Eiser moet Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken verlaten en terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft (in zijn geval Marokko). Indien eiser niet uit eigen beweging voldoet aan zijn terugkeerverplichting kan hij worden verwijderd. Verweerder heeft het vaststellen van het terugkeerbesluit gesignaleerd in het Schengen Informatie Systeem. In het terugkeerbesluit is ook vermeld dat eiser ten tijde van het besluit onder de zogenoemde ‘bevriezingsmaatregel’ valt, die op 4 september 2025 is geëindigd. Omdat eiser geen openstaande beroepszaak tegen het eerder aan hem opgelegde terugkeerbesluit en/of de beëindiging van zijn bescherming onder de RTB had, moet eiser vanaf 4 september 2025 binnen een termijn van vier weken uit de opvang en uit Nederland te vertrekken.
4. De rechtbank moet nu beoordelen of verweerder een terugkeerbesluit kan vaststellen of dat de in artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement daaraan in de weg staan. Verweerder moet immers op grond van artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn ook rekening houden met de gezondheidstoestand van eiser en verweerder is te allen tijde verplicht om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen.
5. Dat volgens verweerder is gebleken dat gemachtigde niet langer in contact staat met eiser doet niet af aan het feit dat de rechtbank in beroep een actuele beoordeling moet verrichten van de in artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement. Het beroep zal daarom dan ook niet niet-ontvankelijk worden verklaard.
6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser ernstig ziek is. Verweerder heeft om na te gaan of er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de terugkeer van eiser hem zou blootstellen aan een reëel risico van een significante daling van zijn levensverwachting of een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, het BMA in 2023 reeds om advies gevraagd.
7. Uit dat BMA-advies volgt dat eiser in Nederland onder behandeling staat voor een therapieresistente chronische schizofrenie. De behandeling van deze klachten is van blijvende aard. Bij het uitblijven van een behandeling voor de psychische klachten van eiser wordt een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden verwacht. In het BMA-advies is ook vermeld dat uit informatie van MedCOI blijkt dat de therapie en medicatie op het moment van het opstellen van het advies aanwezig zijn in Marokko. Alhoewel de door eiser gebruikte medicatie niet beschikbaar is, is er wel één alternatief beschikbaar wat wordt omschreven als een invasieve behandeling.
8. De rechtbank overweegt dat verweerder in het verzoek om aanhouding van 27 maart 2026 heeft erkend dat in het bestreden (terugkeer)besluit ten onrechte geen acht is geslagen op de medische problematiek van eiser. Gelet op artikel 5, aanhef en onder c van de richtlijn 2008/115/EG dient verweerder bij de beoordeling of aan een vreemdeling een terugkeerbesluit kan worden opgelegd, rekening te houden met de gezondheidstoestand van deze vreemdeling. Verweerder erkent daarmee dat het bestreden (terugkeer)besluit hier onvoldoende blijkt van geeft. Verweerder heeft daarom verzocht om aanhouding van de behandeling van onderhavige zaak, teneinde een geactualiseerde beoordeling te kunnen maken van de medische gesteldheid van eiser.
9. In dat kader overweegt de rechtbank verder dat op 27 januari 2026 [3] door deze rechtbank en zittingsplaats een prejudiciële vraag is gesteld over de bewijslast in het kader van de feitelijke toegankelijkheid van noodzakelijke medische zorg in het land waar de terugkeerverplichting op ziet. Daarin overweegt de rechtbank, kort samengevat, dat in de nationale rechtspraktijk de bewijslast van de feitelijke (on)toegankelijkheid van noodzakelijke medische behandeling bij de derdelander ligt en de derdelander ook het bewijsrisico draagt omdat dit zou volgen uit het arrest Paposhvili [4] van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Verweerder is echter op grond van artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 verplicht om bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en dus ook bij het vaststellen van een terugkeerbesluit, rekening te houden met de gezondheidstoestand van eiser en verplicht om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank heeft daarom onder verwijzing naar de arresten van het Hof in de zaken X, Medicinale Cannabis van 22 november 2022 [5] en Ararat van 17 oktober 2024 [6] de vraag aan het Hof gesteld of artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten, de verplichting voor verweerder omvat om, alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen, na te gaan of de voor eiser noodzakelijke medische behandeling ook daadwerkelijk voor hem feitelijk toegankelijk zal zijn na terugkeer.
10. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de onderhavige procedure heeft gepoogd om nader onderzoek te doen in het kader van zijn verplichtingen die volgen uit artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115. Doordat eiser in zijn artikel 64 Vw Pro-procedure niet de benodigde informatie heeft aangeleverd is het niet mogelijk geweest voor verweerder om een nieuw BMA-advies in te winnen en heeft verweerder dus geen geactualiseerde beoordeling gemaakt van de medische gesteldheid van eiser en de gevolgen hiervoor bij een mogelijke terugkeer naar Marokko. Verweerder heeft in zijn brief van 4 juni 2026 medegedeeld dat de gemachtigde van eiser op 10 april 2026 heeft aangegeven geen contact meer te hebben met eiser. De rechtbank acht het daarom niet opportuun om de behandeling van het beroep in afwachting van het arrest in de bovengenoemde verwijzing van 27 januari 2026 aan te houden.
11. Dat verweerder niet kan voldoen aan zijn verplichting om actueel te beoordelen of het beginsel van non-refoulement aan de vaststelling van het terugkeerbesluit in de weg staat, betekent niet dat geconcludeerd kan worden dat een terugkeerverplichting kan worden opgelegd. Verweerder heeft weliswaar terecht vastgesteld dat sprake is van illegaal verblijf omdat eiser niet langer voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf dat niet slechts ‘procedureel rechtmatig verblijf op nationaalrechtelijke gronden’ is. Verweerder heeft ook terecht Marokko benoemd als land waar de terugkeerverplichting op ziet. De rechtbank twijfelt echter of de bewijslast over de feitelijke toegankelijkheid op eiser rust, zoals verweerder ook in deze procedure meent. Gelet op aanhangige prejudiciële vraag en gelet op de bijzonder ernstige medische problematiek die eiser heeft en de eerdere conclusie van BMA en verweerder dat indien eiser de noodzakelijke medische behandeling niet voortzet, er een medische noodsituatie zal ontstaan, concludeert de rechtbank dat het beginsel van non-refoulement aan de terugkeer van eiser naar Marokko in de weg staat. Omdat verweerder het terugkeerbesluit van 18 januari 2024 heeft ingetrokken, is het bestreden (terugkeer)besluit een eerste vaststelling van een terugkeerbesluit. De rechtbank leidt uit de verduidelijking die het Hof op 26 maart 2026 heeft gegeven in het arrest Tadmur [7] , dat is gewezen naar aanleiding van prejudiciële vragen van deze rechtbank en zittingsplaats, af dat in deze situatie het beginsel van non-refoulement aan de vaststelling van het terugkeerbesluit in de weg staat. De rechtbank ziet daarom geen mogelijkheid om het terugkeerbesluit in stand te laten en uitsluitend de terugkeerverplichting voor eiser en voor verweerder uit te stellen, daargelaten dat artikel 9 van Pro richtlijn 2008/115 uitsluitend betrekking heeft op het uitstellen van de verwijdering en de verwijdering blijkens artikel 3, onder 5, van richtlijn 2008/115 de fysieke verwijdering uit de lidstaat is en dus niet ziet op de vrijwillige terugkeer door eiser. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder, ondanks dat eiser verweerder niet in staat stelt om een actuele refoulementbeoordeling te maken en hij ook geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde, in deze situatie geen terugkeerbesluit kan vaststellen [8] . De proceshouding van eiser doet dus niet af aan het absolute karakter van het refoulementverbod en dit verbod staat in de weg aan het vaststellen van een verplichting voor eiser om de Unie te verlaten en in de weg aan het vaststellen van een verplichting voor verweerder om eiser te verwijderen. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat de omstandigheid dat geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld, niet betekent dat nu aan eiser een verblijfsvergunning moet worden verleend. Verweerder is vanzelfsprekend wel bevoegd om een verblijfsvergunning op grond van nationale regelgeving en beleid te verlenen, maar richtlijn 2008/115 verplicht verweerder hiertoe niet.
12. Dit betekent dat het bestreden (terugkeer)besluit wordt vernietigd en het beroep gegrond wordt verklaard. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het op 25 juli 2025 vastgestelde terugkeerbesluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.M.R.L. Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 juni 2026.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zaaknummer: NL24.5656.
2.Zaaknummer: NL25.39394.
3.ECLI:NL:RBDHA:2026:1324. Deze verwijzing is bij het Hof geregistreerd als C-32/26, Lodring.
4.Arrest van het EHRM van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.
5.Arrest van het Hof van 22 november 2022 in de zaak X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913.
6.Arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, K.L.M.N. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892.
7.Arrest van het Hof van 26 maart 2026 in de zaak Tadmur, C-202/25, ECLI:EU:C:2026:257.
8.Zie in dat kader ECLI:NL:RBDHA:2026:1324.