ECLI:NL:RBDHA:2026:15916

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30144
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring onrechtmatig wegens niet onderkennen asielwens bij vreemdeling

De minister legde op 29 mei 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling een asielwens had geuit, waardoor de bewaring op een onjuiste grondslag was opgelegd.

De rechtbank stelde vast dat eiser had verklaard dat hij bij terugkeer naar Algerije vreest vermoord te worden, wat niet anders kan worden opgevat dan een verzoek om internationale bescherming. De minister had dit niet als zodanig erkend en eiser niet gevraagd of hij een asielaanvraag wilde indienen. De rechtbank verwierp het standpunt van de minister dat uit de omstandigheden kon worden afgeleid dat geen asielwens was geuit.

De rechtbank oordeelde dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was en beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 12 juni 2026. Daarnaast kent de rechtbank een schadevergoeding van €1840 toe voor de onrechtmatige bewaring en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van €1868. Het beroep wordt gegrond verklaard en verdere beroepsgronden worden niet behandeld.

Uitkomst: De bewaring is onrechtmatig opgelegd wegens niet onderkennen van de asielwens, de maatregel wordt opgeheven en eiser krijgt schadevergoeding en proceskosten toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30144

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. O. Sari).

Inleiding

1.1.
De minister heeft op 29 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en de waarnemer van de gemachtigde van eiser, mr. F. Boone, zijn op het detentiecentrum Rotterdam verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde op de rechtbank in Groningen. Daar is ook een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser voert primair aan dat de toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw onjuist is. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling een asielwens geuit, zodat eiser op de verkeerde grond in bewaring is gesteld.
2.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de grondslag van de maatregel juist is. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij bij terugkeer vreest om vermoord te worden, maar eiser heeft ook aangegeven dat hij vrijwillig wil terugkeren, hetgeen niet strookt met de door hem gestelde vrees. Daarbij heeft eiser meerdere asielaanvragen ingediend, heeft hij eerder niets verklaard over deze door hem gestelde vrees en blijkt dat eiser in het verleden eveneens een asielaanvraag heeft ingediend en deze weer heeft ingetrokken, omdat hij vrijwillig wilde terugkeren naar Algerije. De minister heeft eisers verklaring, onder de gegeven omstandigheden, dan ook niet hoeven aanmerken als de uiting van een asielwens.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van gehoor bij bewaring volgt dat eiser heeft verklaard dat hij waarschijnlijk wordt vermoord in Algerije. Hij heeft verder verklaard dat hij in contact is gekomen met mensen die op het verkeerde pad zaten, hij
€ 25.000,- van hen heeft weggenomen en vervolgens voor hen moest werken. Tijdens het gehoor is opgemerkt dat eiser niet eerder heeft verklaard dat hij bang is om vermoord te worden en is eiser gevraagd wat hiervan de reden is. Eiser heeft hierop geantwoord dat hij dit niet heeft gedaan omdat hij bang was om het te vertellen. Aan eiser is vervolgens niet gevraagd of hij asiel wilde aanvragen.
2.3. De rechtbank is van oordeel dat de bewaring op de verkeerde grondslag heeft plaatsgevonden. Eiser heeft immers uitdrukkelijk verklaard dat hij bij terugkeer vreest vermoord te worden, zodat dit niet anders kan worden opgevat dan een verzoek om internationale bescherming. Aan eiser is dan ook ten onrechte niet gevraagd of hij een asielaanvraag wilde indienen. De rechtbank volgt de minister verder niet in het standpunt dat uit de gegeven omstandigheden kon worden afgeleid dat eiser geen asielwens heeft geuit. Dat eiser de namen van de betreffende personen voor wie hij vreest niet zou hebben genoemd, speelt immers geen rol bij de vraag of er sprake is van een asielwens. Verder volgt uit eisers verklaring, dat hij vrijwillig zou willen terugkeren, evenmin eenduidig dat hij geen asielwens heeft geuit. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser tijdens het gehoor meerdere malen heeft verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Algerije en dat hij niet wil meewerken aan terugkeer. Eiser heeft vervolgens verklaard dat hij, wanneer hij weer in detentie zit, zelfstandig wil vertrekken maar dat hij niet onder dwang wil terugkeren naar Algerije. De rechtbank maakt hieruit op dat eiser heeft verklaard dat hij liever vrijwillig terugkeert dan gedwongen en kan uit deze verklaring niet zonder meer opmaken dat hij hiermee heeft aangegeven geen vrees bij terugkeer te hebben. Indien hierover onduidelijkheden waren, had dit aanleiding moeten zijn voor de minister om nadere vragen te stellen hierover. De rechtbank ziet in het feit dat eiser in het verleden meerdere asielaanvragen heeft ingediend, niet eerder over deze vrees heeft verklaard en een eerdere asielaanvraag heeft ingetrokken, geen aanleiding voor een ander oordeel.
2.3.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de bewaring op een onjuiste grondslag is opgelegd. Hieruit volgt dat de bewaringsmaatregel van aanvang af, te weten vanaf 29 mei 2026 onrechtmatig is geweest. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag, 12 juni 2026. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren. Nu deze beroepsgrond slaagt, ziet de rechtbank geen aanleiding meer voor de bespreking van de overige beroepsgronden.
Schadevergoeding en proceskosten
3. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen omdat eiser onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. Deze schadevergoeding bedraagt € 1840,- (1 dag verblijf politiecel x € 160,- en 14 dagen in een detentiecentrum x € 120,-)
4. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Conclusie

5. Het beroep is gegrond. De maatregel moet met ingang van vandaag, 12 juni 2026, worden opgeheven. Eiser krijgt een schadevergoeding en de minister moet de proceskosten van eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 12 juni 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1840,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.