ECLI:NL:RBDHA:2026:15920

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
AWB 26/9510/11/12/14
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Vw 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen vrijheidsbeperkende maatregel gezinslocatie Emmen

Verzoekers, een gezin met drie minderjarige kinderen, kregen op 10 juni 2026 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd op grond van artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, met verblijf op de gezinslocatie in Emmen. Zij maakten bezwaar tegen deze maatregel en vroegen om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de maatregel onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet is ingegaan op de bijzondere omstandigheden die verzoekers tijdens het vertrekgesprek naar voren brachten, zoals de lopende verlenging van hun verblijfsaanvraag en de medische situatie van hun ernstig zieke dochter. Ook is niet duidelijk gemaakt hoe zorgvuldig de medische problematiek is afgewogen en waarom de overplaatsing naar Emmen wenselijk is.

De minister stelde dat de maatregel noodzakelijk is voor de doorstroming in asielzoekerscentra en dat de gezinslocatie Emmen geschikt is vanwege medische faciliteiten en onderwijs. De voorzieningenrechter vindt dit onvoldoende, mede omdat verzoekers momenteel bij vrienden verblijven en geen gebruik maken van opvang in een AZC.

De voorlopige voorziening wordt toegewezen, waardoor de maatregel wordt geschorst totdat op het beroep is beslist. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekers.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de vrijheidsbeperkende maatregel geschorst tot op het moment dat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 26/9510, AWB 26/9511, AWB 26/9512 en AWB 26/9514

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[naam] en [naam],

V-nummers: [nummer] en [nummer],
mede namens hun drie minderjarige kinderen, verzoekers
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M. Mikolajczyk).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 van Pro de Vw. [1]
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

Procesverloop

2. De minister heeft verzoekers op 10 juni 2026 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd en hen op grond van artikel 56 van Pro de Vw verplicht om, met ingang van 15 juni 2026, te verblijven in de VBL [2] gezinslocatie in de gemeente Emmen. Verzoekers zijn het niet eens met de oplegging van deze maatregel. Op 11 juni 2026 is hiertegen beroep ingediend en is om een (spoed) voorlopige voorziening gevraagd.
2.1.
Omdat onverwijlde spoed dat vereist doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder partijen uit te nodigen voor een zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De maatregel en het daaraan voorafgaande gesprek
3. Uit het vertrekgesprek, voorafgaand aan de oplegging van de maatregel, volgt dat verzoekers hebben aangegeven dat hun advocaat bezig is met “een verlenging van de aanvraag om langer uitstel van vertrek te krijgen". Verzoekers hebben gevraagd of hierop kan worden gewacht. Uit het vertrekgesprek volgt ook dat verzoekers hebben aangegeven dat ze de overplaatsing niet wenselijk vinden en dat dit traumatisch is voor hun ernstig zieke dochter. Zij hebben laten weten dat de artsen dit ook aangeven. De regievoerder heeft aangegeven dat hier zorgvuldig naar gekeken is, dat juist de gezinslocatie Emmen is gekozen zodat het gezin voor haalbaar blijft om naar ziekenhuisafspraken in het UMCG [3] en Maxima-centrum te gaan. Het COa [4] heeft aangegeven dat deze overplaatsing is besproken in het MDO [5] en dat er goede zorg aanwezig is op de gezinslocatie Emmen, aldus het verslag.
3.1.
In de maatregel is aangegeven dat de openbare orde vordert dat de maatregel wordt opgelegd. Kort weergegeven is de maatregel opgelegd, omdat verzoekers niet hebben voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Onder het kopje andere redenen is in de maatregel aangegeven dat het belangrijk is dat verzoekers in het kader van de terugkeer op een gezinslocatie verblijven. Verder staat in de maatregel van zowel de vader als de moeder aangegeven dat door de vreemdeling geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd.
Standpunten van partijen
4. Verzoekers voeren aan dat zij de zorg hebben voor hun ernstig zieke dochtertje. Zij hebben een verblijfsvergunning gehad tot 28 februari 2026. Op 4 februari 2026 hebben zij opnieuw een verlenging van de verblijfsvergunning gevraagd en verzocht het verblijfsdoel te wijzigen naar voortgezet verblijf. Zij mogen deze aanvraag in Nederland afwachten. Volgens verzoekers hebben zij recht op COa-voorzieningen en wordt hun vrijheid ten onrechte beperkt. Verzoekers menen dat de overplaatsing naar de VBL op dit moment geen enkel doel dient, omdat zij hun lopende verblijfsaanvraag in Nederland mogen afwachten.
5. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Daarin voert de minister aan dat omdat verzoekers geen lopende asielaanvraag meer hebben en een (lopende) medische aanvraag geen recht geeft op opvang en voorzieningen als bedoeld in de Rva, [6] ervoor is gekozen om de huidige maatregel op te leggen. Dit zodat toch kan worden voorzien in de opvang van verzoekers. Daarbij is het voor het COa van groot belang dat er doorstroming blijft op de verschillende AZC’s [7] in Nederland en dat enkel vreemdelingen die daar recht op hebben, gebruik maken van opvang en voorzieningen. Of verzoekers momenteel al dan geen vertrekplicht hebben, is niet relevant voor de vraag of er terecht een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd. Ook als er sprake is van rechtmatig verblijf mag immers een vrijheidsbeperkende maatregel worden opgelegd.
5.1
In het verweerschrift heeft de minister verder aangegeven dat tot op heden niet is beslist op de aanvraag humanitair niet-tijdelijk van verzoekers van 4 februari 2026. Deze aanvraag zorgt ervoor dat verzoekers procedureel rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder f, van de Vw. Ook merkt de minister op dat het gezin momenteel verblijft bij vrienden in Hoogeveen, maar wel alle overige voorzieningen van het AZC Hoogeveen ontvangt. Gelet op de moeilijke situatie waar verzoekers zich momenteel in bevinden, hebben zij een meldplicht via de mail opgelegd gekregen waarbij zij zich elke woensdag moeten melden.
5.2.
Tot slot staat in het verweerschrift dat de keuze voor plaatsing op de gezinslocatie in Emmen en voor oplegging van de maatregel zorgvuldig is afgewogen. Gelet op de medische
situatie van hun dochtertje is bewust gekozen voor de gezinslocatie in Emmen, omdat het gezin vanaf hier (makkelijk) kan reizen naar het UMCG in Groningen en het Maxima-centrum in Utrecht. Ook is voor deze locatie gekozen, omdat het is ingericht voor gezinnen, schoolgang mogelijk is en de locatie speelvoorzieningen bevat. Tijdens een MDO tussen de DT&V, [8] het COa en de arts die werkzaam is op het AZC in Hoogeveen zijn de gevolgen en risico’s van oplegging van de maatregel besproken. Omdat er medische zorg en onderwijs aanwezig is op de gezinslocatie bestond er bij de arts geen bezwaar tegen oplegging van de maatregel. Verder is er goede zorg aanwezig op de gezinslocatie, aldus de minister.
Wat oordeelt de voorzieningenrechter
6. Zoals volgt uit 3.1 is in de maatregel niet ingegaan op dat wat verzoekers in het vertrekgesprek naar voren hebben gebracht aan bijzondere omstandigheden. Zo is niet ingegaan op de stelling van verzoekers dat de advocaat bezig is met “een verlenging van de aanvraag om langer uitstel van vertrek te krijgen”. Ook is in de maatregel niet ingegaan op de medische situatie van het dochtertje en de vraag of overplaatsing naar de VBL op dit moment wenselijk is. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat de maatregel onvoldoende is gemotiveerd.
6.1.
Dat tijdens het vertrekgesprek is aangegeven dat zorgvuldig is gekeken naar de medische situatie van het dochtertje en de gevolgen daarvan en dat daarom juist de gezinslocatie Emmen is gekozen zodat het voor het gezin haalbaar blijft om voor ziekenhuisafspraken naar het UMCG en Maxima centrum te gaan, dat deze overplaatsing is besproken in het MDO en dat er goede zorg aanwezig is qua faciliteiten in de gezinslocatie Emmen, maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat de maatregel op dit punt voldoende is gemotiveerd. Deze punten zijn immers niet nader zijn toegelicht in de maatregel zelf. Ook is niet gebleken op welke wijze zorgvuldig is gekeken naar de medische problematiek, welke risico’s en gevolgen zijn afgewogen, waarom het bezoeken van de ziekenhuisafspraken haalbaar blijft, wat is besproken in het MDO en op grond waarvan is geconcludeerd dat goede zorg voor het gezin aanwezig is op de gezinslocatie Emmen. De voorzieningenrechter acht in dit verband van belang dat verzoekers tijdens het vertrekgesprek hebben aangegeven dat ze de overplaatsing niet wenselijk vinden, dat dit traumatisch is voor hun dochter en dat haar artsen dit ook aangeven. Door hier niet op in te gaan is de maatregel op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
6.2.
De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat het standpunt zoals ingenomen in het verweerschrift, dat het voor het COa van groot belang is dat er doorstroming blijft op de verschillende AZC’s [9] in Nederland en dat enkel vreemdelingen die daar recht op hebben gebruik maken van opvang en voorzieningen, geen recht doet aan de omstandigheden waarin verzoekers verkeren. Zoals door de minister zelf is aangegeven verblijft het gezin momenteel bij vrienden in Hoogeveen. Het standpunt van de minister dat het voor het COa van groot belang is dat er doorstroming is, valt niet zonder meer te rijmen met het feit dat verzoekers bij vrienden verblijven en daarmee in ieder geval geen gebruik maken van de opvang in het AZC.
6.3.
De voorzieningenrechter benadrukt daarbij dat de plaatsing in de VBL bovenal dient om erop te kunnen toezien dat verzoekers daadwerkelijk werken aan hun vertrek, terwijl de minister erkent dat verzoekers de behandeling van hun lopende aanvraag in Nederland mogen afwachten zodat daadwerkelijk vertrek op dit moment nog niet aan de orde is. Ook de mogelijkheid om via de VBL aan verzoekers opvang te bieden om te voorkomen dat zij op straat belanden is op dit moment niet aan de orde, omdat verzoekers bij vrienden verblijven. De minister heeft dan ook niet uitgelegd in de maatregel of in het verweerschrift waarom er juist op dit moment aanleiding bestaat om over te gaan tot plaatsing in de VBL en de oplegging van de daarbij behorende maatregel van artikel 56 van Pro de Vw.
6.4.
Al met al komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat aanleiding bestaat om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van de maatregel worden geschorst totdat op beroep is beslist.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 10 juni 2026 is geschorst tot op beroep is beslist.
8. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 10 juni 2026 is geschorst tot op beroep is beslist;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
(buiten staat te tekenen)
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vrijheidsbeperkende locatie.
3.Universitair Medisch Centrum Groningen.
4.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
5.Multidisciplinair overleg.
6.Regeling verstrekkingen asielzoekers.
7.Asielzoekerscentrum.
8.Dienst Terugkeer en Vertrek.
9.Asielzoekerscentrum.