ECLI:NL:RBDHA:2026:1601

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
NL26.3791
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59 VwArt. 94 VwArt. 8 VwArt. 30b Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 27 december 2025 onderworpen aan een maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw). Eiser betoogde dat na de afwijzing van zijn asielaanvraag op 23 januari 2026 de maatregel onrechtmatig was omdat deze niet tijdig was omgezet naar een andere maatregel op grond van artikel 59 Vw Pro.

De rechtbank oordeelde dat eiser gedurende de beroepstermijn tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag rechtmatig verblijf genoot, waardoor de maatregel van bewaring terecht was gebaseerd op artikel 59b Vw. De gronden voor de bewaring, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen, het onttrekken aan toezicht en onvoldoende medewerking aan identiteitsvaststelling, werden niet betwist en waren voldoende onderbouwd.

Verder stelde de rechtbank vast dat voor de maatregel van bewaring geen zicht op uitzetting vereist is en dat verweerder niet verplicht is tot voortvarend handelen ter voorbereiding van uitzetting. Ambtshalve toetsing leidde niet tot een ander oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3791

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw [1] opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Grondslag van de maatregel
2. Eiser voert aan dat zijn asielaanvraag op 23 januari 2026 is afgewezen en dat verweerder gelet daarop de maatregel uiterlijk op 25 januari 2026 had moeten omzetten naar een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Vastgesteld is namelijk dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Hij mag een eventueel beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag niet in Nederland mag afwachten en er is geen verzoek om voorlopige voorziening toegewezen op basis waarvan eiser wel rechtmatig verblijft in Nederland. Het voortduren van de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw is dan ook onrechtmatig.
3. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Uit de uitspraak van de Afdeling [2] van 15 oktober 2019 volgt dat een vreemdeling na afwijzing van zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond geacht wordt procedureel rechtmatig verblijf te hebben als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw gedurende de rechtsmiddelentermijn of in afwachting van een beslissing op zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. [3] Bij besluit van 23 januari 2026 is de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw afgewezen als kennelijk ongegrond. De beroepstermijn bedraagt in dat geval één week. Uitgaande van een ontvangst van het besluit op 23 januari 2026 loopt de beroepstermijn tot en met 30 januari 2026. Dat betekent dat eiser op moment van sluiten van het onderzoek door de rechtbank , op 28 januari 2026, geacht wordt rechtmatig verblijf te hebben. De maatregel van bewaring is dan ook terecht gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, van de Vw.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden [4] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [5] vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. Deze zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel dragen.
Voortvarend handelen en zicht op uitzetting
6. Eiser heeft zich verder afgevraagd of verweerder al handelingen heeft verricht in het kader van de voortvarendheid en het zicht op uitzetting, zoals het opstarten van een aanvraag voor een laissez-passer en het vragen van toestemming aan het Openbaar Ministerie voor de uitzetting van eiser.
7. De rechtbank overweegt dat voor een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw zicht op uitzetting geen voorwaarde is en dat verweerder geen verplichting heeft tot voortvarend handelen ter voorbereiding van de uitzetting. [6]
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt ook ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 januari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
5.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
6.Zie de uitspraken van de Afdeling van 6 en 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552 en ECLI:NL:RVS:2016:1553.