Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16027

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
NL25.57406
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30b lid 1 onder h Vw 2000Art. 31 lid 6 Vw 2000Art. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens kennelijke ongegrondheid en aanpassing vertrektermijn

Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de minister werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister betwijfelde de geloofwaardigheid van het asielrelaas, met name de bedreigingen en mishandelingen die eiser zou hebben ondergaan, en stelde dat eiser zich niet tijdig had gemeld na binnenkomst in Nederland.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de ongeloofwaardigheid van het relaas aannam op grond van inconsistenties en onlogische verklaringen, zoals het late ontdekken van fraude en tegenstrijdigheden over aangiften en reisbewegingen. Echter, de rechtbank verwierp het standpunt van de minister dat eiser zich niet zo snel mogelijk had gemeld, omdat eiser aannemelijk had gemaakt dat hij zich binnen twee dagen na binnenkomst had gemeld.

Hierdoor was de kennelijke ongegrondheid van de aanvraag onterecht vastgesteld. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, handhaafde de afwijzing als ongegrond, maar stelde de vertrektermijn op vier weken in plaats van nul dagen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing als kennelijk ongegrond wordt vernietigd, de afwijzing als ongegrond blijft, en de vertrektermijn wordt gesteld op vier weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.57406
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister,

(gemachtigde: mr. R. Schreinemachers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser mocht afwijzen, maar dat hij ten onrechte heeft gezegd dat de aanvraag
kennelijkongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat een samenvatting van het asielrelaas van eiser. De beoordeling door de rechtbank van het besluit in het licht van de daartegen aangevoerde gronden volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de tegenwerping van artikel 31, lid zes, van de Vw 2000, op grond waarvan de minister heeft geconcludeerd dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. De rechtbank volgt de minister hierin. Daarna bespreekt de rechtbank of de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser zich zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk na binnenkomst in Nederland heeft gemeld. Om deze reden heeft de minister namelijk de aanvraag van eiser kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank volgt de minister hierin niet. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2004. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [de persoon] als waarnemer van de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en M.N. Haidari als tolk in de taal Urdu.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is in februari 2023 bij een callcenter gaan werken, [bedrijf]. Na de eerste maand werd eiser niet meer betaald door de eigenaar, [naam 1]. Bovendien merkte hij dat in het bedrijf werd gefraudeerd en dat klanten werden opgelicht. Eiser en zijn collega [naam 2] zijn na zes maanden op [naam 1] afgestapt om hun geld te eisen. Toen heeft [naam 1] hen bedreigd met een vuurwapen. Eiser en zijn collega hebben aangifte gedaan bij de politie en hebben daarbij ook verteld dat het bedrijf fraudeerde. Toen ze een paar dagen later gingen vragen hoe het stond met de zaak, werden zij zelf vastgehouden. Volgens eiser heeft [naam 1] de politie omgekocht. De politie heeft eiser en [naam 2] bedreigd en eiser meerdere malen vastgezet en mishandeld. Familieleden van eiser werden ook lastiggevallen. De telefoon van eisers vader is gestolen en eisers broer is een keer mishandeld. Eiser is vervolgens op verschillende plaatsen ondergedoken. Uiteindelijk wist een reisagent een studievisum voor Malta voor hem te regelen. Eiser is in januari 2024 naar Dubai gevlogen om het visum op te halen. Bij terugkomst in Pakistan in maart 2024 hoorde hij dat zijn collega [naam 2] was doodgeschoten. Eiser is vervolgens in april 2024 naar Malta gereisd en in juni doorgereisd naar Nederland.
Het besluit en de beoordeling van de daartegen aangevoerde gronden
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
  • De identiteit, nationaliteit en herkomst; en
  • De bedreigingen door de ex-werkgever en de mishandelingen door de politie.
4.1.
De minister gelooft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser wel. De bedreigingen en de mishandelingen acht de minister niet geloofwaardig. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat dit onderdeel van het relaas niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c en d van de Vw 2000. Om deze reden heeft de minister de aanvraag afgewezen als ongegrond. Omdat eiser zich volgens de minister zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk heeft gemeld na zijn binnenkomst in Nederland, heeft de minister de aanvraag ook kennelijk ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw 2000.
5. De rechtbank overweegt het volgende.
5.1.
Op grond van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 worden de verklaringen van een vreemdeling geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, ook als de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, wanneer (cumulatief) aan een aantal voorwaarden is voldaan. Voor zover hier relevant gaat het om de volgende voorwaarden:
b. alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;
c. de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag;
d. de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten.
5.2.
De minister heeft aan de tegenwerping van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw 2000 onder meer ten grondslag gelegd dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. Volgens de minister is het buitengewoon ongeloofwaardig dat eiser er pas na drie maanden achter kwam dat klanten werden opgelicht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat terecht tegengeworpen. Eiser heeft hier namelijk wisselend verklaard. Eiser verklaart dat het bedrijf van [naam 1] zich met name bezighield met oplichting, belastingontduiking en het afhandig maken van Burgerservicenummers om daarmee rekeningen leeg te halen [2] . Dat valt niet te rijmen met zijn verklaring dat hij hier pas na drie maanden achter zou zijn gekomen [3] . De verklaring die hij daarvoor in de zienswijze heeft gegeven, heeft deze ongerijmdheid niet weggenomen. In de zienswijze staat namelijk dat eiser na drie maanden een hogere functie kreeg, dat hij toen mensen onder zich kreeg en meer verantwoordelijkheden kreeg en op de hoogte raakte van de oplichtingspraktijk. In het nader gehoor heeft hij echter niets verklaard over een verandering van functie. In zijn vrije relaas heeft hij verklaard “Ik werkte op de afdeling Sales Management. Over zijn kantoor wist ik alles. Er werd gesjoemeld in de belastingaangiften” [4] . Daarna heeft hij, op een vraag van de hoormedewerker, geantwoord: “Ik was Sales manager. Ik deed de HR. (…) Ik hield verder de facturen bij en de sales. Ik hield bij wat er werd verkocht, wat de omzet was, en dit bespreken met de baas” [5] . Nergens in het nader gehoor heeft hij verklaard dat hij na verloop van tijd een andere functie heeft gekregen. Dit is in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor ook niet vermeld. De verklaring in de zienswijze doet dus niet af aan de ongeloofwaardigheid van dit deel van zijn verklaring.
5.3.
Ook heeft de minister terecht aan eiser tegengeworpen dat hij een complot schetst tussen [naam 1] en de politie, maar dat hij zich daarbij slechts baseert op vermoedens en aannames. In beroep is de verklaring van eiser op dit punt nog tegenstrijdiger geworden. Eiser heeft in de gehoren namelijk verklaard “Er is geen aangifte op papier. Ook niet tegen hem en ook niet tegen ons” en “Er is geen aangifte tegen mij gedaan omdat er geen bewijs was”. [6] Vervolgens heeft eiser in beroep alsnog een aangifte van [naam 1] tegen hem van 5 augustus 2023 en een arrestatiebevel tegen eiser van 10 oktober 2023 overgelegd. Deze twee zaken zijn niet met elkaar te rijmen.
5.4.
Tot slot heeft de minister ook terecht aan eiser tegengeworpen dat hij bevreemdend en onlogisch heeft verklaard over zijn reisbewegingen tussen Pakistan en Dubai. Eiser heeft namelijk gesteld dat hij naar Dubai is gereisd om een studievisum voor Malta op te halen. Maar dat had hij ook in Pakistan, zelfs in zijn woonplaats Karachi, kunnen aanvragen en ophalen. Hij heeft geen afdoende verklaring gegeven waarom de reisagent het visum in Dubai had aangevraagd. Ook heeft eiser niet kunnen uitleggen waarom hij ervoor heeft gekozen om terug naar Pakistan te gaan voor hij naar Malta vertrok, terwijl hij in Pakistan had te vrezen voor de autoriteiten en [naam 1]. Eiser heeft in het gehoor verklaard dat hij niet de spullen mee had die hij nodig zou hebben in Malta en dat de terugreis naar Pakistan al was geboekt. [7] In de zienswijze heeft hij daaraan toegevoegd dat er geen rechtstreekse vluchten gingen van Dubai naar Malta. Dat heeft de minister onvoldoende mogen achten. Als het gevaar dat eiser vreesde in Pakistan zo groot was, valt niet in te zien dat zijn spullen niet naar hem toe gestuurd konden worden en dat hij met een tussenstop van Dubai naar Malta kon vliegen, zoals hij uiteindelijk met een tussenstop van Pakistan naar Malta is gevlogen. Ook op dit onderdeel zijn eisers verklaringen dus onsamenhangend en onaannemelijk.
5.5.
Gelet op de voorgaande punten heeft de minister in ieder geval het bepaalde onder artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000 aan eiser kunnen tegenwerpen. Op grond daarvan heeft de minister mogen concluderen dat eisers verklaringen ongeloofwaardig zijn en om die reden de aanvraag mogen afwijzen als ongegrond. De overige gronden op dit onderdeel behoeven geen bespreking.
6. Wel is de rechtbank van oordeel dat de minister de aanvraag van eiser ten onrechte heeft afgedaan als kennelijk ongegrond. De minister heeft dit gebaseerd op artikel 30b, eerste lid, onder h van de Vw 2000. Eiser zou zich zonder gegronde reden na aankomst in Nederland niet zo snel mogelijk hebben gemeld om asiel aan te vragen. De rechtbank volgt dit niet. Eiser heeft verklaard dat hij op 5 juni 2024 Nederland is ingereisd. Hij heeft zich op 7 juni 2024 gemeld. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser bevreemdend en onlogisch heeft verklaard over zijn reisbewegingen binnen Europa en dat daarmee niet is komen vast te staan dat eiser pas op 5 juni 2024 Nederland is ingereisd. Eiser heeft echter door middel van de door hem overgelegde boekingsbevestiging een begin van bewijs geleverd dat hij daadwerkelijk is gevlogen zoals hij eerder ook heeft verklaard, namelijk op 15 april 2024 uit Pakistan via Italië naar Malta, om vervolgens op 5 juni 2025 via Italië weer naar Nederland te vliegen. De minister heeft zich hierover slechts op het standpunt gesteld dat hiermee niet vast staat dat eiser daadwerkelijk de geboekte vluchten heeft genomen. Dat vindt de rechtbank onvoldoende. Eiser heeft hiermee een begin van bewijs geleverd over zijn reisbewegingen. Het is dan aan de minister om daar iets concreets tegenover te stellen. Dat heeft hij niet gedaan. De rechtbank gaat er dus vanuit dat eiser daadwerkelijk op 5 juni 2024 Nederland is ingereisd. Hij heeft zich vervolgens gemeld op 7 juni 2024. Dit zou betekenen dat hij zich wel zo snel mogelijk heeft gemeld.
7. De minister heeft zich dus niet, althans niet zonder nadere motivering en onderbouwing, op het standpunt kunnen stellen dat eiser zich niet zo snel mogelijk heeft gemeld om bescherming te vragen. Dat betekent dat de minister de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Het gevolg hiervan is dat ook het terugkeerbesluit niet ongewijzigd in stand kan blijven, omdat aan de kennelijke ongegrondheid van de aanvraag ten onrechte een vertrektermijn van 0 dagen is gekoppeld. Ook het op dit terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrektermijn gebaseerde inreisverbod kan dan in rechte geen stand houden.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikel 3:2 en Pro 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, voor zover daarbij de aanvraag als ongegrond is afgewezen. Ook laat de rechtbank het terugkeerbesluit in stand, met dien verstande dat de rechtbank de vertrektermijn vaststelt op vier weken.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 november 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, voor zover daarbij de aanvraag ongegrond is verklaard en een terugkeerbesluit is opgelegd;
- bepaalt dat de vertrektermijn van het terugkeerbesluit wordt gesteld op vier weken;
- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van
L. Fernandez Ferreiro, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verslag nader gehoor, pagina 7 en 11.
3.Verslag nader gehoor, pagina 11.
4.Verslag nader gehoor, pagina 5.
5.Verslag nader gehoor, pagina 9.
6.Verslag nader gehoor, pagina 17 (beide citaten).
7.Verslag nader gehoor, pagina 21 en 22.