ECLI:NL:RBDHA:2026:1607

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
NL25.31690
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:55d AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom

Eiser diende op 14 november 2022 een asielaanvraag in. Verweerder besloot op 22 juni 2025 de aanvraag ongegrond af te wijzen, maar trok dit besluit op 2 december 2025 in omdat het Griekse asieldossier niet was betrokken bij de beoordeling. Hierdoor is nog steeds geen definitief besluit genomen.

Eiser stelde meerdere keren beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde eerdere beroepen gegrond en legde toen termijnen en dwangsommen op, maar verweerder besloot niet binnen die termijnen. In deze procedure staat het derde beroep centraal, waarin eiser een kortere beslistermijn en hogere dwangsom vordert.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is en dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden. Gezien de noodzaak om het Griekse dossier op te vragen en te vertalen, stelt de rechtbank een termijn van twaalf weken voor het nemen van een nieuw besluit. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500 opgelegd.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.401. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Meijers en griffier L.C.C. Bakx op 2 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een termijn van twaalf weken op voor een nieuw besluit met een dwangsom van €250 per dag bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31690

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 14 november 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
1.2.
Op 22 juni 2025 heeft verweerder een besluit genomen op de asielaanvraag van eiser en de aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. [1] Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.3.
Op 2 december 2025 heeft verweerder het bestreden besluit van 22 juni 2025 ingetrokken.
1.4.
Bij brief van 2 december 2025 heeft eiser de rechtbank meegedeeld dat hij het door hem ingestelde beroep niet intrekt en dat het zich nu richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder was hierbij aanwezig. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 14 november 2022 een asielaanvraag ingediend. Omdat verweerder niet op tijd heeft beslist, heeft eiser een eerste beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag ingediend. Dat beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, op 29 juli 2024, gegrond verklaard. [2] De rechtbank heeft verweerder toen opgedragen om binnen vier weken een beslissing te nemen en bepaald dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-.
3. Omdat verweerder niet binnen die vier weken heeft beslist, heeft eiser een tweede beroep niet tijdig beslissen ingediend. Bij uitspraak van 18 december 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het beroep weer gegrond verklaard en verweerder daarbij opgedragen binnen acht weken een beslissing te nemen. [3] Ook heeft de rechtbank bepaald dat verweerder een dwangsom moet betalen van € 100,- voor elke dag waarmee hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
4. Op 22 juni 2025 heeft verweerder een besluit genomen en de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Dit besluit heeft verweerder op 2 december 2025 ingetrokken omdat eisers asieldossier uit Griekenland niet bij de beoordeling was betrokken en verweerder dit alsnog wil doen.
5. Met het intrekken van het besluit van 22 juni 2025 is er nog steeds niet beslist op de asielaanvraag van eiser. Eisers derde beroep tegen het niet tijdig beslissen staat nu in onderhavige procedure centraal.
Wat vinden partijen in beroep?
6. Eiser voert aan dat verweerder nog steeds niet heeft beslist op zijn asielaanvraag. Ook aan de laatst opgelegde nadere beslistermijn heeft verweerder zich dus niet gehouden. Eiser verzoekt de rechtbank om een beslistermijn van nul dagen op te leggen en om een nadere dwangsom te bepalen voor elke dag waarmee verweerder deze termijn overschrijdt. Eiser betoogt dat een hogere dwangsom zou moeten worden opgelegd, omdat het hier om een derde beroep niet tijdig beslissen gaat. Eiser verzoekt daarom om een dwangsom van
€ 350,- per dag met een maximum van € 17.500,- op te leggen.
7. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de ervaring leert dat het opvragen en het vertalen van het Griekse asieldossier enige tijd kan duren. Verweerder heeft de rechtbank dan ook verzocht om een zo lang mogelijke beslistermijn op te leggen. Ook verzoekt verweerder om een lage dwangsom.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank zal eerst de vraag moeten beantwoorden of het beroep van eiser ontvankelijk is. Bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig. [4] Met de uitspraak van 18 december 2024 heeft de rechtbank verweerder een beslistermijn opgelegd van acht weken. Vanaf 13 februari 2025 is de dwangsom gaan lopen. Op 22 juni 2025 heeft verweerder een besluit genomen. De rechtbank stelt vast dat verweerder door het intrekken van het besluit op 2 december 2025 nog steeds geen beslissing heeft genomen op de asielaanvraag van eiser. Gelet op het voorgaande is het beroep ontvankelijk en is sprake van overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser daarom gegrond.
9. Aangezien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekend is gemaakt, zal de rechtbank verweerder opdragen alsnog een besluit te nemen. Daarbij zal de rechtbank verweerder een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit. [5] Uit het procesdossier blijkt dat de maximale beslistermijn van 21 maanden ruim is overschreden. De rechtbank neemt in een dergelijk geval normaliter als uitgangspunt dat verweerder binnen acht weken op de asielaanvraag moet beslissen. Omdat verweerder het Griekse asieldossier van eiser moet opvragen en vertalen voordat een nieuwe beslissing genomen kan worden, bepaalt de rechtbank in onderhavige zaak dat verweerder binnen twaalf weken na bekendmaking van deze uitspraak een besluit moet nemen op de asielaanvraag van eiser van 14 november 2022.
10. De rechtbank bepaalt dat een dwangsom wordt verbeurd voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft om aan de termijn van deze uitspraak te voldoen. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb [6] en de vaste gedragslijn in vreemdelingenzaken [7] , stelt de rechtbank de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag van € 250,- voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden met maximum van € 37.500,-. Aangezien dit het derde beroep tegen het niet tijdig beslissen is en verweerder een iets langere beslistermijn heeft gekregen, is deze hoogte van de dwangsom naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd.
11. Nu het beroep gegrond is, bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank voor het instellen van het oorspronkelijke beroep vast op € 934,- (1 punt voor het beroepschrift, waarde per punt €934,- en een wegingsfactor 1). Voor het aanvullende beroepschrift met betrekking tot het niet tijdig beslissen van 2 december 2025 stelt de rechtbank de kosten vast op € 467,- (1 punt voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5), nu deze handeling van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is vestreken. Verweerder dient het totaalbedrag van € 1.401,- te betalen aan de gemachtigde van eiser.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van eiser gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.401,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.NL24.11306.
3.NL24.45390.
4.Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673.
5.Op grond van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
6.Algemene wet bestuursrecht.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 mei 2025,