ECLI:NL:RBDHA:2026:16085

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL25.30470
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 29, eerste lid, Vw 2000Art. 31, zesde lid, aanhef en onder a, Vw 2000Art. 31, zesde lid, aanhef en onder c, Vw 2000Art. 64 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid relaas en onvoldoende onderbouwing bekering en bedreiging

Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende man, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, gebaseerd op zijn bekering tot het christendom en de daaropvolgende bedreiging, ontvoering en mishandeling door een islamitische groepering. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid en onderbouwing.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende oprechte inspanningen heeft geleverd om zijn identiteit met originele documenten aannemelijk te maken. Ook zijn verklaringen over het proces en de motieven van zijn bekering zijn vaag en oppervlakkig, waardoor het asielmotief niet geloofwaardig is. De door eiser overgelegde documenten bevatten inconsistenties en zijn niet objectief verifieerbaar.

Daarnaast acht de rechtbank het relaas over de ontvoering en mishandeling ongeloofwaardig, mede omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt hoe hij in negatieve belangstelling van de islamitische groepering is gekomen. Ook het ontbreken van navraag naar de status van zijn aangifte weegt mee.

De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas en griffier R.C. Lubbers op 10 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30470

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. N.N. Mikolajczyk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 7 juli 2025 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Egyptische nationaliteit, hij stelt dat zijn naam [eiser] is en dat hij is geboren op [geboortedag] 1990. Eiser verklaart in de eerste instantie te zijn opgegroeid in een gezin zonder religie. Eiser verklaart dat zijn vader vanaf 2005 echter interesse begon te tonen in het christendom. Eisers ouders zijn in 2008 bekeerd. Eiser is toen in 2021 gedoopt. Sindsdien gaat eiser naar de kerk. Op 3 oktober 2021 is eiser na een bezoek bij de kerk, samen met zijn broer, door vijf mannen ontvoerd en gemarteld. Na twee dagen werden eiser en zijn broer vrijgelaten en werd hen verteld dat ze moesten terugkeren naar hun (islamitische) religie en dat als zij dat niet deden, dat zij en hun familie zouden worden vervolgd. Verder werd hen meegegeven dat de ontvoerders hen kenden en hun foto’s hadden. Eiser denkt dat de ontvoerders afkomstig zijn van de organisatie [naam organisatie] . Eiser heeft daarna aangifte gedaan en hij heeft medische hulp gekregen. Daarop werd eiser in Hurghada door twee leden van [naam organisatie] bezocht, zij stelden hem vragen over zijn geloof. Eiser vertelde hun dat hij bad en dat hij ontslag zou nemen van zijn werk. Eiser is, na het overlijden van zijn vader, samen met zijn broer gevlucht. Eiser verklaart bekeerd te zijn tot het christendom en bang te zijn om te worden vermoord bij terugkeer naar Egypte.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Problemen vanwege eisers bekering.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eiser zijn identiteit niet met documenten aannemelijk heeft gemaakt [1] , en dat zijn identiteit voor het overige ook niet geloofwaardig is omdat niet is gebleken dat eiser een oprechte inspanning heeft geleverd om zijn identiteit alsnog met documenten te onderbouwen. [2] De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser ook zijn tweede asielmotief over de gestelde problemen naar aanleiding van zijn bekering niet met documenten heeft onderbouwd en dat dit asielmotief voor het overige ook niet geloofwaardig is, omdat hij daarover niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. [3] De minister stelt zich vervolgens op het standpunt dat eisers Egyptische afkomst onvoldoende is voor de conclusie dat eiser een gegronde vrees heeft om te worden vervolgd of een reëel risico loopt op ernstige schade. [4] De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen.
Eisers identiteit
5. Niet in geding is dat eiser zijn identiteit niet geheel met objectieve documenten heeft onderbouwd. Anders dan eiser lijkt te veronderstellen werpt de minister hem namelijk niet tegen dat zijn identiteit louter ongeloofwaardig is wegens het ontbreken van documenten, maar dat eiser kopieën van zijn rijbewijs, identiteitskaart en paspoort heeft overgelegd, dat deze kopieën niet voldoende zijn en dat volgens de minister niet blijkt dat eiser inspanningen heeft verricht om originelen te verkrijgen.
5.1.
De minister heeft het asielmotief vervolgens getoetst aan de hand van de criteria uit artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. De rechtbank bespreekt deze beoordeling aan de hand van de gronden van eiser.
Heeft eiser een oprechte inspanning geleverd om zijn identiteit aannemelijk te maken?
6. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn identiteit met documenten te onderbouwen. Hij wijst erop dat hij een kopie van een rijbewijs en een kopie van een paspoort overgelegd en hij heeft daarover altijd consistent verklaard. Dit rijmt volgens eiser niet met een vreemdeling die geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te onderbouwen.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in dit kader van eiser mogen verwachten dat hij zich moeite zou hebben getroost om originelen van deze of andere documenten te verkrijgen, maar van enige moeite is niet gebleken. De minister wijst er terecht op dat eiser op 15 januari 2024 zijn aanmeldgehoor heeft gehad en dat hij reeds daar is gewezen op het belang van originele documenten. Ten tijde van het nader gehoor op 12 juni 2025 heeft eiser aangegeven geen originele identificerende documenten te bezitten, maar heeft hij de betreffende kopieën van zijn rijbewijs en paspoort overgelegd. Ten tijde van het nader gehoor heeft eiser dus al ongeveer achttien maanden de tijd gehad om originelen te verkrijgen, terwijl niet is gebleken van redenen waarom hij niet bij de Egyptische autoriteiten om originelen had kunnen vragen. Dat maakt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat eiser een oprechte inspanning heeft geleverd om zijn identiteit te onderbouwen. In het betoog van eiser dat hij stelt bang te zijn voor de Egyptische autoriteiten had de minister geen aanleiding hoeven zien om eiser van de plicht om zijn identiteit aannemelijk te maken te ontslaan. De minister wijst er in dit kader terecht op dat de Egyptische autoriteiten geen reden hebben om te vermoeden dat eiser is gevlucht, omdat hij legaal is uitgereisd en dat uit het relaas van eiser ook niet blijkt dat hij naar eigen zeggen heeft te vrezen voor de Egyptische autoriteiten.
6.2.
Op de zitting heeft eiser nog verklaard dat hij een origineel rijbewijs heeft weten te verkrijgen. Hij heeft aangegeven dit rijbewijs een week voor de zitting te hebben bemachtigd, maar het door stress niet aan zijn gemachtigde te hebben gegeven. De gemachtigde van de minister heeft zich op het standpunt gesteld dat dit rijbewijs voor wat deze procedure betreft tardief is aangeleverd en dat daar ten tijde van het onderzoek ter zitting geen waarde aan kan worden gehecht, omdat het door de minister niet kan worden beoordeeld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt. Zoals uit voorgaande volgt heeft eiser ruimschoots de gelegenheid gehad om tijdig het origineel van zijn rijbewijs te overleggen, maar heeft hij dat niet gedaan. Door het op zitting alsnog te overleggen heeft de minister niet de kans gehad om het rijbewijs te bestuderen en daarover een onderbouwd standpunt de formuleren. Het op de zitting overlegde rijbewijs zal daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen.
6.3.
Op de zitting heeft eiser nog betoogd dat zijn identiteit mede wordt onderbouwd door de door hem overgelegde kopie van een stuk van het Al-Haram-ziekenhuis. Los van de omstandigheid dat een kopie van een verklaring van een ziekenhuis geen identificerend document is als bedoeld in paragraaf C1/4.2.2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) heeft de minister er ter zitting niet ten onrechte op gewezen dat de kopie een aantal opmerkelijke onjuistheden bevat. De minister heeft er onweersproken op gewezen dat het adres van het ziekenhuis, dat wel echt bestaat, niet klopt en dat ook het telefoonnummer en het faxnummer niet overeenkomen. Daarnaast heeft de minister er nog op gewezen dat het opmerkelijk is dat het ziekenhuis blijkens de kopie kennelijk een Hotmail-emailadres heeft. De minister heeft daarom niet de waarde aan deze kopie hoeven hechten die eiser daaraan gewenst had willen zien.
6.4.
Gezien voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers identiteit niet geloofwaardig is.
De gestelde problemen door eisers bekering
Mag de minister van eiser verwachten dat hij zijn asielmotief onderbouwt met objectieve documenten? [5]
7. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn bekering foto’s overgelegd waarop hij in de kerk te zien is, een steunverklaring van de Sint-Bonifatiusparochie te Zaandam, een kopie van een aangifte van een mishandeling in Nederland door een medebewoner van het asielzoekerscentrum waar eiser verblijft, een kopie van een aangifte uit Egypte over de door eiser gestelde ontvoering en marteling en een kopie van de Koptisch-Orthodoxe kerk waaruit volgt dat eiser tot deze kerk behoort.
8. Eiser betoogt dat de minister bij de vraag of eiser zijn asielmotief heeft onderbouwd met documenten niet mag volstaan met het standpunt dat de door eiser overgelegde documenten niet objectief verifieerbaar zijn en dat hij dit asielmotief daarom niet voldoende met documenten heeft onderbouwd. Volgens eiser is het aan de minister om hem, ook in deze fase van de asielprocedure, op grond van de samenwerkingsverplichting te helpen bewijzen te vergaren. Eiser wijst op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025. [6] Eiser vindt daarbij ook dat de minister de aangedragen documenten onvoldoende bij het besluit heeft betrokken. De documenten dienen in samenhang met zijn verklaringen te worden beoordeeld. Dat is niet gedaan en in het besluit is ook niet gemotiveerd waarom niet. Eiser wijst daartoe op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 18 februari 2025. [7]
8.1.
Het betoog slaagt niet. In afwijking van de twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, is deze zittingsplaats bij uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2025 tot het oordeel gekomen dat de werkwijze van de minister, zoals verwoord in werkinstructie (WI) 2026/4 over de onderbouwing van het asielmotief met documenten voldoet aan het toepasselijke Unierecht. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen reden om daar nu anders over te oordelen. [8]
8.2.
De rechtbank is verder niet gebleken dat de minister de door eiser ter staving van dit asielmotief overgelegde documenten niet in samenhang met zijn verklaringen heeft beoordeeld. De rechtbank leest het betoog van eiser, met het oog op de door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 28 februari 2025, zo dat eiser daarmee wil zeggen dat de minister niet zonder inachtneming van eisers verklaringen over dit asielmotief een mindere bewijswaarde mag hechten aan documenten, alleen omdat zij niet objectief verifieerbaar zouden zijn. De rechtbank wijst wederom op de uitspraak van deze zittingsplaats van 8 september 2025 waarin deze grond expliciet is besproken. [9] Deze rechtbank en zittingsplaats wijst er in die uitspraak uitdrukkelijk op dat de minister aan niet objectief verifieerbare documenten een bewijswaarde mag toekennen en dat in het vervolg van de geloofwaardigheidsbeoordeling ook rekening wordt gehouden met de verklaringen van eiser over het betreffende asielmotief.
8.3.
Daar komt in dit geval bij dat de minister niet slechts aan eiser heeft tegengeworpen dat aan de door hem overgelegde documenten minder waarde toekomt omdat zij niet objectief verifieerbaar zouden zijn, maar ook dat daaraan minder waarde toekomt omdat eisers identiteit niet geloofwaardig is bevonden, terwijl eisers (gestelde) identiteit ook op de door hem overgelegde documenten is opgenomen en dat daardoor niet zonder meer duidelijk is of deze documenten wel zien op eiser, of op een ander.
8.4.
Uit voorgaande volgt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn relaas niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten. De minister heeft verder nog beoordeeld of het asielmotief desondanks geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De rechtbank bespreekt dit standpunt hieronder aan de hand van de gronden van eiser.
Heeft eiser samenhangend en aannemelijk verklaard over zijn bekering? [10]
De communicatievaardigheden van eiser
9. Eiser betoogt dat de minister hem niet heeft mogen tegenwerpen dat hij voldoende communicatief vaardig was om te kunnen verklaren over zijn bekering tegenover de IND en dat van eiser daarom meer wordt verwacht.
9.1.
De rechtbank volgt dit betoog niet. Eiser was directeur bij [naam bedrijf] alwaar hij onder andere fungeerde als het aanspreekpunt voor verschillende hotels, waaronder het [naam hotel] . Daaruit mag de minister afleiden dat eiser communicatief vaardig is. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarom hij desondanks niet voldoende communicatief vaardig zou zijn om zijn asielrelaas onder woorden te brengen. Anders dan eiser betoogt heeft de minister niet tegengeworpen dat van hem meer wordt verwacht, maar slechts dat aan zijn volgens de minister ongeloofwaardige verklaringen over zijn bekering in ieder geval geen gebrek aan communicatieve vaardigheden ten grondslag ligt. Bovendien heeft eiser niet geconcretiseerd welk gevolgen zijn betoog volgens hem zou moeten hebben.
Eiser maakt de motieven voor en het proces van bekering naar het christendom onvoldoende inzichtelijk
10. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet heeft kunnen verklaren waarom hij in 2021 uiteindelijk is bekeerd naar het christendom. Eiser verklaart daarover duidelijk en gedetailleerd, ook over het proces dat daartoe heeft geleid. Volgens eiser pikt de minister alle oppervlakkigheden eruit maar gaat hij onvoldoende in op de verklaringen van eiser over het proces. Eiser wijst erop dat deel van dat proces werd gevormd door de positieve verandering die hij bij zijn ouders zag. Eiser legt ook uit waarom hij op enig moment wel was geïnteresseerd in het christendom. [11] Verder mag de minister eiser in dit kader naar eigen zeggen niet tegenwerpen dat hij niet heeft kunnen verduidelijken waarom hij pas in 2021 tot het christendom is bekeerd. Eiser wijst erop dat hij daarover heeft verklaard dat dit mede te maken had met de ziekte van zijn vader en de omstandigheid dat hij een gezin kreeg, dat hij wilde beschermen. [12] Tot slot betoogt eiser dat de minister in het bestreden besluit niet heeft aangegeven welke waarde hij heeft gehecht aan zijn verklaringen in de zienswijze over de motieven voor en het proces van zijn bekering.
10.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte en bovendien uitvoerig gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende inzichtelijk verklaart over het proces van bekering naar het christendom. Van eiser had mogen worden verwacht dat hij meer persoonlijke en diepgaande verklaringen zou afleggen. De minister wijst er in dit kader niet ten onrechte op dat eiser naar zijn eigen verklaringen gedurende een langere periode is opgevoed met het christendom, naar school is geweest en een verantwoordelijke baan heeft gehad in de hotelbranche. De minister heeft, onder andere, gewezen op pagina 13 van het nader gehoor, waarin eiser doorlopend in algemene termen en oppervlakkig verklaart in reactie op vragen van de minister. Daarbij erkent de minister dat eiser heeft verklaard over zijn vader, maar daaruit blijkt niet genoegzaam waarom de bekering van zijn vader uiteindelijk tot hetzelfde heeft geleid bij eiser. Eiser verklaart doorlopend over wat er in zijn religieuze gevoelsleven is gebeurd, zoals het opvullen van leegte en het ervaren van liefde en vergevingsgezindheid, maar verklaart niet hoe hij tot die inzichten en gevoelens is gekomen en welke betekenis die voor hem hebben ten opzichte van de periode waarin hij nog niet was overtuigd door het christendom en wat maakt dat hij deze gevoelens en inzichten niet heeft kunnen ervaren buiten de kaders van het christendom. Met betrekking tot zijn familie wijst de minister er in dit kader bijvoorbeeld op dat eiser weliswaar aangeeft een leegte te zijn gaan ervaren toen hij een kind kreeg, maar hij maakt niet duidelijk waarom die leegte ontstond en waarom eiser die leegte koppelt aan het christelijk geloof. Dat had de minister wel van hem mogen verwachten. De minister werpt eiser niet ten onrechte tegen dat zijn verklaringen over zijn bekering en het proces daarnaartoe zeer vaag zijn.
10.2.
In de reactie van de minister op de zienswijze leest de rechtbank dat eisers nadere verklaringen in de zienswijze aan deze ongeloofwaardig bevonden verklaringen niet kunnen afdoen. De minister legt aan dat standpunt ten grondslag dat de minister hem over deze verklaringen niet nader heeft kunnen bevragen en dat onduidelijk is of het authentieke verklaringen van eiser betreft, nu zij niet zijn afgelegd in een gehoor bij de IND en dat eisers bovenstaande verklaringen uit het nader gehoor daarom prevaleren. De minister heeft daarmee voldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser in de zienswijze niet aan zijn ingenomen standpunt over de motieven voor en het proces van bekering kunnen afdoen.
Eiser kan niet inzichtelijk verklaren over wat voor hem doorslaggevend was voor de bekering
11. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet kan aangeven wat voor hem de doorslag gaf om te geloven in het christendom. Eiser betoogt dat uit zijn verklaringen blijkt dat het voor hem meerdere dingen waren waarover hij uitvoerig heeft verklaard. Eiser stelt voorop dat onduidelijk is welke waarde de minister heeft gehecht aan zijn verklaringen uit de zienswijze.
11.1.
Het betoog slaagt niet. Anders dan eiser lijkt te veronderstellen werpt de minister hem niet tegen dat hij niet één omstandigheid heeft genoemd die voor hem doorslaggevend was, maar dat eiser in het geheel niet inzichtelijk heeft verklaard over waarom hij uiteindelijk is bekeerd. Dat eiser een groot aantal verklaringen heeft afgelegd kan aan het standpunt van de minister op zichzelf niet afdoen, omdat geen van deze verklaringen duidelijk maakt welke persoonlijke afwegingen en gedachten eiser tot de bekering hebben doen bewegen. De minister wijst er niet ten onrechte op dat de vader van eiser al sinds 2008 bezig was met het christendom en dat hij met zijn ouders meeging naar de kerk. Oppervlakkige verklaringen over liefde, tolerantie en rechtvaardigheid, rust en vrede geven geen inzicht in eisers persoonlijke belevingswereld. Gezien eisers achtergrond heeft de minister eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat hij daarover inzichtelijker en persoonlijker had kunnen en moeten verklaren.
Eiser verklaart in algemene begrippen over zijn geloof en kan niet inzichtelijk maken wat de bekering voor hem persoonlijk heeft opgeleverd
12. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij summier en oppervlakkig heeft verklaard over de persoonlijke beleving van zijn bekering. Eisers antwoorden zijn verder niet oppervlakkig, maar slechts feitelijk. Eiser antwoordt in praktische zin en over wat eisers persoonlijke beleving is. Gelet op de vragen die aan eiser zijn gesteld, zijn zijn antwoorden naar eigen zeggen voldoende.
12.1.
Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser algemeen en oppervlakkig verklaart over zijn geloof en wat dat hem brengt. Hij verklaart weliswaar in termen als liefde, gerechtigheid en acceptatie, maar verklaart niet waarom nu juist het christelijk geloof hem deze dingen doet ervaren en hoe deze dingen hem als persoon hebben veranderd.
Eisers kennis van het christelijk geloof
13. Eiser richt geen gronden tegen de tegenwerpingen van de minister dat hij zijn kennis over het christendom niet persoonlijk kan maken, dat hij niet duidelijk kan maken wat de verschillen zijn tussen de orthodoxe en katholieke kerk en dat zijn verklaringen over de kerkdiensten algemeen, oppervlakkig en niet persoonlijk zijn.
De waarde van eisers documenten in samenhang met zijn verklaringen
14. Ter zitting heeft de minister in reactie op het betoog van eiser dat de documenten wel een begin van bewijs zouden moeten vormen nog gewezen op enkele opmerkelijke inconsistenties in enkele van de door eiser overgelegde documenten. De minister constateert allereerst dat de datum van afgifte van het identiteitsdocument dat is genoemd in de kopie van de verklaring van religiewijziging niet overeenkomt met de datum van de afgifte van de verklaring zelf. De verklaring is kennelijk afgegeven op 12 juni 2021, terwijl het identificerende document blijkens de verklaring is afgegeven op 9 juli 2021. Ook wijst de minister erop dat de naam van de vader en in het bijzonder de naam van de moeder op deze kopie afwijken van de namen die eiser heeft opgegeven tijdens het aanmeldgehoor. De minister wijst erop dat de naam van eisers moeder blijkens de verklaring [naam (1) moeder] is, terwijl hij in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat haar naam [naam (2) moeder] is. De minister heeft daarom niet ten onrechte minder waarde toegekend aan dit document. De minister heeft zich daarbij gezien voorgaande niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze documenten daarom, in samenhang met eisers verklaringen, niet geloofwaardiger maken dat eiser is bekeerd naar het christendom. Voor de overige documenten die eiser heeft overgelegd wijst de rechtbank op onder 8. en verder overwogene. Van een begin van bewijs is om die redenen geen sprake.
14.1.
De rechtbank wijst in dit kader bovendien nog op de toepasselijke WI, en op paragraaf C1/4.3.2.3 van de Vc 2000 waaruit volgt dat eisers eigen verklaringen in de beoordeling van de minister leidend zijn. [13]
14.2.
Gezien voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn bekering naar het christendom ongeloofwaardig zijn. De rechtbank bespreekt hierna het asielmotief over de bedreiging, ontvoering en mishandeling van eiser.
De bedreiging, ontvoering en mishandeling van eiser
15. Niet in geschil is dat eiser dit asielmotief niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Heeft eiser samenhangend en aannemelijk verklaard over de ontvoering en de mishandeling?
Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe hij in negatieve belangstelling is
gekomen van die islamitische groeperingen.
16. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt hoe hij in de negatieve belangstelling is komen te staan van islamitische groeperingen. Volgens eiser is die tegenwerping niet relevant, omdat de minister niet betwist dat eiser is ontvoerd. Van eiser mag niet worden verwacht dat met meer dan vermoedens aannemelijk te maken omdat dat niet kan. De minister hecht te veel waarde aan eisers verklaringen over de toedracht van de ontvoering en te weinig aan de ontvoering zelf.
16.1.
Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank leest, anders dan eiser, in de besluitvorming dat de minister wel degelijk ongeloofwaardig vindt dat eiser is ontvoerd. De minister werpt eiser in dit kader niet ten onrechte tegen dat hij niet inzichtelijk kan maken hoe hij in de negatieve belangstelling is komen te staan van [naam organisatie] . De minister werpt eiser niet alleen tegen dat hij slechts vermoedens heeft, maar ook dat onaannemelijk is dat een groepering zoveel tijd en moeite zou steken in één persoon die geen significante rol heeft gehad binnen de christelijke gemeenschap in Egypte. Eiser heeft immers zelf verklaard dat hij alles in het geheim deed en dat mensen dachten dat hij het islamitische geloof gewoon niet praktiseerde. De minister verwacht niet ten onrechte van eiser dat hij inzichtelijk kan maken waarop hij deze vermoedens baseert en stelt zich ook niet ten onrechte op het standpunt dat hij daarin niet is geslaagd.
Eiser heeft geen onderzoek gedaan naar de status van zijn aangifte
17. Eiser betoogt dat de minister aan eiser ten onrechte tegenwerpt dat hij geen navraag heeft gedaan bij de politie over zijn aangifte. Volgens eiser heeft hij van de politie weinig hulp te verwachten en is hij Egypte juist mede ontvlucht omdat hij bang is niet beschermd te kunnen worden door de autoriteiten.
17.1.
Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet kan worden gevolgd dat eiser stelt te vrezen voor een islamitische groepering, uit angst maanden binnenblijft, maar dan vervolgens geen moeite doet om te achterhalen wat de status van de zaak is terwijl hij kennelijk wel de moeite heeft genomen om aangifte te doen.
17.2.
Eiser heeft ter zitting nog betoogd dat de door hem overgelegde documenten in de vorm van de kopie van de aangifte en de kopie van de verklaring van het ziekenhuis wel een begin van bewijs zouden moeten vormen voor de gestelde ontvoering en mishandeling.
17.3.
De rechtbank wijst voor zover het de verklaring van het ziekenhuis betreft op het onder 6.3. overwogene. De minister heeft zich over de kopie-aangifte en de kopie-verklaring van het ziekenhuis verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de betrouwbaarheid van deze documenten (mede) afhankelijk is van de identiteit van eiser, die niet ten onrechte ongeloofwaardig is bevonden en dat de kopieën bovendien niet op echtheid te controleren zijn. Van een begin van bewijs is om die redenen geen sprake.
17.4.
Eiser heeft geen gronden gericht tegen het standpunt van de minister dat hij wisselend heeft verklaard over wanneer het geweldsincident plaatsvond.
17.5.
Uit voorgaande volgt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de ontvoering en mishandeling van eiser ongeloofwaardig is. De verwijzing van eiser naar pagina 77 van het algemeen ambtsbericht Egypte van 2021(het ambtsbericht) waaruit – kort gezegd – volgt dat incidenten tegen christenen door het hele land plaatsvinden kan aan de ongeloofwaardig bevonden verklaringen van eiser niet afdoen, nu reeds door de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig is bevonden dat zich een incident heeft voorgedaan. Dat het op grond van het ambtsbericht mogelijk is dat een dergelijk incident zich in Hurghada zou hebben voorgedaan is onvoldoende. De rechtbank wijst op de toepasselijke WI, en op paragraaf C1/4.3.2.3 van de Vc 2000 waaruit volgt dat eisers eigen verklaringen in de beoordeling van de minister leidend zijn. [14]
18. Gezien het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Eiser heeft geen gronden gericht tegen het standpunt van de minister dat eisers Egyptische nationaliteit geen grond oplevert voor internationale bescherming.
Uitstel van vertrek om medische redenen
19. Eiser betoogt dat de minister had moeten beoordelen of hij in aanmerking komt voor uitstel van vertrek. Eiser wijst erop dat hij onder behandeling staat van een GGZ-instelling. [15] Eiser beroept zich op artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn en de arresten Paposhvili [16] en Ararat. [17]
19.1.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen medische documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij nog onder behandeling staat. Eiser heeft weliswaar enkele medische documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij in het verleden een afspraak heeft gehad bij een psycholoog en dat hij bij de huisarts is geweest, maar daarin heeft de minister terecht geen indicaties hoeven zien dat eiser in aanmerking komt voor uitstel van vertrek. Als eiser meent dat hij daarvoor desondanks in aanmerking komt, dan kan hij daarvoor een aanvraag indienen.

Conclusie en gevolgen

20. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, aanhef van de Vw 2000.
2.Daarmee heeft eiser volgens de minister niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
3.Dit is volgens de minister in strijd met artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
4.Artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.
5.Artikel 31, zesde lid, aanhef, van de Vw 2000.
8.ECLI:NL:RBDHA:2025:16613, rechtsoverweging (r.o.) 7 e.v.
9.ECLI:NL:RBDHA:2025:16613, zie in het bijzonder rechtsoverweging 7.1.3.
10.Artikel 31, zesde lid aanhef en onder c van de Vw 2000.
11.Eiser wijst op pagina 12 en 13 en 15 van het nader gehoor.
12.Eiser wijst op pagina 6, 16 en 22 van het nader gehoor.
13.Zie WI 2024/6, 4.2 onder c en WI 2022/03.
14.Zie WI 2024/6, 4.2 onder c.
15.Artikel 64 van Pro de Vw 2000.
16.EHRM, 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.
17.Hof van Justitie, 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.