ECLI:NL:RBDHA:2026:16093
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag nareis asiel wegens onvoldoende identiteit en familierechtelijke relatie
Eisers, bestaande uit een vader, moeder en hun minderjarige kinderen met de Eritrese nationaliteit, hebben een aanvraag ingediend voor machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis bij een referent die een verblijfsvergunning asiel heeft. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat alleen de identiteit van de vader aannemelijk was gemaakt, terwijl de moeder en kinderen geen documenten overlegden om hun identiteit of familierechtelijke relatie te onderbouwen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een kopie of omschrijving van het bestreden besluit, omdat de procedure hierdoor niet is belemmerd. De rechtbank volgt de minister in het oordeel dat de identiteit van de moeder niet aannemelijk is gemaakt en dat er geen aanleiding was voor DNA-onderzoek, aangezien niet aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.
Eisers stelden dat de minister het belang van de minderjarige kinderen niet voldoende heeft betrokken bij de beoordeling, wat een motiveringsgebrek oplevert. De rechtbank erkent dit gebrek maar passeert het op grond van artikel 6:22 Awb Pro omdat eisers niet in hun belangen zijn benadeeld. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft het besluit van de minister en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van €1.868,- en het griffierecht van €194,-.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de nareisaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.