ECLI:NL:RBDHA:2026:1610

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
NL25.16775
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 3 EVRMArt. 3:46 AwbArt. 4 Richtlijn 2011/95/EUArt. 83 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende integrale geloofwaardigheidsbeoordeling homoseksualiteit

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker die sinds 2010 in Oekraïne woonde en vanwege de oorlog tijdelijke bescherming in Nederland kreeg, vroeg asiel aan op grond van zijn homoseksualiteit. Verweerder wees de aanvraag af omdat hij de geloofwaardigheid van het asielmotief onvoldoende vond onderbouwd met objectieve documenten en samenhangende verklaringen.

Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende rekening hield met zijn culturele achtergrond en persoonlijke omstandigheden, en dat de beoordeling van zijn geloofwaardigheid niet in lijn was met Europese richtlijnen en werkinstructies. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende gemotiveerd had waarom bepaalde verklaringen en overgelegde stukken niet geloofwaardig waren, en dat verweerder geen integrale beoordeling had gemaakt van alle verklaringen en bewijsstukken.

De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd en vernietigde het besluit. Verweerder werd opgedragen een nieuwe, deugdelijke integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te maken. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en gebrekkige integrale beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16775

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. A. Stojanovic en mr. N. Joseph).

Inleiding

In het besluit van 13 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft een aanvulling op de beroepsgronden met bijlagen overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Joseph. Als toehoorders zijn drie bekenden van eiser verschenen, waaronder zijn [partner].

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
1. Eiser is geboren op [datum] 1988 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft op 5 augustus 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Op 14 en 15 augustus 2024 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat hij in Nigeria gevaar loopt omdat hij homoseksueel is.
2. Van 2010 tot 2022 heeft eiser in Oekraïne gewoond. Hij heeft daar ook geneeskunde gestudeerd en gewerkt als onder andere kledingverkoper en docent Engels. Vanwege de inval in Oekraïne door Rusland heeft eiser in Nederland tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn 2001/55/EG. In het besluit van 11 juli 2025 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat zijn tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd en dat hij Nederland binnen vier weken moet verlaten. Deze uitspraak heeft op dit besluit geen betrekking.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter niet geloofwaardig geacht dat eiser homoseksueel is en dat hij daardoor problemen heeft ondervonden. Volgens verweerder heeft eiser dit asielmotief namelijk niet volledig onderbouwd met objectieve documenten en zijn eisers verklaringen daarover niet samenhangend en aannemelijk. Dit betekent volgens verweerder dat er geen aanleiding is om eiser als vluchteling aan te merken, of om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Standpunten
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat de wijze waarop verweerder invulling geeft aan de voorwaarden voor het afwijzen van een asielaanvraag mogelijk in strijd is met het Europese recht, aangezien hierover prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Daarnaast voert hij aan dat hij wel degelijk voldoende inzichtelijk en diepgaand heeft verklaard over zijn homoseksualiteit. Daarbij heeft verweerder volgens eiser ten onrechte overwogen dat van hem mag worden verwacht dat hij hierover uitgebreider en gedetailleerder verklaart vanwege zijn leeftijd, zijn verblijf in Oekraïne en zijn werk als docent Engels. Ook heeft verweerder volgens eiser ten onrechte geen rekening gehouden met zijn Nigeriaanse culturele achtergrond, waarbinnen het zeer lastig is om over homoseksualiteit te praten. Verder heeft eiser aangevoerd dat verweerder te weinig aandacht heeft besteed aan de door hem overgelegde verklaring van [naam], zijn vriend toen hij in Oekraïne woonde.
5. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is. Van een hoogopgeleid, volwassen persoon die sinds zijn eenentwintigste buiten Nigeria verblijft mogen volgens verweerder gedetailleerde verklaringen worden verwacht. Eiser is bij zijn verklaringen volgens verweerder echter blijven steken in algemeenheden, ondanks dat hij tijdens de gehoren veelvuldig is bevraagd.
6. Op 5 en 9 januari 2026 heeft eiser diverse stukken overgelegd. Het betreft opnieuw de verklaring van [naam] inclusief vertaling, schermafbeeldingen van chatberichten van eisers [broer], een overzicht van afspraken bij de GGD, een verslag van het GZA, een getuigenverklaring met foto’s van [partner], overzichten waaruit blijkt dat eiser in Nederland werkt en belasting betaalt, een overzicht van door eiser verzamelde informatie over de situatie van LHBTI in Nigeria, de vindplaats van een internetpagina over LHBTI-slachtoffers in Nigeria en diverse foto’s en tickets van voornamelijk bezoeken aan evenementen voor LHBTI (die deels al eerder in de procedure zijn overgelegd). Volgens eiser ondersteunen deze stukken zijn stelling dat hij homoseksueel is. De rechtbank moet deze stukken op grond van de artikelen 83 en 83a van de Vw in de beoordeling betrekken ondanks dat deze grotendeels na het bestreden besluit zijn overgelegd. Tijdens de zitting heeft verweerder meegedeeld dat deze stukken zijn standpunt niet anders maken, omdat deze de summiere verklaringen van eiser volgens hem niet compenseren.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Beoordelingskader en referentiekader
7. Uit artikel 4 van Pro de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) volgt dat een asielrelaas op geloofwaardigheid moet worden beoordeeld. Dit is overgenomen in artikel 31 van Pro de Vw. Hoe verweerder hiermee sinds 1 juli 2024 omgaat is neergelegd in de Werkinstructie 2024/6 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). In zaken waarin een LHBTI-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd, wordt daarnaast sinds 30 december 2019 de Werkinstructie 2019/17 van de IND gehanteerd.
8. Onderdeel van deze werkwijzen is dat verweerder rekening houdt met het referentiekader van de individuele asielzoeker. Daarmee wordt het geheel van persoonlijke factoren bedoeld dat van invloed is op de wijze waarop diegene in staat is om te verklaren over het asielrelaas, waaronder opleidingsniveau, culturele en maatschappelijke achtergrond, enzovoorts.
9. Ten aanzien van een LHBTI-gerichtheid wordt van de asielzoeker verwacht een persoonlijk en authentiek verhaal te kunnen vertellen. Daarbij worden er vragen gesteld over een aantal thema’s, zoals privéleven, huidige en voorgaande relaties, contacten met LHBTI in het land van herkomst en in Nederland, en repressie in het land van herkomst. Er wordt echter geen vaste vragenlijst gehanteerd en het uitgangspunt is dat iedere asielzoeker uniek is.
10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat dit beoordelingskader in strijd is met het Europese recht. De enkele omstandigheid dat over de Werkinstructie 2024/6 prejudiciële vragen zijn gesteld is daarvoor niet voldoende. Prejudiciële vragen zijn een verzoek om uitlegging van het Europese recht. Daaruit kan op zichzelf niet worden afgeleid dat deze werkinstructie onrechtmatig is. Deze rechtbank en zittingsplaats ziet daarnaast geen twijfels die door het HvJ EU moeten worden weggenomen voordat er in deze zaak uitspraak kan worden gedaan. Dat verweerder de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw ziet als cumulatief, is niet in strijd met de Kwalificatierichtlijn. Anders dan eiser aanvoert, heeft verweerder zich daarom in het bestreden besluit mogen beperken tot het beoordelen van de door eiser overgelegde verklaring van [naam] en de door eiser zelf afgelegde verklaringen (de voorwaarde onder c). Eiser is in de gelegenheid geweest om zijn asielrelaas met stukken en met zijn eigen verklaringen te onderbouwen. Niet valt in te zien hoe hij door toepassing van de Werkinstructie 2024/6 is benadeeld. Deze rechtbank en zittingsplaats verwijst hierbij naar zijn eerdere uitspraken van 15 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18978, en 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14954.
11. Eiser kan evenmin worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Verweerder heeft mogen overwegen dat van een volwassen, hoogopgeleid persoon die afkomstig is uit een land waarin homoseksualiteit niet wordt geaccepteerd, en die zich ten tijde van de gehoren al bijna veertien jaar buiten dat land bevond, mag worden verwacht gedetailleerde en persoonlijke verklaringen af te leggen over een gestelde homoseksualiteit. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser zelf heeft verklaard dat hij zich na zijn komst naar Oekraïne langzaam maar zeker steeds vrijer is gaan voelen over zijn homoseksualiteit, en dat verweerder tijdens de gehoren meermaals duidelijk heeft gemaakt dat eiser in vertrouwen kan spreken over zijn asielrelaas en dat daarbij verklaringen over zijn persoonlijke ervaringen vereist zijn.
Geloofwaardigheid en overgelegde stukken
12. Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat hij niet wordt gevolgd in zijn stelling dat hij gelijk besefte dat hij homoseksueel was toen hij op achttienjarige leeftijd voor het eerst seksueel contact had met een jongen. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiser zich volgens zijn verklaringen voorheen niet bewust was van zijn seksuele gerichtheid, en dat hij eerder geen relatie met een vrouw heeft gehad. Verweerder heeft echter niet gemotiveerd waarom uit deze twee verklaringen zou moeten volgen dat eiser niet bij zijn eerste seksuele contact met een jongen meteen tot het besef is kunnen komen dat hij homoseksueel is. Dit klemt temeer daar volgens verweerders eigen Werkinstructie 2019/17, blad 5, niet verwacht mag worden dat elke asielzoeker die zich op een LHBTI-gerichtheid beroept voorafgaand aan het besef van diens seksuele gerichtheid een worsteling heeft doorgemaakt. Ook overigens heeft verweerder hierbij niet onderkend dat eiser heeft verklaard dat hij ook vóór dit moment al twijfelde over zijn geaardheid. Zo volgt uit pagina 16 van het rapport van de gehoren dat eiser eerder merkte dat hij de kleren van zijn moeder en zussen wilde dragen en dat hij zich afvroeg wat dit betekende.
13. Daarnaast heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij in antwoord op vragen over zijn geaardheid diverse verklaringen heeft afgelegd die niets met zijn geaardheid te maken hebben. Ook hierbij ontbreekt echter een motivering. Verweerder heeft hierbij gewezen op eisers verklaring dat hij weleens vrouwenkleding wilde dragen, maar niet onderkend dat eiser heeft toegelicht dat hij daardoor twijfelde aan zijn geaardheid. Ook heeft verweerder hierbij gewezen op eisers verklaring dat hij zich in Nigeria voelde alsof hij in de gevangenis zat, maar niet onderkend dat eiser heeft toegelicht dat hij dit gevoel had doordat hij als homoseksueel in Nigeria niet zichzelf kon zijn. Verder heeft verweerder hierbij gewezen op eisers verklaring dat hij zich in Oekraïne minder bang voelde, maar niet onderkend dat eiser heeft toegelicht dat dit kwam doordat hij daar zijn homoseksualiteit wel kon uiten. Daarnaast heeft verweerder hierbij gewezen op eisers verklaring in de correcties en aanvullingen dat het zusje van een vriend interesse in hem had, maar niet onderkend dat eiser heeft toegelicht dat hij op dat moment besefte dat hij meer interesse had in haar broertje.
14. Verder heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij op diverse onderdelen van zijn asielrelaas te weinig gedetailleerd heeft verklaard, maar ook deze tegenwerpingen niet voldoende gemotiveerd. Zo heeft verweerder overwogen dat eiser over de vraag wat het voor hem betekende om homoseksueel te zijn slechts heeft verklaard dat dit goed voelde, dat hij besefte dat hij alleen affectie had voor jongens en niet voor meisjes, maar dat hij zich wel afvroeg of dit normaal is. Hierbij heeft verweerder niet onderkend dat eiser ook heeft verklaard dat hij zich hierdoor, toen hij nog in Nigeria woonde, eenzaam, ongelukkig en depressief voelde omdat hij bang was om te praten over zijn geaardheid of om daaraan invulling te geven. Ook heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij de beleving van zijn eerste romantische contact niet inzichtelijk heeft gemaakt door slechts te verklaren dat hij zich hierna goed en opgelucht voelde, maar het niet comfortabel vond dat dit geheim moest blijven. Hierbij heeft verweerder niet onderkend dat eiser ook heeft verklaard dat hij zich gedwongen voelde om afstand te nemen van de jongen met wie hij zijn eerste romantische contact had om problemen te voorkomen, terwijl dit eigenlijk slecht voelde. De rechtbank verwijst hierbij naar de pagina’s 14 en 26 van het rapport van de gehoren.
15. Ook heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat zijn verklaring dat hij op de kostschool vanwege zijn geaardheid is mishandeld niet aannemelijk is, in de eerste plaats omdat de door eiser gestelde seksuele gerichtheid en het door eiser gestelde eerste romantische contact met een jongen als zodanig niet geloofwaardig is. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn die tegenwerpingen echter niet goed gemotiveerd, zodat ook deze tegenwerping over de mishandeling op losse schroeven komt te staan.
16. Volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste Nederlandse rechter in onder meer vreemdelingenzaken, bijvoorbeeld de uitspraak van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754, is weliswaar het uitgangspunt dat een asielzoeker een gestelde seksuele gerichtheid met eigen verklaringen aannemelijk moet maken, maar laat dit onverlet dat overgelegde stukken kunnen dienen als ondersteunend bewijs. Verweerder moet een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verrichten. Dit kan meebrengen dat een asielzoeker een gestelde seksuele gerichtheid ondanks (gedeeltelijk) ontoereikende verklaringen wel aannemelijk heeft gemaakt, gelet op de onderlinge samenhang van alle afgelegde verklaringen, overgelegde stukken, overige bewijsmiddelen en de daarover geformuleerde tegenwerpingen. Verweerder moet gelet hierop daadwerkelijk en kenbaar motiveren welk gewicht er aan elk van de overgelegde stukken toekomt in het licht van de afgelegde verklaringen en eventueel ander bewijsmateriaal. Verweerder kan daarbij niet volstaan met een verwijzing naar de ontoereikende verklaringen van de asielzoeker. Nu verweerder dit in deze zaak over de in de beroepsfase overgelegde stukken wel heeft gedaan, is hij onvoldoende gemotiveerd ingegaan op deze door eiser overgelegde stukken. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank nog het volgende.
17. Over de door eiser overgelegde verklaring van [naam] heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat dit geen objectieve verklaring betreft en dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe [naam] de seksuele gerichtheid van eiser heeft ‘vastgesteld’. Door zich hiertoe te beperken, heeft verweerder niet onderkend dat deze verklaring notarieel is vastgelegd. Tijdens de zitting is verweerder hierop desgevraagd alsnog ingegaan, maar heeft hij niet toegelicht wat dit volgens hem voor de inhoud van deze verklaring betekent. Verweerder heeft namelijk slechts het standpunt ingenomen dat dit enkel betekent dat kan worden aangenomen dat de verklaring daadwerkelijk van [naam] afkomstig is. Verweerder heeft niet onderkend dat [naam] volgens de inhoud van deze verklaring gedurende tien jaar de beste vriend van eiser is geweest, dat zij elkaar via een datingplatform voor homoseksuele mannen hebben leren kennen en dat zij regelmatig samen naar een gay club gingen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom [naam] gelet hierop niet in voldoende mate op de hoogte zou zijn van eisers seksuele gerichtheid, dit nog los van het feit dat niet duidelijk is wat verweerder precies bedoelt met het ‘vaststellen’ van een seksuele gerichtheid. Ten slotte heeft verweerder niet onderkend dat deze verklaring feitelijke informatie bevat die eisers stelling dat hij homoseksueel is ondersteunt.
18. Over de door eiser overgelegde schermafbeeldingen van chatberichten van zijn [broer] heeft verweerder zich tijdens de zitting slechts op het standpunt gesteld dat hierop geen profielfoto zichtbaar is en dat aan de hand van het zichtbare telefoonnummer niet kan worden vastgesteld dat de berichten daadwerkelijk van eisers broer afkomstig zijn. Daardoor heeft verweerder niet onderkend dat de inhoud van deze berichten consistent is met eisers verklaringen, namelijk dat zijn familie zijn homoseksualiteit niet accepteert. Ook op het door eiser overgelegde verslag van het GZA is verweerder niet inhoudelijk ingegaan, door slechts te overwegen dat aan dergelijke stukken geen gewicht kan worden toegekend omdat een arts afgaat op wat een patiënt verklaart. Verweerder heeft daardoor niet onderkend dat dit verslag feitelijke informatie bevat die eisers stelling dat hij homoseksueel is ondersteunt. Op de verklaring met foto’s van [partner], de huidige partner van eiser die als toehoorder bij de zitting aanwezig was, is verweerder ruimschoots onvoldoende ingegaan door op de zitting slechts het standpunt in te nemen dat deze verklaring algemeen van aard is. Daardoor heeft verweerder niet onderkend dat ook dit stuk feitelijke informatie bevat die eisers stelling dat hij homoseksueel is ondersteunt. Hierbij is van belang dat verweerder tijdens de zitting niet heeft betwist dat [partner] de huidige partner van eiser is, wat eens temeer eisers stelling dat hij homoseksueel is ondersteunt. Ten slotte heeft verweerder over de diverse door eiser overgelegde foto’s en tickets voor LHBTI-evenementen slechts overwogen dat deze de ontoereikende verklaringen van eiser niet compenseren. Daardoor heeft verweerder niet onderkend dat ook uit deze stukken feitelijke informatie blijkt die eisers stelling dat hij homoseksueel is ondersteunt.
19. Uit de hiervoor benoemde afzonderlijke overwegingen ten aanzien van de door eiser overgelegde stukken volgt verder dat verweerder ten onrechte geen integrale beoordeling gemaakt van alle door eiser overgelegde stukken en afgelegde verklaringen.
Conclusie en gevolgen
20. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand te laten of om op een andere manier zelf in de zaak te voorzien. Het ligt namelijk op de weg van verweerder om alsnog een deugdelijke integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten van alle door eiser afgelegde verklaringen en overgelegde stukken. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
21. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit van 13 maart 2025;
 draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
 veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 28 januari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.