ECLI:NL:RBDHA:2026:16106

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AWB 25/11782
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeVerordening (EG) nr. 810/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst

Eiser, een Marokkaanse jongeman geboren in 2006, vroeg een visum kort verblijf aan om zijn oom in Nederland te bezoeken van 14 december 2024 tot 28 januari 2025. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende aantoonbare sociale en economische binding met Marokko, waardoor het risico bestond dat eiser niet tijdig zou terugkeren.

Eiser voerde aan dat hij een sterke sociale binding heeft omdat hij bij zijn ouders woont en familie in Marokko heeft, en dat hij economisch afhankelijk is van zijn vader. Ook stelde hij dat de hoorplicht was geschonden en dat hij niet was benaderd om ontbrekende stukken aan te leveren. De rechtbank oordeelde dat eiser wel degelijk gelegenheid had gekregen om zijn aanvraag te onderbouwen en dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden.

De rechtbank vond dat de minister terecht heeft meegewogen dat eiser als ongehuwde jongeman zonder eigen gezin geen sterke sociale binding heeft. Het enkele feit dat hij bij zijn ouders woont, is onvoldoende. Het schoolcertificaat en de financiële afhankelijkheid van zijn vader boden onvoldoende bewijs van economische binding, mede omdat niet is aangetoond dat hij nog naar school gaat of dat financiële steun niet op afstand mogelijk is.

De rechtbank concludeerde dat de minister terecht twijfelde aan de terugkeerintentie van eiser en daarom de visumaanvraag mocht afwijzen. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de visumaanvraag wegens onvoldoende sociale en economische binding met Marokko.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/11782

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: E.G. El Alami),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: E.N. Spijkerman).

Inleiding

1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag van 8 november 2024.
1.2
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 19 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Overwegingen

2.1
Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2006.
2.2
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor afgifte van een visum kort verblijf om zijn oom [referent] (referent) in Nederland te bezoeken in de periode van 14 december 2024 tot en met 28 januari 2025.
Besluitvorming
3. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen en deze afwijzing gehandhaafd in het bestreden besluit. De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende heeft aangetoond, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat eiser het Schengengebied (tijdig) zal verlaten. In het verlengde daarvan stelt de minister zich op het standpunt dat eiser het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf in Nederland onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
Beroepsgronden
4. Eiser voert in beroep het volgende aan. Eiser stelt dat hij op geen enkele wijze is benaderd door de minister om ontbrekende informatie of stukken te overleggen. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat hij een sterke sociale binding met Marokko heeft, zo heeft eiser familieleden in Marokko en woont hij nog bij zijn ouders. Daarnaast zit eiser nog op school, in dit kader overlegt eiser een schoolcertificaat van het schooljaar 2024/2025. Er is volgens eiser ook sprake van economische binding, eiser is namelijk nog financieel afhankelijk van zijn vader. Ten slotte slet eiser zich op het standpunt dat de hoorplicht is geschonden.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van de minister ter zitting de tegenwerping heeft laten vallen dat het doel en de omstandigheden van eisers bezoek aan Nederland niet zijn aangetoond.
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn aanvraag te onderbouwen met stukken. Eiser is wel degelijk benaderd om zijn aanvraag compleet te maken. Zo is er een vragenlijst verstuurd en in bezwaar is de mogelijkheid geboden om aanvullende stukken te overleggen. Daarbij is van belang dat het hier een aanvraagsituatie betreft waarin het aan eiser is om zijn aanvraag zo goed mogelijk te onderbouwen.
7.1
Ten aanzien van de afwijzingsgrond dat, in het kader van het vestigingsgevaar, de sociale en economische binding van eiser met Marokko onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt, overweegt de rechtbank als volgt.
7.2
Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum (oftewel het vestigingsgevaar). [1] Bij de beoordeling hiervan heeft de minister een ruime beoordelingsmarge. [2] Voor de beoordeling van het vestigingsgevaar betrekt de minister de sociale en economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Daarbij betrekt de minister welke omstandigheden in het voordeel en welke in het nadeel van de aanvrager uitvallen. Op basis daarvan komt de minister tot een conclusie over de vraag of redelijke twijfel bestaat over tijdige terugkeer naar het land van herkomst. De rechter kan deze beoordeling van de minister slechts terughoudend toetsen.
7.3
Ten aanzien van de sociale binding van eiser met Marokko heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank in eisers nadeel mogen betrekken dat hij een ongehuwde jongeman is en geen kinderen heeft. Voor wat betreft een eigen gezin heeft eiser dus geen sociale binding met Marokko. De stelling dat eiser een sterke sociale binding heeft met Marokko omdat hij inwoont bij zijn ouders, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende mogen vinden nu op grond daarvan een sterke sociale binding niet zonder meer kan worden aangenomen.
7.4
Ten aanzien van de economische binding heeft eiser enkel een schoolcertificaat over het schooljaar 2024/2025 overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit stuk onvoldoende heeft mogen vinden om te kunnen spreken van een economische binding met Marokko. Niet is gebleken dat eiser nog steeds naar school gaat. Bovendien, zelfs al zou kunnen worden aangenomen dat eiser nog steeds schoolgaand is, is hiermee nog niet gebleken dat voorzetting hiervan alleen in Marokko kan plaatsvinden. Ook eisers standpunt dat zijn economische binding met Marokko volgt uit het gestelde dat hij ten laste komt van zijn vader heeft voor de minister geen aanleiding hoeven zijn om een economische binding aan te nemen. De overgelegde werkgeversverklaring en loonstrook van eisers vader tonen niet aan dat eiser ten laste van zijn vader komt. Eiser heeft geen stukken overgelegd die zien op zijn eigen financiële situatie. En ook als eiser wél aannemelijk had gemaakt dat hij ten laste van zijn vader komt, zou dit onvoldoende zijn om van een economische binding met Marokko te kunnen spreken nu dergelijke financiële steun ook op afstand mogelijk is.
7.5
De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de minister heeft kunnen afzien van het horen in bezwaar. In wat eiser in het bezwaarschrift heeft aangevoerd, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om eiser nader te horen over zijn doel van het verblijf en de gestelde sociale en economische binding van eiser met het land van herkomst. Eiser heeft in bezwaar ook niet verzocht om te worden gehoord. Ook indien eiser hierom wel had verzocht, had de minister mogen afzien van horen. Het is aan eiser om de sociale en economische binding met het land van herkomst aannemelijk te maken. Zoals overwogen is eiser daarin niet geslaagd. De minister heeft daarom kunnen concluderen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De beroepsgrond slaagt niet.
7.6
Vanwege de onvoldoende gebleken sociale en economische binding met Marokko heeft de minister kunnen concluderen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Conclusie
8.1
De aanvraag van eiser voor een visum voor kort verblijf is terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.
8.2
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 32, eerste lid, onder a, onderdeel ii, iii en onder b, van de Visumcode (Verordening (EG) nr. 810/2009).
2.Dit volgt uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.