Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16125

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL25.20278
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:51b Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet nieuwe belangenafweging maken bij afwijzing machtiging voorlopig verblijf

Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor een machtiging tot voorlopig verblijf die door de minister is afgewezen. Na eerdere procedures en een uitspraak van de zittingsplaats Haarlem die de minister opdroeg een nieuwe belangenafweging te maken, heeft de minister een nieuw besluit genomen. De rechtbank constateert dat dit besluit onvoldoende is gemotiveerd en dat de minister factoren heeft meegewogen die volgens eerdere uitspraken geen rol mogen spelen.

De rechtbank stelt vast dat de minister de motivering slechts oppervlakkig heeft aangepast en daarmee niet heeft voldaan aan de opdracht van de zittingsplaats Haarlem. Belangrijke omstandigheden, zoals de deplorabele situatie van Syrische vluchtelingen in Turkije en de medische toestand van eiseres en haar referent, zijn onvoldoende meegewogen. Ook is ten onrechte meegewogen dat eiseres een dochter in Turkije heeft die voor haar zou kunnen zorgen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en geeft de minister zes weken de tijd om de gebreken te herstellen door een nieuwe belangenafweging te maken. Hierbij moet de minister rekening houden met de eerdere uitspraak van de zittingsplaats Haarlem. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt de minister een nieuwe belangenafweging te maken en een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20278 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] ,
(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).

Procesverloop

1. Op 12 januari 2020 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 31 augustus 2021 afgewezen. Met het besluit van 29 juli 2022 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres is hiertegen in beroep gegaan en dit heeft geresulteerd in de uitspraak van 17 februari 2023 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem. [2] Hierbij is het beroep gegrond verklaard en heeft de rechtbank de minister opgedragen om een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiseres. Daarbij moest er een nieuwe belangenafweging gemaakt worden met inachtneming van de uitspraak.
2. De minister heeft op 10 maart 2023 een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar van eiseres. Hiertegen heeft eiseres opnieuw beroep ingediend. In de uitspraak van 6 november 2023 heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard. [3] Eiseres is hiertegen in hoger beroep gegaan.
3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de uitspraak van 6 november 2023 vernietigd. Volgens de Afdeling had de rechtbank moeten toetsen of de eerdere uitspraak van de zittingsplaats Haarlem in acht is genomen bij het nemen van de nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres. Omdat de rechtbank die toets niet heeft uitgevoerd, is de zaak terugverwezen.
4. Eiseres heeft nadere gronden ingediend. De minister heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, referent [referent] , T. Sharaf als tolk en de gemachtigde van de minister.

Voorlopig oordeel van de rechtbank

6. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld is de minister gebonden aan de uitspraak van de zittingsplaats Haarlem van 17 februari 2023, omdat de minister niet in hoger beroep is gegaan tegen die uitspraak. Het is aan de rechtbank om te beoordelen of de minister bij het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar van 10 maart 2023 de uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven rechtsoordelen uit de uitspraak van de zittingsplaats Haarlem in acht heeft genomen.
7. De zittingsplaats Haarlem heeft het volgende geoordeeld:

“9. De rechtbank is van oordeel dat verweerders belangenafweging niet volledig en zorgvuldig heeft plaatsgevonden en acht deze ontoereikend om te kunnen concluderen dat deze in het nadeel van eiseres heeft kunnen uitvallen. Niet in geschil is dat tussen eiseres en referent sprake is van gezinsleven en dat zij dit niet in Syrië of Turkije kunnen uitoefenen en dat hier veel gewicht aan moet worden toegekend. Aan verweerders stelling dat de banden van eiseres met Syrië en Turkije sterker zouden zijn, kan in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM dan ook geen gewicht worden toegekend. Verweerder heeft in ieder geval niet gemotiveerd waarom dit in het nadeel van eiseres zou moeten meewegen. Daartegenover staat dat eiseres vanwege haar gezinsleven met referent wel banden heeft met Nederland. Voor zover verweerder in het nadeel van eiseres heeft meegewogen dat er sprake is van een eerste toelating, kan de rechtbank ook dit niet volgen zonder nadere motivering. Wel vindt de rechtbank van belang dat eiseres en referent samen uit Syrië naar Turkije zijn gevlucht, daar hun gezinsleven hebben voortgezet totdat referent verder naar Nederland vluchtte en eiseres nog als vluchteling in Turkije verblijft. Eiseres heeft onderbouwd dat de situatie in Turkije slecht is voor vluchtelingen. Verweerder heeft daar niet op gereageerd. Met betrekking tot de medische toestand van eiseres heeft zij toegelicht waarom zij die niet met stukken heeft kunnen onderbouwen. Daarmee heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden. Ten aanzien van de medische klachten van referent heeft verweerder weliswaar terecht geconstateerd dat hij niet onder specialistische behandeling staat, maar uit de medische gegevens komt wel naar voren dat het niet goed met hem gaat en dat de komst van eiseres daar mogelijk verandering in kan brengen. Dat eiseres een dochter heeft die in Turkije zou verblijven en eiseres zich mogelijk bij haar zou kunnen voegen, speelt geen rol in het kader van de afweging van de belangen van eiseres bij het kunnen uitoefenen van gezinsleven met referent. Bovendien heeft eiseres toegelicht waarom zij niet bij haar dochter kan verblijven en heeft zij een verklaring van haar schoonzoon overgelegd dat dit niet mogelijk is. Verweerder is ook in dit verband niet ingegaan op de aangedragen omstandigheden in Turkije.

10. Verweerders belangenafweging kan dus geen stand houden. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Het is aan verweerder om een nieuwe belangenafweging te verrichten en een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres. Hij dient daarbij rekening te houden met deze uitspraak. (…)”
8. Eiseres voert aan dat de minister de uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegevens rechtsoordelen uit de uitspraak van de zittingsplaats Haarlem niet of onvoldoende in acht heeft genomen. De minister heeft de motivering in het bestreden besluit nauwelijks aangevuld, terwijl dat wel de opdracht van de rechtbank was. De minister had nader moeten motiveren waarom het feit dat er sprake is van een eerste toelating in het nadeel van eiseres wordt meegewogen. Bovendien mist er een aanvullende motivering over de banden die eiseres zou hebben met Syrië en Turkije en waarom deze groter zijn dan de banden met Nederland. De minister heeft ook ten onrechte de deplorabele omstandigheden van Syrische vluchtelingen in Turkije niet in het voordeel van eiseres meegewogen in de belangenafweging. Verder heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de redenen waarom eiseres geen nadere stukken heeft kunnen indienen met betrekking tot haar medische toestand. Ook de medische situatie van referent is onvoldoende meegenomen in de nieuwe beslissing op bezwaar. Daarnaast wordt opnieuw meegewogen dat de dochter van eiseres in Turkije woont en eventueel voor haar zou kunnen zorgen, terwijl de rechtbank al heeft overwogen dat dat geen rol speelt. Omdat de minister de verkeerde omstandigheden in het nadeel heeft meegewogen en de omstandigheden die in het voordeel hadden moeten wegen voor eiseres niet (allemaal) heeft meegewogen, is er geen “fair balance”.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet heeft voldaan aan de opdracht van de zittingsplaats Haarlem. De rechtbank overweegt dat er in het nieuwe bestreden besluit namelijk niet kenbaar een nieuwe belangenafweging heeft plaatsgevonden, dat op de punten waarover de zittingsplaats Haarlem expliciet heeft aangegeven dat een nadere inhoudelijke motivering nodig is geen nadere motivering is gegeven, en dat factoren die op grond van de uitspraak geen rol mogen spelen in de belangenafweging toch zijn meegewogen. De oude beslissing op bezwaar is geknipt en geplakt en er zijn slechts enkele zinnen aan de motivering toegevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met die zinnen enkel nog eens hetzelfde standpunt herhaald, zonder dat er daadwerkelijk een nadere motivering wordt gegeven. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen waarbij er een nieuwe belangenafweging plaats moet vinden. Als de minister de afwijzing van de aanvraag in stand wil laten, zal de minister daarbij rekening moeten houden met de uitspraak van de zittingsplaats Haarlem. Als het de minister niet lukt om aan de maatstaven uit die uitspraak te voldoen, dan kan de minister de aanvraag dus niet afwijzen.
Bestuurlijke lus
10. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid het vastgestelde gebrek in het bestreden besluit te herstellen en doet een tussenuitspraak. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier. De minister moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. [4] Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
11. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat de rechtbank over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 april 2026
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
4.Artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb.