ECLI:NL:RBDHA:2026:16126

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL26.14442
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 12 lid 4 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 17 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, met de Guinese nationaliteit, diende op 27 november 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening, omdat eiser eerder een Schengenvisum van Duitsland had. Nederland verzocht Duitsland meerdere keren om overname, waarbij het tweede verzoek uiteindelijk werd geaccepteerd.

Verweerder nam de asielaanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is. Eiser voerde aan dat verweerder het Duitse claimakkoord niet zonder verificatie had mogen accepteren en dat hij vanwege ernstige medische en psychische problemen niet aan Duitsland overgedragen mag worden, verwijzend naar het arrest Tarakhel en het arrest C.K.

De rechtbank oordeelde dat verweerder geen onderzoeksplicht had na acceptatie van het claimverzoek en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. De medische stukken van eiser boden onvoldoende bewijs dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot onmenselijke behandeling of een aanzienlijke verslechtering van zijn gezondheid. Ook was er geen reden om de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 Dublinverordening Pro toe te passen.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Hello op 19 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14442

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. T. Neijzen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.E.M. Goossens).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 21 april 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.C. Kortrijk-Fourmon als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiser stelt de Guinese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 27 november 2025 ingediend.
1.2.
Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat Duitsland aan eiser een Schengenvisum heeft verleend met geldigheidsduur van 18 mei 2025 tot en met 15 augustus 2025. Het visum van eiser was ten tijde van de asielaanvraag van eiser in Nederland niet meer geldig. Omdat het visum van eiser minder dan 6 maanden ongeldig was op het moment van de asielaanvraag van eiser in Nederland en niet gebleken is dat eiser het Dublingebied heeft verlaten, is Duitsland verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. Op 16 januari 2026 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Op 20 januari 2026 heeft Duitsland dit verzoek afgewezen. Voorts hebben de Nederlandse autoriteiten op 4 februari 2026 een heroverwegingsverzoek verstuurd aan Duitsland. Dit heroverwegingsverzoek is op 10 februari 2026 ook afgewezen door de Duitse autoriteiten. Op 18 februari 2026 heeft Nederland opnieuw aan Duitsland verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. In eerste instantie is het tweede claimverzoek door Duitsland afgewezen, maar later op 20 februari 2026 wel aanvaard op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden van eiser
3. Eiser voert aan dat verweerder het claimakkoord van Duitsland niet zonder verificatie had mogen accepteren, gelet op het feit dat twee eerdere claimverzoeken zijn afgewezen. Volgens eiser had verweerder zorgvuldig onderzoek moeten doen naar de grondslag van het overdrachtsbesluit. Verder voert eiser aan dat hij gelet op zijn traumatische ervaringen en psychische gesteldheid niet aan Duitsland kan worden overgedragen. Eiser stelt dat hij slachtoffer is van zeer ernstige martelingen, waardoor hij lijdt aan ernstige PTSS. Ter onderbouwing heeft eiser zijn medisch dossier overgelegd. Eiser stelt dat hij een bijzonder kwetsbaar persoon is in de zin van het arrest Tarakhel. Gelet op de fysieke en psychische toestand van eiser zijn er zwaarwegende redenen om aan te nemen dat overdracht leidt tot onmenselijke en vernederende behandeling, zo voert eiser aan. Daarnaast is eiser van oordeel dat verweerder gebruik had moeten maken van de discretionaire bevoegdheid die is neergelegd in artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Beoordeling door de rechtbank
Verantwoordelijkheid
4.1.
Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser en dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
4.2.
Eiser voert aan dat verweerder niet zonder verificatie het claimakkoord van Duitsland had mogen accepteren. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder alleen gehouden om die informatie in het overnameverzoek te vermelden die de aangezochte lidstaat in staat stelt om te beoordelen of hij krachtens de in de Dublinverordening genoemde criteria verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling. Verweerder is niet gehouden om een onderzoek te doen na acceptatie van het claimverzoek. Hoewel uit artikel 5 van Pro de Verordening (EG) nr. 1560/2003 (Uitvoeringsverordening) blijkt dat een negatief antwoord op een claimverzoek gemotiveerd dient te worden, blijkt uit artikel 6 van Pro de Uitvoeringsverordening niet dat een positief antwoord gemotiveerd moet worden. Op basis van de Uitvoeringsverordening volgt dus ook niet dat een lidstaat bij een acceptatie na een eerdere afwijzing onderzoek moet doen. Het claimverzoek is dus op een geldige wijze tot stand gekomen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening en rust op verweerder geen onderzoeksplicht nadat het claimakkoord met Duitsland tot stand is gekomen.
Individuele garanties
5.1.
Eiser doet een beroep op het arrest Tarakhel. In dit arrest heeft het Hof van Justitie overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, als de vreemdeling aantoont dat hij zonder garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3806) volgt dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere personen die bijzonder kwetsbaar zijn als aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdeling van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van deze bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling.
5.2.
Eiser voert aan dat hij slachtoffer is geweest van zeer ernstige martelingen, waaronder amputatie van onderarm, amputatie van tenen, brandwonden over het gehele lichaam en verminking van geslachtsdelen, mishandelingen en langdurige detentie. Ook stelt eiser dat hij lijdt aan ernstige PTSS, waarvoor klinische opname overwogen is. Doordat hij beperkt mobiel is en afhankelijk van medische begeleiding, taxi-indicaties, hulpmiddelen en frequente zorgafspraken, stelt eiser dat hij een bijzonder kwetsbaar persoon is in de zin van het arrest Tarakhel. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Ter onderbouwing heeft eiser zijn medisch dossier overgelegd. Hieruit blijkt niet dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Duitsland geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Nu het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet in geschil is, mag er van worden uitgegaan dat eiser in Duitsland zal worden toegelaten tot de opvang en dat (noodzakelijke) medische zorg voor hem beschikbaar is. Daarbij heeft verweerder terecht gewezen op de mogelijkheid om toepassing te geven aan artikel 31 en Pro artikel 32 van Pro de Dublinverordening. Op grond van deze artikelen kunnen de medische gegevens van eiser na zijn toestemming worden uitgewisseld met de Duitse autoriteiten. Op die wijze worden de Duitse autoriteiten voorafgaand aan de overdracht geïnformeerd over de bijzondere medische behoeften van eiser. Tenslotte zal een ‘fit to fly’-onderzoek door de Dienst Terugkeer en Vertrek worden uitgevoerd voor de daadwerkelijke overdracht. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat er individuele garanties van de Duitse autoriteiten zijn vereist voor overdracht van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Arrest C.K.
6.1.
Uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van de gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser geen geslaagd beroep doen op dit arrest. Eiser heeft medische informatie overgelegd over zijn gezondheidstoestand. In beroep heeft eiser een triage- en crisisformulier van de GGZ overgelegd. Uit het formulier volgt dat het suïcide risico licht verhoogd wordt ingeschat, omdat sprake is van suïcidale gedachten maar eiser geen pogingen heeft ondernomen en daartoe ook geen concrete plannen heeft. Conform de geldende werkinstructie (WI 2013/3) had verweerder geen advies van het Bureau Medisch Advisering hoeven te vragen, omdat een BMA-advies pas wordt gevraagd indien uit de stukken volgt dat de behandelaar het risico dat een vreemdeling suïcide zal plegen als gevolg van de overdracht als reëel inschat. Anders dan de gemachtigde van eiser op de zitting betoogde, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat een BMA-advies niet aangevraagd hoeft te worden. Verder heeft verweerder terecht mogen concluderen dat de medische stukken onvoldoende onderbouwing bieden voor de stelling dat een overdracht zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van eiser. Hierbij is van belang dat er geen inschatting is gemaakt door een medisch behandelaar ten aanzien van de gevolgen van overdracht aan Duitsland voor de gezondheidstoestand van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
7.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdacht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen toepassing had hoeven geven aan de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser heeft in zijn beroepschrift niet concreet toegelicht waarom wel gebruik had moeten worden gemaakt van deze bevoegdheid. Er is dus niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die een overdracht aan Duitsland onevenredig hard maakt. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.