ECLI:NL:RBDHA:2026:16162

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30627
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling afgewezen

De minister van Asiel en Migratie heeft op 2 februari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 9 juni 2026 zonder zitting. Uit eerdere uitspraken van 11 februari 2026 en 16 april 2026 blijkt dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was. De beoordeling richt zich daarom op de periode na 16 april 2026.

Eiser stelde dat verweerder geen actuele voortgangsrapportage had verstrekt, maar de rechtbank constateerde dat dit een vergissing was. Verweerder heeft op 8 juni 2026 een recent rapport overgelegd waaruit blijkt dat voldoende voortvarend is gewerkt aan de uitzetting van eiser naar Algerije.

De rechtbank oordeelt dat de maatregel niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30627

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 2 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 9 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1996 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Verwezen wordt naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 februari 2026 [1] . Nadien is een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel van bewaring. Uit de uitspaak hierop van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 april 2026 [2] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 16 april 2026.
4. Eiser voert in beroep aan dat verweerder heeft verzuimd inlichtingen te verstrekken over de voortgang van de bewaring. Het voortgangsrapport dat verweerder 3 juni 2026 heeft toegevoegd dateert namelijk van 8 april 2026. Eiser verzoekt daarom om opheffing van de bewaring.
5. De rechtbank heeft, net als eiser, geconstateerd dat verweerder op 3 juni 2026 niet een actueel voortgangsrapport heeft overgelegd. De rechtbank gaat ervan uit dat sprake is van een vergissing van de zijde van verweerder. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder op 8 juni 2026 een recent voortgangsrapport van 2 juni 2026 met betrekking tot de uitzetting van eiser ingezonden. Uit dit voortgangsrapport volgt dat verweerder in de te toetsen periode voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting naar Algerije door een vertrekgesprek met eiser te voeren en door te rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten naar aanleiding van de voor eiser ingediende aanvraag om een laissez-passer.
6. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.