ECLI:NL:RBDHA:2026:16166
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na ongegrondverklaring beroep
Verzoeker, van Somalische nationaliteit, had een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die door de minister van Asiel en Migratie op 3 december 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening op 18 mei 2026, waarbij zowel verzoeker, zijn gemachtigde, als de gemachtigde van de minister aanwezig waren, evenals een tolk. Op dezelfde dag werd het beroep inhoudelijk behandeld en ongegrond verklaard.
Omdat het beroep ongegrond werd verklaard, was een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk. De voorzieningenrechter wees daarom het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep ongegrond is verklaard.