ECLI:NL:RBDHA:2026:16173
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- J.G. Vegter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en misleiding met vals document
Eiser diende op 17 december 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 2 februari 2026 af als kennelijk ongegrond, omdat eiser geen geloofwaardige identiteit, nationaliteit en herkomst kon aantonen en Nederland met een vals identiteitsbewijs was binnengekomen.
Eiser voerde aan dat hij geen identificerende documenten kon verkrijgen vanwege zijn status als buitenechtelijk kind en dat hij discriminatie had ondervonden. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt wie hij was, mede omdat hij in verschillende landen verschillende persoonsgegevens had opgegeven en een vals document gebruikte. De minister hoefde het asielmotief discriminatie niet inhoudelijk te beoordelen omdat de identiteit niet geloofwaardig was.
De rechtbank stelde vast dat de afwijzing als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.