Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16177

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL24.6936
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen handhaving twv-plicht verblijfssticker zelfstandige kunstenaar

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om de verblijfssticker met de arbeidsaantekening dat een tewerkstellingsvergunning (twv) vereist is, te handhaven. Zij betoogt dat zij door deze twv-plicht schade heeft geleden, onder meer door het mislopen van een solotentoonstelling in het buitenland en door gemaakte kosten.

De rechtbank heeft onderzocht of eiseres nog procesbelang heeft nu zij inmiddels een verblijfsvergunning onder de beperking 'arbeid als zelfstandige' heeft ontvangen. Procesbelang vereist dat aannemelijk wordt gemaakt dat schade is geleden als gevolg van het bestreden besluit.

Uit de stukken blijkt dat de galerie die de tentoonstelling organiseerde geen opdrachtgever was in de zin van de werkinstructie, omdat zij geen specifieke opdrachten gaf maar slechts een presentatie faciliteerde. Hierdoor was voor deze werkzaamheden geen twv vereist en kan het mislopen van de tentoonstelling niet aan het besluit worden toegerekend. Ook heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door de twv-plicht ernstig in haar beroepsuitoefening is beperkt of dat haar overige kosten verband houden met het besluit.

De rechtbank concludeert dat eiseres geen procesbelang heeft en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden en krijgt eiseres geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.6936
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. J.B. Bierbach),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. van Dam).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de beslissing om de aan haar verstrekte verblijfssticker met arbeidsaantekening “arbeid wel toegestaan; tewerkstellingsvergunning (twv) wel vereist” te handhaven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft. Dat betekent dat zij geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroepsgronden. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 22 mei 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking “arbeid als zelfstandige”. In afwachting van de beslissing op deze aanvraag is aan haar een verblijfssticker verstrekt met als arbeidsaantekening “arbeid wel toegestaan; twv wel vereist”. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 26 januari 2024 heeft de minister deze verblijfssticker gehandhaafd.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Op 22 februari 2024 heeft de minister de gevraagde verblijfsvergunning onder de beperking “arbeid als zelfstandige” verleend met ingang van 22 mei 2023 tot 22 mei 2025.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit op 29 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde, mr. S. Franka als de gemachtigde van de minister en R.L. Lacin als tolk. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, eiseres in de gelegenheid gesteld haar standpunt over het procesbelang nader te onderbouwen en de minister om een verweerschrift in te dienen en te reageren op het standpunt van eiseres over het procesbelang. Eiseres en de minister hebben hieraan voldaan. Vervolgens heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
2.4.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op de zitting van 4 februari 2026 voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres is het niet eens met het feit dat zij gedurende de tijd dat nog niet op haar aanvraag was beslist, een twv nodig had om te werken. Inmiddels is op haar aanvraag beslist en heeft zij een verblijfsvergunning. Daarom moet de rechtbank beoordelen of zij nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Belang bij een inhoudelijke beoordeling kan onder meer bestaan als wordt gesteld dat schade is geleden als gevolg van de besluitvorming waarop het beroep betrekking heeft. Vereist is dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat die schade is geleden als gevolg van het besluit. [1]
3.1.
Eiseres stelt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de plaatsing van de verblijfssticker voor zover daarbij is opgenomen dat zij twv-plichtig is. Vanaf de verstrekking van de verblijfsaantekening op 22 november 2023 tot de verstrekking van haar huidige verblijfsdocument werd zij aanzienlijk beknot in de mogelijkheden haar beroep als beeldend kunstenaar commercieel uit te oefenen. Zij had daardoor een lager inkomen. Eiseres heeft daarbij in het bijzonder gewezen op het mislopen van een solotentoonstelling in [plaats]. Daarnaast heeft zij kosten moeten maken voor haar assistenten en ook had zij medische kosten. Verder bestaat de schade uit de proceskosten in bezwaar.
3.2
Volgens Werkinstructie 2022/2 moet een opdrachtgever die een vreemdeling arbeid als zelfstandige wil laten verrichten een twv aanvragen als de arbeidsaantekening stelt dat de vreemdeling twv-plichtig is. Als er geen opdrachtgever is, dan is er ook geen twv-plicht. [2] Een voorbeeld van een situatie waarin geen directe opdrachtgever is, is wanneer een vreemdeling zelf een app ontwikkelt. Wanneer de vreemdeling echter een app zou ontwikkelen in opdracht van Microsoft, dan is er volgens de werkinstructie wel sprake van opdrachtgeverschap.
3.3
Ter onderbouwing van de door haar geleden inkomensschade, heeft eiseres gewezen op een misgelopen tentoonstelling in [plaats]. Uit de stukken blijkt dat er in verband met de tentoonstelling afspraken zijn gemaakt tussen de galerie en eiseres, onder meer een tijdschema. Niet blijkt echter dat de galerie haar opdracht heeft gegeven om specifieke werken te maken. Zo staat in een e-mail van de eigenaar van de galerie van 24 maart 2024 dat niet gevraagd wordt naar een specifiek aantal werken of de omvang van werken, alleen dat het zal gaan om een substantiële presentatie. Eiseres mocht haar werk dus tentoonstellen en dat werk zou door de galerie worden verkocht. Niet verkocht werk bleef het eigendom van eiseres. De gemachtigde van eiseres heeft deze gang van zaken op de zitting bevestigd. Hieruit volgt dat de galerie geen opdrachtgever was. Daarom was voor dit werk geen twv vereist. Het mislopen van de tentoonstelling is daarom geen gevolg van de besluitvorming. Eiseres heeft overigens ook niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de twv-verplichting ernstig beknot werd in haar mogelijkheden om haar beroep commercieel uit te oefenen. Zij heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de kosten die zij voor haar assistenten heeft gemaakt en haar medische kosten, verband houden met de besluitvorming. Zij heeft namelijk niet duidelijk gemaakt waar deze kosten precies voor zijn gemaakt.
3.4
Ten slotte bestaat de gestelde schade uit de kosten in bezwaar. Het uitgangspunt is dat het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten niet een zelfstandig procesbelang oplevert. [3] Hiervoor gelden twee uitzonderingen. Niet in geschil is dat deze uitzonderingen zich in deze zaak niet voordoen.
3.5
Gelet op het vorenstaande heeft eiseres niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden vanwege de besluitvorming. Daarom heeft zij geen procesbelang.

Conclusie en gevolgen

4 Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of de minister op goede gronden het bezwaar van eiseres ongegrond heeft verklaard. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, voorzitter, en mr. R.H.G. Odink en mr. M.B. de Boer, leden, in aanwezigheid van L. Fernandez Ferreiro, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2424.
2.In het Informatiebericht 2023/89 staat dit ook vermeld.
3.Uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2323.