Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16178

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/2844
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 163 lid 6 Wvw 1994Art. 9 lid 5 Wvw 1994Art. 20 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 8 lid 5 Wvw 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering Verklaring Omtrent het Gedrag voor chauffeurskaart

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) ten behoeve van een chauffeurskaart, welke door verweerder is afgewezen vanwege eerdere veroordelingen voor verkeersdelicten binnen de terugkijktermijn van vijf jaar en eerdere Opiumdelicten buiten deze termijn. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft omdat hij een concreet baanaanbod heeft dat geldt tot 1 juni 2026 en momenteel leeft van een bijstandsuitkering. Desondanks wordt het verzoek afgewezen omdat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar in stand zal blijven.

De rechter stelt vast dat het objectieve criterium is vervuld: de veroordelingen voor verkeersdelicten vormen een risico voor de veiligheid van personen in de taxibranche. Het subjectieve criterium, waarbij het persoonlijke belang van verzoeker wordt afgewogen tegen het maatschappelijke belang, leidt niet tot een andere uitkomst. Verzoeker kan ook solliciteren op functies waarvoor geen VOG vereist is. De voorlopige voorziening wordt daarom niet toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de VOG voor een chauffeurskaart wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2844

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. El Amiri-Essabane).

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een VOG. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 3 maart 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft op 9 oktober 2025 verzocht om afgifte van een VOG ten behoeve van een chauffeurskaart bij KIWA Register B.V. in Rijswijk. Op het aanvraagformulier is het screeningsprofiel ‘chauffeurskaart’ aangekruist. Verweerder heeft onderzoek gedaan en heeft de VOG geweigerd omdat verzoeker binnen de terugkijktermijn van vijf jaar in aanraking is geweest met justitie. Verzoeker is veroordeeld wegens het weigeren van een bloedonderzoek, [1] wegens het rijden gedurende een rijontzegging, [2] wegens het overschrijden van de maximumsnelheid, [3] en hem is bij strafbeschikking een geldboete opgelegd van € 850,- wegens rijden onder invloed. [4] Verder heeft verweerder bij de beoordeling betrokken dat verzoeker buiten de terugkijktermijn is veroordeeld voor verschillende Opiumdelicten. Gelet hierop bestaat er volgens verweerder een risico voor de samenleving indien verzoeker de strafbare feiten herhaalt en weegt het belang van de samenleving groter dan de persoonlijke belangen van verzoeker. Deze uitspraak gaat over de vraag of het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening moet worden toegewezen.
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag voor een VOG. Ten aanzien van het objectieve criterium voert hij aan dat verweerder de achtergrond en het “gewicht” van de strafbare feiten niet juist heeft gewaardeerd. Deze beoordeling heeft volgens verzoeker onvoldoende plaatsgevonden. Het valt niet in te zien hoe de veroordelingen een indicatie vormen dat verzoeker op de werkvloer de veiligheid en gezondheid van personen in gevaar brengt, en dat hij een risico voor de samenleving vormt. Er bestaat geen relatie tussen de strafbare feiten en de functie die verzoeker gaat vervullen. Tegen de veroordeling in hoger beroep voor het rijden gedurende een rijontzegging gaat hij bovendien in cassatie. Ten aanzien van het subjectieve criterium voert verzoeker aan dat de afwijzing onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen voor hem heeft. Deze baan is voor hem een kans om niet langer een beroep te hoeven doen op de bijstand en zijn leven een positieve wending te geven. Het bestreden besluit is volgens verzoeker niet deugdelijk gemotiveerd en in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom eerst of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker in deze zaak voldoende spoedeisend belang heeft nu hem een concreet aanbod is gedaan voor een baan, dit aanbod slechts tot en met 1 juni 2026 geldt, en verzoeker op dit moment naar eigen zeggen leeft van een bijstandsuitkering.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
5. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is voldaan aan het objectieve criterium?
6. De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij het objectieve criterium wordt niet gekeken naar de persoon van de verzoeker zelf. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. [5]
6.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat is voldaan aan het objectieve criterium. Zoals blijkt uit het specifieke screeningsprofiel ‘taxibranche; chauffeurspas’ is een taxichauffeur belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van personen en geldt het in gevaar brengen van de veiligheid van personen als een van de risico’s in de taxibranche. Rijden onder invloed, overschrijding van de maximumsnelheid, en overtredingen van de Opiumwet worden uitdrukkelijk in dit screeningsprofiel genoemd. Alle feiten waarvoor verzoeker is veroordeeld zien op verkeersdelicten. Wanneer deze feiten zouden worden herhaald wordt hiermee niet alleen de veiligheid van de inzittenden in gevaar gebracht, maar ook de veiligheid van de overige verkeersdeelnemers. Of sprake is van een
reëelrecidivegevaar is bij de beoordeling van het objectieve criterium niet relevant. Daarbij merkt verweerder op zitting terecht op dat ook niet relevant is of het strafbare feit plaatsvond in de privésfeer. [6] De enkele stelling dat de werkgever waarborgen inbouwt om de eigen werknemers te controleren neemt het (objectieve) risico dat verweerder heeft vastgesteld niet weg. Dit geldt eveneens voor de proeftijd waar verzoeker nog in zit. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder genoegzaam gemotiveerd waarom de in het JDS geregistreerde feiten, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, niet te verenigen zijn met een behoorlijke uitoefening van taken als taxichauffeur. [7]
Is voldaan aan het subjectieve criterium?
7. Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat, vanwege de omstandigheden van het geval, het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. [8] Als ‘omstandigheden van het geval’ kunnen (onder meer) worden genoemd: de afdoening van de strafzaak (waarbij ook de kans op recidive van belang is), het tijdsverloop, de hoeveelheid antecedenten en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Verweerder heeft bij voormelde belangenafweging een zekere beoordelingsruimte.
7.1.
Verzoeker wijst erop dat hij al jaren in de bijstand zit. Hij wil graag aan het werk, maar ook zijn eerdere aanvragen voor een VOG zijn afgewezen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker graag aan de slag wil als taxichauffeur. Verzoeker krijgt een bijstandsuitkering en er ligt nu een heel concreet aanbod om aan de slag te kunnen voor een werkgever. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker echter ook inkomen kan genereren door te solliciteren op een baan waarvoor geen VOG is vereist. Zij ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten onrechte de belangenafweging in het nadeel van verzoeker heeft laten uitvallen.

Conclusie en gevolgen

8. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar in stand zal blijven. Er is daarom geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier. Het dictum is per e-mail aan de gemachtigden meegedeeld op 22 mei 2026 omstreeks 14.40 uur.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 163, zesde lid, van de Wvw 1994.
2.Artikel 9, vijfde lid, van de Wvw 1994.
3.Artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
4.Artikel 8, vijfde lid, van de Wvw 1994.
5.Paragraaf 3.1.3. Het objectieve criterium, van de Beleidsregels.
6.Paragraaf 3.1.3.2. Indien herhaald, van de Beleidsregels.
7.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2677.
8.Paragraaf 3.1.4. Het subjectieve criterium, van de Beleidsregels.